<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:1765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-06T11:09:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8216445 MC EXPL 19-10749</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almere</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1765">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-06T11:09:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:1765 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2020 / 8216445 MC EXPL 19-10749</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1765:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt zoals bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1765:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Almere</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8216445 MC EXPL 19-10749 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 15 april 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar Belgisch recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] COMM.V</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 1] (België),</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Zuurveld,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>kantoorhoudende te [vestigingsplaats 3] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>thans vertegenwoordigd door haar (middellijk) bestuurder [A] , <?linebreak?>(daarvoor bijgestaan door gemachtigde mr. [.] , die zich heeft onttrokken).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 26 februari 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van deze zaak is gehouden op 13 maart 2020. </para>
        <para>Aan de zijde van [eiseres] zijn verschenen de heer [B] en mevrouw [C] , bijgestaan door mr. Zuurveld voornoemd. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. <?linebreak?>Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil en de beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Inleiding</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] houdt zich onder meer bezig met het aanbieden van personeelshuisvesting.  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de periode mei 2019 tot en met september 2019 heeft [eiseres] voor haar personeel diverse appartementen gehuurd van [gedaagde] . Na het einde van de huurperiode heeft [eiseres] de betaalde waarborgsommen niet (volledig) teruggekregen van [gedaagde] . </para>
        <para>Het gaat om de volgende waarborgsommen met betrekking tot appartementen op de volgende locaties: </para>
        <para> Wassenaar 			€ 5.918,63</para>
        <para> Hoofddorp			€ 5.000,00</para>
        <para> Loosdrecht			€    500,00</para>
        <para> Bussum ( [locatie 1] )	€ 5.000,00</para>
        <para> Bussum ( [locatie 2] )	€ 5.000,00</para>
        <para> Zaandam			€ 5.000,00</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De waarborgsommen van in totaal € 26.418,63 zijn tot op heden niet door [gedaagde] terugbetaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 26.418,63 aan waarborgsommen en € 1.039,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 26.418,63 te berekenen vanaf 30 september 2019 tot de dag der algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en het nasalaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De kantonrechter zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingaan op de stellingen van partijen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Rechtsmacht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. [eiseres] is namelijk een rechtspersoon naar Belgisch recht waardoor de vordering een internationaal karakter draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), aangezien de gedaagde partij ( [gedaagde] ) gevestigd is in Nederland.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Toepasselijk recht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder dient te worden beoordeeld welk recht van toepassing is in deze zaak. </para>
        <para>De bepaling van het toepasselijk recht dient plaats te vinden aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Vo), nu de betreffende overeenkomst gesloten is na 17 december 2009. Omdat niet is gesteld of gebleken dat door partijen een keuze is gedaan ten aanzien van het toepasselijke recht, is op grond van artikel 4 van Rome I-Vo het recht van toepassing van het land waar het gehuurde is gelegen. Aangezien de gehuurde appartementen zijn gelegen in Nederland, is in deze zaak Nederlands recht van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Terugbetaling waarborgsommen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat de waarborgsom binnen veertien </para>
        <para>dagen na het verlaten van de woonruimte moet worden terugbetaald door [gedaagde] . </para>
        <para>Zo staat ook onder iedere factuur van [gedaagde] : <?linebreak?>“ [bedrijfsnaam] B.V. [<emphasis role="italic">kantonrechter: thans genaamd [gedaagde]</emphasis>] <?linebreak?>	will return the deposit of the house within 14 days after the check-out if there are no damages/broken things or missing items in the house. (…) Also [bedrijfsnaam] will give a detailed invoice of what’s going off the deposit.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Verder is niet in geschil dat de huurperiode van de door [eiseres] gehuurde appartementen al geruime tijd is verstreken. De laatste door [eiseres] gehuurde woonruimte (in Zaandam) is op 29 september 2019 verlaten. [eiseres] heeft onweersproken gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] meerdere keren heeft toegezegd dat zij de waarborgsommen zou terugbetalen. Pas na een sommatiebrief van (de advocaat van) <?linebreak?>[eiseres] van 30 september 2019, heeft [gedaagde] zich bij (e-mail- en Whatsapp)berichten van <?linebreak?>7 en 9 oktober 2019 op het standpunt gesteld dat er sprake is van diverse schade in alle appartementen. De genoemde schade wordt echter door [eiseres] betwist en is door [gedaagde] <?linebreak?>– ondanks verzoeken daartoe van [eiseres] – niet (voldoende) onderbouwd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Anders dan [gedaagde] meent, ligt het op de weg van [gedaagde] om te stellen en te bewijzen dat de staat van het gehuurde bij oplevering anders was dan bij aanvang van de huur. </para>
        <para>De omstandigheid dat er bij aanvang van de huur geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, betekent namelijk (anders dan [gedaagde] meent) dat moet worden verondersteld dat <?linebreak?>[eiseres] het gehuurde in de staat heeft ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst (art. 7:224 lid 2 BW). Hoewel [gedaagde] stelt dat de appartementen ernstig beschadigd en vuil zijn achtergelaten door [eiseres] , heeft zij – ook in deze procedure – nagelaten om dit voldoende te onderbouwen met bijvoorbeeld onderliggende facturen van de herstelkosten en foto’s waaruit blijkt dat de staat van het gehuurde bij aanvang anders was dan bij de oplevering. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiseres] de appartementen correct heeft opgeleverd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat [gedaagde] gehouden is om de waarborgsommen volledig terug te betalen aan [eiseres] . De vordering met betrekking tot de hoofdsom van € 26.418,63 zal dan ook worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Nevenvorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 26.418,63 vanaf <?linebreak?>30 september 2019 zal, bij gebreke van afzonderlijke betwisting en als op de wet gegrond, eveneens worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft verder een bedrag van € 1.039,19 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. De kantonrechter stelt voorts vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaarding	 €	    86,38</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht		 €	  972,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">salaris gemachtigde	 €	  960,00  </emphasis>(2 punten x tarief € 480,00)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>totaal		 €         2.018,38</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Het gevorderde nasalaris zal op de hieronder vermelde wijze worden begroot.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 26.418,63 aan waarborgsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119a BW, gerekend vanaf 30 september 2019 tot aan de dag van  algehele voldoening;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 1.039,19 aan buitengerechtelijke incassokosten;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.018,38, waarin begrepen € 960,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>