<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:1895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-25T08:21:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/614</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1895">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-25T08:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:1895 Rechtbank Midden-Nederland , 15-05-2020 / 20/614</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1895:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>niet-ontvankelijk; beroep te laat; reden niet geldig</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1895:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 20/614</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser(es)] , te [woonplaats] , eiser(es),</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: G. Gieben),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser(es) tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 4 december 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1.</emphasis>De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser(es) is namelijk te laat met het indienen van beroep, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. </para>
    <para />
    <para>2. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. </para>
    <para />
    <para>3. In dit geval is de uitspraak op bezwaar bekendgemaakt op 4 december 2019. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 15 januari 2020 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 3 februari 2020. De rechtbank heeft op 12 februari 2020 een brief gestuurd aan eiser(es), waarin zij schrijft dat het beroepschrift buiten de termijn van zes weken is ontvangen en zij eiser(es) verzoekt om kenbaar te maken waarom het beroepschrift na afloop van de termijn is ingediend. Eiser(es) heeft daar bij brief van 14 februari 2020 op geantwoord dat er een identieke uitspraak op bezwaar is van 23 december 2019, maar dat het beroep ziet op de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 en dus tijdig is. De rechtbank kan dit niet volgen. Zoals hiervoor overwogen liep de beroepstermijn van zes weken na 4 december 2019 tot en met 15 januari 2020 en is het beroepschrift pas op 3 februari 2020 ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser(es) niets aan kan doen. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft geen geldige reden gegeven waarom zij te laat was. Zij heeft zich alleen op het standpunt gesteld dat het beroepschrift op tijd is ingediend omdat het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 en niet tegen de identieke uitspraak op bezwaar van 23 december 2019. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb). Dat betekent dat het beroep van eiser(es) niet inhoudelijk al worden behandeld. </para>
    <para />
    <para>5. Voor zover eiser(es) heeft bedoeld dat het beroep wél is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 23 december 2019, geldt het volgende. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6..   Eiseres heeft bij haar brief van 14 februari 2020 de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 en een brief van verweerder van 23 december 2019 overgelegd. Zoals eiser(es) zelf ook schrijft is de brief van 23 december 2019 identiek aan de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019. Dat brengt mee dat brief van 23 december 2019 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van dat artikel wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling die naar haar aard op een rechtsgevolg is gericht. Het rechtsgevolg voor eiser(es), namelijk dat de WOZ-waarde van zijn of haar woning wordt gehandhaafd, is immers al ingetreden met de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019. In de brief van 23 december 2019 herhaalt verweerder slechts zijn standpunt dat hij al met de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 heeft ingenomen. Omdat de brief van 23 december 2019 geen besluit is, kan daar geen beroep tegen worden ingesteld bij de rechtbank. Dus, ook als eisers beroep heeft willen instellen tegen de brief van 23 december 2019, kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>O. Asafiati, griffier, op 15 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak voor zover nodig alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de rechter is verhinderd deze </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">							uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>