<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:1837</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-15T09:20:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/3632</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1837">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1837</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-15T09:20:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:1837 Rechtbank Midden-Nederland , 11-05-2020 / 19/3632</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1837:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep ongegrond; geen verklaring erfrecht; id niet bekend beroepstermijn verstreken</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1837:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 19/3632</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [A] , te [woonplaats] , </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>dan wel  </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de erven van [A] , woonplaats onbekend, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten &amp; hoogheemraadschap Utrecht, </emphasis>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) heeft beweerdelijk namens mevrouw [A] c.q. haar erfgenamen beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van verweerder van 1 augustus 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen      </title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat de rechtbank vindt dat zij voldoende informatie heeft om zonder zitting uitspraak te doen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. </para>
    <para />
    <para>2. In dit geval is onduidelijk namens wie Bartels beroep heeft ingesteld. Het beroep kan niet namens mevrouw [A] én haar erfgenamen tegelijkertijd zijn ingesteld. Als mevrouw [A] op het moment van het instellen van beroep was overleden, is het niet mogelijk om namens haar beroep in te stellen. Het beroep moet dan worden ingesteld namens de erfgenamen. Als mevrouw [A] op het moment van het instellen van beroep nog in leven was, is het niet mogelijk om namens de erfgenamen beroep in te stellen. In beide gevallen (het beroep is ingesteld namens mevrouw [A] óf het beroep is ingesteld namens de erfgenamen) is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank legt dat hierna uit. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep is ingesteld namens mevrouw [A]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De omstandigheid dat Bartels het beroep heeft ingesteld namens mevrouw [A] <emphasis role="italic">dan wel</emphasis> haar erfgenamen, maakt dat moet worden getwijfeld of mevrouw [A] op het moment van het instellen van beroep nog in leven was. In het geval Bartels namens haar beroep in had willen stellen, had het daarom op zijn weg gelegen om een recente machtiging van mevrouw [A] in de beroepsprocedure over te leggen. De in bezwaar overgelegde machtiging van 13 maart 2019 is onvoldoende, omdat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld dat mevrouw [A] nog in leven was toen beroep werd ingesteld. Omdat in de beroepsprocedure geen machtiging van mevrouw [A] is overgelegd, terwijl dat onder de genoemde omstandigheden wel van Bartels mocht worden verwacht, is het beroep voor zover dat is ingesteld namens mevrouw [A] niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep is ingesteld namens de erfgenamen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>In het beroepschrift heeft Bartels, voor zover hier relevant, volstaan met de vermelding dat het beroep is ingesteld namens de erfgenamen van mevrouw [A] , zonder de gegevens van de personen namens wie hij beroep instelt te vermelden. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er niet toe strekken om het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Deze rechtspraak is ook van toepassing in het belastingrecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>In dit geval liep de beroepstermijn tot en met 12 september 2019. Bartels heeft binnen die termijn geen stukken overgelegd waaruit de identiteit van degenen namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt, zoals een verklaring van erfrecht of een machtiging met daar op de gegevens van de eisers. Voor zover Bartels meent dat hun identiteit blijkt uit de stukken uit de bezwaarprocedure die verweerder heeft overgelegd, geldt dat verweerder die stukken pas na het verstrijken van de beroepstermijn aan de rechtbank heeft gestuurd. Bovendien bevinden zich tussen die stukken geen documenten waaruit de identiteit van de erfgenamen namens wie Bartels beroep heeft ingesteld blijkt. De identiteit van de eisers was dus niet binnen de beroepstermijn bekend. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling dat een dergelijk verzuim zich niet leent voor herstel. Dat betekent dat het beroep, ook voor zover dat is ingesteld namens de erfgenamen van mevrouw [A] , niet-ontvankelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Overigens heeft Bartels ook ná het verstrijken van de beroepstermijn geen stukken overgelegd waaruit de identiteit van de degenen namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt. Bartels heeft op 2 maart 2020 een verklaring van erfrecht overgelegd van de heer [B] , maar niet van mevrouw [A] . Verder heeft hij op <?linebreak?>23 oktober 2019, naar de rechtbank begrijpt: per abuis, een machtiging overlegd van <?linebreak?>‘ [C] ’. Op 18 november 2019 heeft hij een machtiging overgelegd van de ‘erven [A] ’, zonder dat duidelijk is wie dat zijn.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld. </para>
      <para />
      <para>6. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2020 door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt voor zover nodig de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd deze</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>