<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:2427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-10T09:13:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/486168 / FO RK 19-1242</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenbeschikking">Tussenbeschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:2427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-10T09:11:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:2427 Rechtbank Midden-Nederland , 03-07-2020 / C/16/486168 / FO RK 19-1242</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Begeleide zorgregeling na uitdrukkelijke wens kinderen. Waarschuwing aan vader dat hij afspraken moet nakomen en zorgtaken verder bij moeder moet laten. Aanhouding van verzoek voor overige. Uitbreiding op aangeven hulpverlening mits goed verloop. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2019:6737)</para>
        <para>Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:2427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Familierecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/16/486168 / FO RK 19-1242 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omgangsregeling </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 3 juli 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat mr. J.F.W. Veraar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat mr. W.J.L. Zwaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft eerder op 15 augustus 2019 en op 15 oktober 2019 een beschikking gegeven tussen partijen. In de beschikking van 15 oktober 2019 heeft de kinderrechter de beslissing op het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling aangehouden (uitgesteld). Daarbij heeft de kinderrechter aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gevraagd om een onderzoek te doen naar de vraag of omgang in het belang van de kinderen [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] is en, zo ja, hoe die omgang dan moet worden opgebouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Daarna heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de brief van de Raad van 3 juni 2020, met als bijlage het rapport van 29 mei 2020;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de moeder van 17 juni 2020.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat het over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De ouders hebben samen twee kinderen, namelijk:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">
              [minderjarige 1]
            </emphasis>, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2006;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">
              [minderjarige 2]
            </emphasis>, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2009. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wonen bij de moeder. De vader heeft aan de kinderrechter verzocht om een omgangsregeling tussen hem en [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] vast te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De Raad adviseert in zijn rapport om de beslissing op het verzoek voor zes maanden uit te stellen. In de tussentijd kan dan begeleide omgang worden opgestart tussen de vader en [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] te starten, onder regie van het Wijkteam. Binnen die zes maanden moet dan worden geëvalueerd hoe het contact verloopt en of en, zo ja, welk vervolg daaraan moet worden gegeven.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De kinderrechter zal de beslissing op de zaak aanhouden (uitstellen) voor de duur van zes maanden, zoals de Raad heeft geadviseerd. Daarbij acht de kinderrechter het van belang dat zo snel mogelijk wordt gestart met begeleide omgang tussen de vader en [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] , voor zover dat nog niet is gebeurd. Na zes maanden zal de kinderrechter dan beoordelen of er een concrete omgangsregeling kan worden vastgelegd, met of zonder begeleiding. De kinderrechter zal uitleggen waarom hij dit de juiste gang van zaken vindt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit het rapport van de Raad blijkt dat beide kinderen graag weer contact willen met hun vader. Met name [voornaam van minderjarige 2] lijkt erg enthousiast te zijn over contact met vader. Deze wens van de kinderen maakt dat de kinderrechter vindt dat snel een eerste contact moet plaatsvinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Net als de Raad vindt de kinderrechter wel dat een dergelijk contact onder begeleiding moet plaatsvinden. De kinderen hebben de vader namelijk al lange tijd niet gezien. Het is dan ook onzeker hoe de kinderen zullen reageren als zij hun vader nu weer gaan zien. Daarbij komt dat de kinderen kwetsbaar zijn, doordat zij in hun jonge kinderjaren het nodige hebben meegekregen van de echtscheidingsstrijd tussen de ouders. Beide ouders moeten er dan ook voor waken om geen gebeurtenissen uit het verleden op te gaan rakelen en de kinderen niet belasten met negatieve ideeën over de andere ouder. Voor [voornaam van minderjarige 1] geldt dat hij extra kwetsbaar is, omdat bij hem ADHD is geconstateerd en hij daardoor meer dan een gemiddeld kind behoefte heeft aan structuur en duidelijkheid. Daarbij deelt de kinderrechter de zorg van de Raad over hoe vader over de problematiek van [voornaam van minderjarige 1] denkt. De moeder is er nu in geslaagd om voor [voornaam van minderjarige 1] stabiliteit en rust te bieden, wat de kinderrechter een compliment aan moeder waard vindt. Die rust en stabiliteit zou kunnen worden verstoord als de vader aan [voornaam van minderjarige 1] zou laten merken dat hij anders over zijn problematiek denkt. Voor de rust van [voornaam van minderjarige 1] en het slagen van de begeleide contacten is het dan ook van cruciaal belang dat de vader zijn ideeën daarover voor zich houdt en de aanwijzingen van de hulpverlening strikt opvolgt. Het herstel van het contact moet nu voorrang krijgen. Ook heeft de kinderrechter nog de zorg dat de vader moeite zal hebben om de gemaakte afspraken na te komen. Daarom wijst de kinderrechter de vader er uitdrukkelijk op dat hij strikt op de afgesproken momenten zal moeten verschijnen. Het is namelijk ronduit slecht voor het vertrouwen van de kinderen als hij niet zou komen opdagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Omdat onduidelijk is hoe de kinderen op het eerste contact zullen reageren, kan de kinderrechter nu niet een meer concrete omgangsregeling vastleggen. De kinderrechter zal daarom bepalen dat na het eerste contactmoment een evaluatie moet plaatsvinden en dat vervolgens het Wijkteam, in overleg met de andere betrokken hulpverlening, kan bepalen of er daarna nog meer begeleide contactmomenten kunnen volgen. Net als de Raad kan de kinderrechter zich daarbij voorstellen dat die begeleide contactmomenten dan één keer per maand zullen zijn. Tot slot zal de kinderrechter de advocaten van de ouders verzoeken om uiterlijk op <emphasis role="underline">28 december 2020</emphasis> aan hem te laten weten hoe het begeleide contact is verlopen en hoe de procedure volgens hen verder moet verlopen. Als het verloop van het begeleide contact het nodig maakt dat er eerder een beslissing van de kinderrechter nodig is, dan kunnen zij dat ook eerder aangeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>houdt de beslissing op het verzoek van de vader aan tot <emphasis role="underline">28 december 2020</emphasis>;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>bepaalt dat de vader gerechtigd is tot in ieder geval één begeleid contactmoment met [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] , met de bepaling dat na dit contactmoment een evaluatie moet plaatsvinden en dat vervolgens het Wijkteam, in overleg met de andere betrokken hulpverlening, kan bepalen of er daarna nog meer begeleide contactmomenten zullen volgen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verzoekt de advocaten van de ouders om uiterlijk op <emphasis role="underline">28 december 2020</emphasis> aan de kinderrechter te laten weten hoe het begeleid contact is verlopen en hoe de procedure volgens hen verder zou moeten verlopen.</para>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Dit is de beslissing van kinderrechter mr. A.R. Scharrenborg, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2020. </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
                <para>Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>