<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2020:1107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:42:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.13550</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RI 2020/51</rdf:li>
          <rdf:li>GJ 2020/62</rdf:li>
          <rdf:li>JBP 2020/71</rdf:li>
          <rdf:li>Module Privacy &amp; AVG 2021/4199</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1107">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2020:1107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-26T13:45:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2020:1107 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2020 / NL19.13550</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1107:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser vordert dat aan hem kopieën worden verstrekt van de dossiers van alle patiënten die hij in het verleden als medisch specialist heeft behandeld bij het ziekenhuis. Het ziekenhuis verkeert in staat van faillissement. De arts die als beroepsbeoefenaar zelfstandig de praktijk in het ziekenhuis uitoefent, is hulpverlener als bedoeld in artikel 7:454 BW. Vanwege de op hem rustende wettelijke bewaarplicht heeft de hulpverlener in beginsel recht op kopieën van de patiëntendossiers.  In de bijzondere omstandigheden van dit geval, is de rechtbank van oordeel dat de arts in de verhouding tussen hem en de curatoren van het failliete ziekenhuis niet zonder meer recht heeft op kopieën van alle patiëntendossiers. De vordering wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2020:1107:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">_</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK  MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
      </para>
      <para>Civiel recht </para>
      <para>Zittingsplaats   Utrecht</para>
      <para />
      <para>zaaknummer: NL19.13550 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 maart 2020 </emphasis>in  de zaak van</para>
      <para>
        [eiser] ,</para>
      <para>wonende  te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser, hierna  te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht, tegen</para>
    </parablock>
    <para>1. <emphasis role="bold">FRANK NOWEE </emphasis>in zijn   hoedanigheid  van curator in  het faillissement  van</para>
    <parablock>
      <para>
        [ziekenhuis] BV,</para>
      <para>wonende  te Amstelveen,</para>
    </parablock>
    <para>2. <emphasis role="bold">ALICE VAN DER SCHEE </emphasis>in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van  <emphasis role="bold">[ziekenhuis] BV</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende  te Amerongen,</para>
      <para>verweerders, hierna samen te noemen: de curatoren, advocaat mr. B.A. van Schelven te Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser]  heeft een procesinleiding   met bijlagen  ingediend  en daarmee een vordering ingesteld tegen de curatoren. De curatoren hebben in een verweerschrift (met bijlagen) verweer gevoerd. [eiser] heeft een nader stuk ingediend.  De mondelinge behandeling was op 13 februari 2020. Daarbij waren aanwezig de heer [eiser] , bijgestaan door  mr. Stollenwerck  en de heer Nowee en mevrouw  Van der Schee, bijgestaan door</para>
        <para>mr. Van Schelven. Ter zitting is afgesproken dat mr. Stollenwerck de spreekaantekeningen  die hij ter zitting heeft voorgedragen en die door de rechter zijn geparafeerd, in het digitale systeem zal uploaden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter meegedeeld dat schriftelijk   uitspraak  wordt gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] werkte van 21 september 2009  tot 1 maart 2019  als reumatoloog  in  het [ziekenhuis] (hierna: het [ziekenhuis] ). In de periode van 21 september 2009 tot 1 januari 2012 werkte hij daar als vrijgevestigd specialist in maatschapsverband (hierna: de vrijgevestigde   periode).  Van 1 maart 2012  tot 1 mart 2019</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>werkte hij op basis van een arbeidsovereenkomst met het [ziekenhuis] (hierna: de loondienstperiode).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 25 oktober 2018 is het [ziekenhuis]  in  staat van faillissement  verklaard en zijn  de curatoren belast met het beheer en de vereffening van de  boedel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 1 maart 2019 zijn in het kader van de doorstart van het [ziekenhuis] alle  activa  en de  bedrijfsvoering   overgedragen aan Ziekenhuis  St Jansdal (hierna:</para>
        <para>St Jansdal). De curatoren zijn daarbij met St Jansdal overeengekomen dat St Jansdal de dossiers  zal bewaren van de patiënten  die  in  het [ziekenhuis]  werden behandeld.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] werkt nu als reumatoloog bij de Stichting [stichting]  (hierna: [stichting] ).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert primair dat de rechtbank St Jansdal opdracht geeft om digitale kopieën te verstrekken van de reumatologiedossiers van alle patiënten die hij in het [ziekenhuis] heeft behandeld in de periode van 21 september 2009  tot 1 maart 2019. Subsidiair vordert hij de kopieën van deze patiëntendossiers over de vrijgevestigde periode van 21 september 2009 tot 1 januari 2012. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij moet voldoen aan zijn plicht de dossiers van de patiënten die hij heeft behandeld  te bewaren gedurende een in  de  wet bepaalde termijn.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De curatoren hebben tegengesproken dat zij verplicht zijn om de gevraagde kopieën  van de patiëntendossiers  aan [eiser]  te verstrekken.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>St Jansdal is geen partij in deze procedure. De rechtbank neemt aan dat het gaat om een verschrijving van [eiser] in  het petitum  van zijn vordering.  Uit  proceseconomisch oogpunt  leest de  rechtbank de  vordering  van [eiser]  zo dat rechtbank de  curatoren opdraagt er voor  te zorgen dat St Jansdal kopieën  van de dossiers aan [eiser]  verstrekt. Door lezing van de vordering op deze manier  worden de curatoren niet  in  hun belang geschaad. Het debat tussen partijen  is  ook steeds zo gevoerd.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Afdeling 7.7.5 BW – de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: Wgbo) – regelt de  juridische   relatie  tussen de  patiënt en de hulpverlener.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In artikel 7:446 BW is de hulpverlener gedefinieerd. Op grond van dit artikel is de hulpverlener een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover de patiënt (als opdrachtgever) verbindt tot het verrichten van geneeskundige handelingen. De hulpverlener is degene die de behandelovereenkomst  met de patiënt  is  aangegaan; dus  ook  een kliniek   of ziekenhuis  kan in juridische zin hulpverlener zijn. Een natuurlijk persoon wordt alleen aangemerkt als hulpverlener  in  de zin  van de wet als hij  als beroepsbeoefenaar zelfstandig  – dus niet  in dienst  van een natuurlijke   persoon of een rechtspersoon – zijn   praktijk  uitoefent.  Dit betekent voor  de juridische   verhouding  tussen patiënt en hulpverlener  het  volgende:</para>
      <para />
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de arts die  in  loondienst  van het ziekenhuis   werkt, is  geen hulpverlener  als bedoeld in  de  Wgbo,  omdat de  patiënt de  behandelingsovereenkomst  enkel met het ziekenhuis sluit en niet met de behandelend arts (zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/396  en Kamerstukken II 1989/90,  21561,  3 pagina  27);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de arts die  als beroepsbeoefenaar zelfstandig  de praktijk  in  het ziekenhuis uitoefent, is  wel hulpverlener  als bedoeld  in  de  Wgbo,  omdat de  patiënt in  dat geval zowel met de arts als met het ziekenhuis een behandelingsovereenkomst sluit. In dat geval  zijn   zowel de arts als het ziekenhuis   hulpverlener  als bedoeld  in  de Wgbo.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Artikel 7:454  BW legt de  hulpverlener  de verplichting   op om een patiëntendossier  in  te richten  en de  in  het dossier  aanwezige stukken  te bewaren, gedurende  ten minste twintig jaar nadat deze stukken zijn vervaardigd (tot 1 januari 2020 was deze bewaartermijn vijftien jaar). In artikel 7:456 BW is bepaald dat de hulpverlener de patiënt op diens verzoek inzage  verstrekt in  en afschrift van het dossier.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het patiëntendossier  is  het geheel van gegevens die  op de patiënt  betrekking  hebben. Het bijhouden en het bewaren van deze gegevens in  het dossier is  van belang  voor een goede hulpverlening aan de patiënt, voor de overdracht van de behandeling aan andere hulpverleners en toekomstige behandelingen, en voor de beoordeling van de behandeling bij aansprakelijkstellingen   en in  tuchtprocedures. Bij het bijhouden   van het dossier en dus  ook  bij de plicht tot het bewaren daarvan gedurende een bepaalde periode staat het belang van de patiënt  voorop.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is  van belang dat de  patiëntgegevens  bijzondere   persoonsgegevens  zijn   in de zin van artikel 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening 2016/79/EU; hierna: AVG)) en de daarbij behorende Uitvoeringswet AVG (Wet van 16 mei 2018, Stb. 2018, 144; hierna: UAVG). Het uitgangspunt is  dat het verwerken van deze gegevens verboden is,  (artikel 9.1 AVG) tenzij  een ontheffingsgrond  voor  dat verbod aanwezig is (artikel 9.2 AVG). Een ontheffingsgrond is bijvoorbeeld dat de patiënt daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven (artikel 22.2.a UAVG) of de ontheffing voor zorgverleners in artikel 30.3.a Uitvoeringswet AVG. Dit artikel bepaalt dat hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening patiëntgegevens mogen verwerken voor zover dat noodzakelijk is met het oog op een goede behandeling  of verzorging  van de  betrokkene  dan welhet beheer van de betreffende  instelling   of beroepspraktijk.  Verder bepaalt artikel 30.4  UAVG dat patiëntgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt door personen die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk  voorschrift  dan wel krachtens een overeenkomst tot geheimhouding   zijn   verplicht.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De patiëntendossiers van het [ziekenhuis] na het faillissement</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De curatoren hebben toegelicht dat zij  in  het kader van hun  beheertaak van de failliete  boedel geen hulpverlener  zijn   als  bedoeld  in  de  Wgbo,  maar dat zij  wel verplicht zijn er voor te zorgen dat wordt voldaan aan de op het [ziekenhuis] rustende bewaarplicht van de patiëntendossiers op grond van artikel 7:454 BW. De curatoren zijn daarmee de ‘verwerkingsverantwoordelijke’   in  de zin  van de AVG voor  de patiëntendossiers, maar zij laten deze dossier- en bewaarverplichtingen op grond van een verwerkersovereenkomst uitvoeren door St Jansdal. St Jansdal is daarmee ‘verwerker’ in de zin  van de AVG. Dat betekent dat  St Jansdal de medische dossiers alleen  mag verwerken  op instructie  van de curatoren en niet voor  eigen doeleinden  mag iken.  Er is  dus  geen</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para> sprake van overdracht van de  dossiers  (en de bewaarplicht)  aan St Jansdal en dit  ziekenhuis is in dit kader ook geen ‘hulpverlener’ in de zin van de Wgbo. In het kader van de verwerkersovereenkomst heeft St Jansdal een apart IT-systeem ingericht  waarin de  medische dossiers van het [ziekenhuis] gescheiden van de medische dossiers van St Jansdal worden bewaard. Als  een patiënt  toestemming  geeft aan het [ziekenhuis]  om zijn of haar patiëntendossier over te dragen aan een andere zorgaanbieder, zullen de curatoren St Jansdal instrueren dat te doen.  Op de  website  van het [ziekenhuis] wordt uitgelegd  dat de patiëntendossiers  bij  St Jansdal worden bewaard en er kan een formulier worden gedownload waarmee de patiënt kan verzoeken zijn dossier over te dragen aan zijn   nieuwe behandelaar.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Bij de beoordeling  van dit  geschil gaat de rechtbank uit  van de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken, zoals door de curatoren is geschetst en toegelicht. [eiser] heeft deze niet tegengesproken. [eiser] heeft ook niet aangevoerd dat deze manier van bewaren in strijd  is  met de bewaarplicht en/of de geheimhoudingsplicht van de  hulpverlener of dat patiëntengegevens worden verwerkt in strijd met de regels van de AVG. Ook de rechtbank ziet geen aanknopingspunt om te oordelen dat deze wijze van bewaren in strijd  is  met een wettelijk  voorschrift.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is niet in geschil dat de dossiers van de patiënten die na het faillissement van het [ziekenhuis] bij [eiser] in behandeling zijn gebleven aan hem zijn overgedragen en dat dit ook zal gebeuren met de dossiers van zijn vroegere patiënten die zich  alsnog/opnieuw   bij  hem zullen  melden  voor behandeling.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR2012:BV8508)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10. </nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (hierna: het arrest), waarin is  overwogen (punt 3.3.  van het arrest):</para>
        <para>“(…). In cassatie is uitgangspunt dat zowel (naam specialist) als de Kliniek dient te worden aangemerkt als (zelfstandig) hulpverlener ter zake van de hiervoor in 3.2.1. bedoelde patiënten.</para>
        <para>Art.7:454 BW legt op iedere hulpverlener de verplichting om een dossier in te richten en te bewaren. Op grond van art. 7:456 dient de hulpverlener aan de patiënt desgevraagd zo</para>
        <para>spoedig mogelijk inzage in of afschrift van het dossier te geven. Uit deze bepalingen vloeit voort dat iedere hulpverlener dient te beschikken over de dossiers van patiënten voor zover deze door hem als hulpverlener zijn behandeld, hetgeen meebrengt dat hij in zoverre (in beginsel) recht heeft op in ieder geval een kopie van die dossiers. In geval als het onderhavige, waarbij verschillende hulpverleners uiteengaan is daarom geen sprake van onnodig kopiëren van patiëntendossiers (…).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In dit arrest leidt de Hoge Raad het recht op een kopie-dossier af van de hoedanigheid van hulpverlener als bedoeld in  de Wgbo.  De rechtbank maakt daarom bij  de beoordeling  van het recht van [eiser] op kopieën onderscheid tussen de loondienstperiode en de vrijgevestigde   periode</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De loondienstperiode</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, is de arts in loondienst geen hulpverlener als bedoeld  in  de Wgbo. Voor de periode  dat [eiser]  in  loondienst  bij  het</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>
          [ziekenhuis]  werkte, rust op hem dus niet de verplichting  om de dossiers van   patiënten die hij in die periode heeft behandeld  te bewaren. Volgens [eiser]  moet er echter een uitzondering   worden  gemaakt op  dit  uitgangspunt,   vanwege  de  bijzondere omstandigheid dat het ziekenhuis failliet is gegaan. Daardoor is volgens hem onvoldoende gewaarborgd dat de dossiers gedurende de gehele bewaartermijn voldoende  zorgvuldig   worden bewaard. Dit maakt volgens [eiser] dat hij ook over de loondienstperiode in deze faillissementssituatie  van het ziekenhuis   gekwalificeerd moet worden als  hulpverlener  in  de zin  van artikel  7:446 BW.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12. </nr>
      <para>De rechtbank volgt deze redenering van [eiser] niet. Het faillissement van het [ziekenhuis] brengt geen wijziging in de juridische relatie tussen [eiser] en de patiënten die hij in zijn loondienstperiode bij  dit  ziekenhuis  behandelde. Door het faillissement is [eiser] dan ook niet (met terugwerkende kracht) te kwalificeren als hulpverlener in juridische zin en evenmin is een bewaarplicht  voor  [eiser]  ontstaan. De zorg van [eiser] of als gevolg van het faillissement ook in  de toekomst de bewaarplicht  van patiëntendossiers voldoende zorgvuldig zal worden nagekomen gedurende de gehele looptijd, is onvoldoende reden om af te wijken van de hoofdregel dat de arts in loondienst geen hulpverlener  is  in  de zin  van de Wgbo  en op  hem dus geen bewaarplicht rust.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13 .</nr>
      <para>De rechtbank heeft geen reden om er aan te twijfelen  dat door  de maatregelen van de curatoren ook voor de lange termijn is gewaarborgd dat de dossiers worden bewaard. De Autoriteit Persoonsgegevens die toezicht houdt op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens, heeft er mee ingestemd dat bij faillissement van een ziekenhuis de curator gedurende de wettelijke bewaartermijn de zorg draagt van de patiëntendossiers,  totdat  deze  worden overgedragen aan de  (opvolgend)   hulpverlener. Verder is van belang dat de curatoren voor de bewaarplicht op de lange termijn afspraken hebben gemaakt met  de  Minister  van Medische  Zorg, waarbij  is  toegezegd dat het Ministerie voor Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de kosten zal dragen voor het bewaren en toegankelijk houden van de dossiers voor  het geval gedurende de bewaartermijn  de bewaarplicht niet is  overgegaan op  een (opvolgend)  hulpverlener  (zie  TK 2018-2019, 31016, nr 13 pagina 11 onder het kopje “medisch dossier”). Met deze afspraken wordt  tegemoet gekomen  aan de zorg  van [eiser]  dat  het  [ziekenhuis]  als  hulpverlener in de zin van de Wgbo eventueel ophoudt te bestaan, in het (volgens de curatoren onwaarschijnlijke) geval dat het faillissement definitief zou worden afgewikkeld voordat de bewaartermijn van alle  patiëntendossiers  zou  zijn  verstreken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] heeft ook niet  duidelijk  gemaakt dat en waarom bij  hem de bewaarplicht beter zou zijn gewaarborgd. In dit  verband hebben de curatoren er op gewezen dat [eiser] nog slechts enkele jaren van zijn pensioen is verwijderd, zodat het aannemelijk is dat de bewaartermijn van tenminste een aantal patiëntendossiers nog enige  tijd  doorloopt  terwijl  hij niet meer als reumatoloog werkzaam is. Ook dan is het de vraag waar deze dossiers bewaard moeten worden. De door [eiser] genoemde  optie  dat [stichting] deze verplichting  dan op  zich zal nemen, biedt geen betere garantie dan de bewaring bij St Jansdal. Bij dit alles  moet bovendien  niet uit  het oog  worden verloren dat het hier  niet gaat om dossiers van patiënten  die  bij  [eiser]  onder behandeling  zijn  gebleven of in  de toekomst  weer bij hem in behandeling  komen.  Voor die  patiënten  geldt  dat het patiëntendossier  aan [eiser]  is  of wordt overgedragen. Het gaat dus enkel om dossiers van patiënten die in het verleden door [eiser]  zijn   behandeld  en van wie  de behandeling  na het faillissement  niet  bij  hem (en</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>evenmin elders) is voortgezet. [stichting] (en de eventuele opvolger  van [eiser]  daar) heeft dus  net zo min  een (behandel)relatie  met deze  patiënten als  St Jansdal.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in de loondienstperiode geen aanspraak kan maken op een digitale  kopie  van de  patiëntendossiers uit  deze periode.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De  vrijgevestigde periode</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>De curatoren hebben er op gewezen dat [eiser] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt   dat hij  in  de vrijgevestigde  periode  voor  eigen rekening en risico overeenkomsten sloot met zijn patiënten. Daarom is volgens de curatoren niet komen vast te staan dat hij destijds  (zelfstandig)  hulpverlener  was in de zin  van de Wgbo.  [eiser]  heeft naar voren gebracht dat hij  in  deze periode  in  maatschapsverband met een andere reumatoloog  werkte en met  het [ziekenhuis]   een (standaard) Toelatingsovereenkomst  had gesloten.  Hij beschikt  echter niet meer over stukken waarmee  hij de rechtsverhouding kan aantonen tussen hem en het [ziekenhuis]  en tussen hem en de patiënten die  hij  destijds  behandelde,  aldus  [eiser] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Hoewel dat op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid kan worden vastgesteld, gaat de rechtbank voor de beoordeling  van dit  geschil uit  van de  veronderstelling dat [eiser] gedurende de vrijgevestigde periode  hulpverlener  was als bedoeld in de Wgbo, zodat voor hem in die periode een bewaarplicht  gold.  In die  p.eriode rustte de  bewaarplicht dus  zowel op [eiser]  als  op het [ziekenhuis] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>De vrijgevestigde periode van [eiser] werd gevolgd door de loondienstperiode. Partijen verschillen er over van mening wat het gevolg  daarvan is  voor  de bewaarplicht  van de patiëntendossiers. Volgens [eiser] betekent dit dat de bewaarplicht moet worden  opgeknipt: hij heeft – tezamen met het [ziekenhuis] – de bewaarplicht voor de patiëntendossiers in de periode dat hij vrijgevestigd was en het [ziekenhuis] heeft alleen  de  bewaarplicht  voor  de  patiëntendossiers  voor  de  daarop volgende loondienstperiode.   De curatoren stellen  zich  op  het standpunt  dat op het moment dat [eiser] in loondienst is  gaan werken, de geneeskundige  behandelingsovereenkomsten  met alle door [eiser] in de vrijgevestigde periode behandelde patiënten en daarmee dus ook de bewaarplicht van de dossiers van die  patiënten  zijn  ‘overgegaan’ op  het [ziekenhuis] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van deze standpunten over de bewaarplicht maakt de rechtbank onderscheid  tussen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>patiënten van wie de behandeling is begonnen  toen [eiser]  vrijgevestigd  was en van wie de behandeling is  voortgezet  in  de loondienstperiode (maar die  thans niet  meer bij  [eiser] en evenmin  elders in  behandeling  zijn);  en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>patiënten van wie de behandeling is begonnen toen [eiser]  vrijgevestigd was en definitief was geëindigd  vóórdat  [eiser]  in  loondienst   ging werken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">Patiënten van wie de behandeling is voortgezet in de loondienstperiode</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <parablock>
        <para>In de vrijgevestigde periode wordt aangenomen dat patiënten een geneeskundige behandelingsovereenkomst  sloten  met  zowel  [eiser]  als  het IJsselmeerziekenhu De</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>bewaarplicht rustte  daarmee op het [ziekenhuis]  en [eiser]  gezamenlijk,  maar het is aannemelijk dat er feitelijk maar één patiëntendossier was. Voorheen was dit een fysiek dossier, later waren de dossiers digitaal.  Door de overgang  van [eiser]  van vrijgevestigd   arts naar een arts in loondienst veranderde er niets aan die feitelijke  situatie.  Er bleef één dossier in het ziekenhuis  en [eiser]  kon  dit  inzien  als dat nodig  was voor de behandeling  van zijn   patiënten (of anderszins).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21. </nr>
      <para>
        [eiser]  was in  zijn loondienstperiode   geen hulpverlener  (meer). [eiser] stelt  dat de bewaarplicht voor  de dossiers van de patiënten  die  op  het moment  dat hij  in  loondienst ging nog bij hem onder behandeling waren, ook  in  de toekomst  op hem zou  blijven  rusten, maar dan uitsluitend voor dat deel van het dossier dat in de vrijgevestigde  periode  is opgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling niet  logisch  en zou  een dergelijke  gang  van zaken leiden  tot een voor  de patiënt  onoverzichtelijke  ‘opsplitsing’  van zijn patiëntendossier. Bovendien  dient  een dergelijke  ‘opsplitsing’  geen enkel doel.  Voor inzage in het (volledige) patiëntendossier kan de voormalig patiënt van [eiser] zich tot (de curatoren van) het [ziekenhuis] wenden. Op het [ziekenhuis] rust immers voor  de gehele  behandelperiode  (en dus  voor  het volledige   patiëntendossier) een bewaarplicht. Net zo als bij patiënten wiens behandeling pas is aangevangen in de loondienstperiode.  De rechtbank ziet  niet in  op welke manier  het belang van de patiënt  gediend  zou  zijn bij  de mogelijkheid  om zich  daarnaast voor inzage  in  een beperkt deel van het patiëntendossier – namelijk uitsluitend dat deel van het dossier dat dateert uit de vrijgevestigde periode van [eiser] – ook tot [eiser] te kunnen wenden. De patiënt krijgt daarmee immers de beschikking over een patiëntendossier dat per definitie onvolledig is. De redenering van [eiser] zou bovendien meebrengen dat voor  het verschaffen van informatie aan de patiënt onderscheid moet worden gemaakt tussen de vrijgevestigde periode  en de periode in loondienst bij het [ziekenhuis] . Voor de patiënt is het onderscheid tussen loondienst of vrijgevestigd echter vaak niet eens duidelijk en bovendien is een dergelijk onderscheid ook vanuit  het onderliggende belang  van de bewaarplicht voor  de patiënt,  niet goed verklaarbaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond  van het voorgaande volgt  de rechtbank de redenering van de curatoren  dat de bewaarplicht van de dossiers van de patiënten die [eiser] reeds behandelde op het moment dat hij in  loondienst  is  gaan werken, vanaf dat moment uitsluitend  en in  zijn  geheel op het [ziekenhuis] rustte. Illustratief is de vergelijking met de situatie waarin een hulpverlener het dossier op verzoek van een patiënt aan een opvolgend hulpverlener heeft overgedragen. In dat geval rust de bewaarplicht voor het <emphasis role="italic">volledige dossier </emphasis>na de overdracht op de hulpverlener die de behandeling  heeft overgenomen  en niet  langer op  zijn  voorganger (zie ook Asser/Tjong Tjin  Tai 7-IV 2018/429).  Dat betekent dat op [eiser]  vanaf het moment dat hij  in  loondienst  ging  werken – en hij  dus geen hulpverlener  meer was als bedoeld in de Wgbo – niet  langer de juridische  plicht  rustte om de dossiers van de patiënten  van wie de behandeling werd <emphasis role="italic">voortgezet </emphasis>te bewaren, maar deze plicht vanaf dat moment uitsluitend   nog op  het [ziekenhuis]  rustte. Ook voor  deze  categorie patiëntendossiers  geldt  dus  dat [eiser]  geen aanspraak kan maken op afgifte  van een digitale   kopie.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Patiënten van wie de behandeling geëindigd was voor de overgang naar loondienst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <parablock>
        <para>Het gaat hier om patiënten van wie de behandeling definitief was geëindigd  ten tijde  van de overgang van de vrijgevestigde   periode naar de periode van loondienst.      Dit</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>moet worden onderscheiden van de situatie  dat de behandeling  is  geëindigd  omdat de  patiënt naar een andere hulpverlener is overgestapt. Die situatie is voor dit geschil niet van belang, omdat in dat geval het dossier en daarmee de bewaarplicht (voor het <emphasis role="italic">volledige dossier</emphasis>) aan de opvolgend  hulpverlener   wordt overgedragen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>In de periode vóórdat [eiser] in loondienst ging werken, waren [eiser] en het [ziekenhuis] beiden hulpverlener in  de zin  van de Wgbo en het valt  niet  goed in  te zien waarom de bewaarplicht voor die afgebakende periode uitsluitend op het [ziekenhuis] zou rusten. Het argument dat het dossier zou worden ‘opgesplitst’ met  het onwenselijke  gevolg  dat er verschillende  perioden  zijn   te onderscheiden,  zoals  hiervoor in 3.21 is besproken, is niet aan de orde. De rechtbank zal ervan uitgaan dat de bewaarplicht voor de dossiers van deze categorie patiënten op [eiser] en het [ziekenhuis] gezamenlijk  rust.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25.</nr>
      <para>Dan is  vervolgens  de vraag of de  bewaarplicht van [eiser]  voor deze  dossiers leidt tot toewijzing van de vordering van [eiser] tot het verstrekken van kopieën van deze patiëntendossiers.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26 .</nr>
      <para>
        [eiser] baseert zijn  recht op  afgifte van de kopieën  van de dossiers op  het arrest van de Hoge  Raad (zie  hiervoor  in  3.10).  In het arrest is  geoordeeld  dat de  vrijgevestigde arts in kwestie recht had op kopieën  van de dossiers van zijn voormalig  patiënten. Uit het arrest blijkt dat het uitgangspunt is dat de hulpverlener  moet kunnen  beschikken over de dossiers van de patiënten die  hij  heeft behandeld om zo aan zijn bewaarplicht  te kunnen voldoen en de patiënt  desgevraagd zo spoedig  mogelijk  inzage  in  of afschrift van het dossier te kunnen verstrekken. In beginsel heeft de hulpverlener in zoverre recht op kopieën van die dossiers. Er zijn echter omstandigheden  denkbaar die  meebrengen dat de bewaarplicht van een hulpverlener niet zonder meer recht geeft op een kopie  van de betreffende patiëntendossiers. Het arrest van de Hoge Raad biedt ook die ruimte. In de bijzondere omstandigheden van dit geval, is  de rechtbank van oordeel dat [eiser]  in  de verhouding tussen hem en de curatoren geen recht heeft op een kopie  van de  dossiers van de patiënten die  hij  in  zijn vrijgevestigde  periode  heeft behandeld.  Dit oordeel is  gebaseerd op het volgende.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27.</nr>
      <parablock>
        <para>De situatie in de zaak van [eiser]  verschilt  op  essentiële punten  van die  waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld. Allereerst ging het in het arrest van de Hoge Raad om een vrijgevestigde   hulpverlener  die  steeds als  zodanig  aan de instelling   in  kwestie verbonden was geweest. Voor [eiser] geldt  (de veronderstelling)   dat hij  weliswaar de eerste 2 jaar en 4 maanden als de vrijgevestigd hulpverlener  aan het ziekenhuis  verbonden  is  geweest, maar dat hij het grootste deel van zijn werkzame periode bij het ziekenhuis – namelijk 7 jaar en 2 maanden – in loondienst is  geweest. Dit maakt dat voor  de bewaarplicht  van de dossiers van de patiënten die  hij  in  die  hele  periode heeft behandeld  een tamelijk  ingewikkeld  en bovendien arbitrair onderscheid moet worden gemaakt tussen de hiervoor in 3.19 genoemde verschillende  categorieën patiënten.  Voor  de  dossiers  van de  patiënten die  [eiser] uitsluitend  in  zijn  vrijgevestigde periode  heeft behandeld  geldt  wél een bewaarplicht,  terwijl dit  níet  geldt  voor de dossiers van de patiënten  die  hij  (ook)  in  zijn   periode  in  loondienst heeft behandeld. Daarbij gaat het naar verwachting maar om een beperkt aantal patiëntendossiers ten aanzien waarvan [eiser] daadwerkelijk een bewaarplicht heeft. Een reumatoloog behandelt over het algemeen immers patiënten met een chronische aandoening. Het aantal patiënten waarvan de behandeling  heeft plaatsgevonden  in  de  vrijgevestigde</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>periode tussen 21 september 2009 en 1 januari 2012 en op 1 januari 2012 (definitief) was geëindigd, zal waarschijnlijk klein  zijn.  In het arrest van de Hoge  Raad waar [eiser] zich op baseert, zijn deze complicerende aspecten niet meegewogen bij het recht van de hulpverlener  op kopieën  van de  patiëntendossiers.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28.</nr>
      <para>Bovendien  gaat het bij  [eiser]  niet  om de beëindiging   van de samenwerking tussen twee hulpverleners, maar om de afwikkeling van een faillissement waarbij een groot aantal artsen en patiënten betrokken is. De curatoren hebben toegelicht dat het vanwege het faillissement   gaat om ca. 500.000  dossiers van patiënten die  in  behandeling  waren bij  ca. 120 medisch specialisten. Dit maakt dat het tijdrovend is en hoge kosten met zich  brengt als  aan elke hulpverlener kopieën zouden moeten worden verstrekt van de dossiers van alle patiënten die de  hulpverlener  heeft behandeld.  Bovendien  geldt  voor  het overgrote  deel van de medische specialisten dat zij – net als [eiser]  – aanvankelijk  als vrijgevestigd specialist  aan het ziekenhuis waren verbonden en op een later moment bij het ziekenhuis in  loondienst zijn   gegaan. Ook voor  deze specialisten  moet dus voor de beoordeling  van de bewaarplicht  en het eventueel daarmee gepaard gaande recht op kopieën, onderscheid worden gemaakt tussen de vrijgevestigde periode en de loondienstperiode. Daarbij komt dat in veel dossiers meerdere hulpverleners bij  de behandeling  van een patiënt betrokken  zijn  (geweest), zodat per dossier beoordeeld moet worden welk gedeelte van dat dossier  in  kopie  ter beschikking van de betreffende hulpverlener  zou  moeten worden gesteld. Dit zou  leiden  tot onverantwoord hoge kosten ten laste van de failliete boedel, aldus de curatoren. Ook dit bijzondere   aspect is in  het eerdergenoemde arrest van de Hoge  Raad niet  meegewogen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29.</nr>
      <para>Vanzelfsprekend dient  een hulpverlener  te kunnen  voldoen  aan de  verplichtingen die op grond van de Wgbo  op hem rusten en moet hij  in  dat kader ook  kunnen  voldoen  aan het verzoek van een patiënt om inzage in- of afschrift van zijn dossier. Hiertoe dient een hulpverlener te allen  tijde  toegang tot patiëntendossiers  te hebben als dat nodig  is.  Daarvoor  is  echter niet  onder  alle  omstandigheden  noodzakelijk   dat de  hulpverlener  ook daadwerkelijk  beschikt over kopieën  van de  dossiers. Zoals  hiervoor  is  overwogen,  is  met de door de curatoren gekozen constructie gewaarborgd dat alle  patiëntendossiers  van patiënten die in het [ziekenhuis] zijn behandeld, gedurende de hele bewaartermijn worden bewaard. Ook is geregeld hoe deze patiënten inzage in-  of een afschrift van hun dossier kunnen  krijgen  als zij  daarom vragen. Op dezelfde  wijze  is  het voor  [eiser] mogelijk om toegang te krijgen tot de patiëntendossiers van de patiënten die hij in zijn vrijgevestigde   periode  als hulpverlener  heeft behandeld.  Op die  wijze  is  het voor hem dus ook mogelijk om te voldoen aan zijn verplichtingen  als hulpverlener,  waaronder zijn bewaarplicht die  door  bewaring van de dossiers  bij  St Jansdal onder verantwoordelijkheid  van de curatoren voldoende  is  geborgd.  De rechtbank herhaalt nogmaals  dat een  onderscheid  met de  dossiers  van patiënten die  [eiser]  (mede) in  zijn   loondienstperiode heeft behandeld  – en ten aanzien  waarvan hij  dus  geen bewaarplicht  heeft – ook  in  dit opzicht  niet  goed verklaarbaar en evenmin  functioneel  zou zijn.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30. </nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] stelt  als voornaamste belang  om over een kopie  van deze dossiers te kunnen beschikken dat als een voormalig patiënt zich bij hem meldt met acute klachten, hij onmiddellijk   informatie  nodig  heeft om te kunnen  beoordelen  welke diagnose  in  het verleden is gesteld en welke  behandeling  toen heeft plaatsgevonden.  Dit argument  maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat voorbij  moet worden gegaan aan de hiervoor genoemde bezwaren tegen het op voorhand verstrekken van kopieën van deze categorie dossiers  aan [eiser] .  Dit  probleem  kan zich  voordoen,  maar is  vergelijkbaar met</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>de situatie dat een patiënt zich met een acuut probleem  wendt tot een andere behandelaar. In die gevallen is in het algemeen aanvaard dat die andere behandelaar met (veronderstelde) toestemming  van de patiënt inzage  krijgt   in  het dossier dat zich  bevindt  bij  de hulverlener met de bewaarplicht. Dit geldt op dezelfde manier voor  [eiser]  ten aanzien van de dossiers  die bij St Jansdal worden bewaard. Verder is van belang  - naast de door de curatoren genoemde praktische bezwaren - dat uit oogpunt van privacy van de patiënten het aantal kopieën van een dossier zo beperkt mogelijk blijft. Bovendien heeft [eiser] ter zitting aangegeven dat hij  er zelf  geen zicht  op heeft welke  (en hoeveel)  patiënten hij  (uitsluitend) in de vrijgevestigde periode heeft behandeld.  Zoals eerder overwogen, gaat dat naar verwachting om een heel beperkt aantal dossiers dat overigens moeilijk te traceren zal zijn. Vervolgens zou in de betreffende dossiers nog moeten worden nagegaan of het dossier uitsluitend het reumatologisch dossier betreft of dat het dossier ook andersoortige medische informatie bevat die dan eerst nog moet worden verwijderd voordat het dossier in kopie aan [eiser]  zou  kunnen worden verstrekt. De rechtbank is met de curator van oordeel dat  dit</para>
        <para>– binnen het kader van het faillissement – zou leiden tot een voor de curatoren praktisch vrijwel  onuitvoerbare  en bijzonder   kostbare taak.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31.</nr>
      <parablock>
        <para>Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [eiser] in de vrijgevestigde periode  hulpverlener  was en er daarom op hem en het [ziekenhuis] in die periode een gezamenlijke  bewaarplicht  rustte, er niet toe leidt  dat de curatoren verplicht  zijn  hem kopieën  te verstrekken van deze categorie  patiëntendossiers.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32.</nr>
      <para>Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser]  worden afgewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33. </nr>
      <para>
        [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde   van de curator worden begroot  op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>griffierecht	297,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris advocaat	 <emphasis role="underline">1.086,00  </emphasis>(2 punten  × tarief € 543,00) Totaal	€	1.383,00</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst  de  vorderingen af,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren tot op heden begroot op € 1.383,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit  bedrag met ingang  van veertien dagen na  dit  vonnis  tot de dag van volledige   betaling,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan  en er vervolgens  betekening  van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening  van de uitspraak, en te vermeerderen met de  wettelijke  rente als  bedoeld in</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis  tot aan de  voldoening,</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verklaart dit  vonnis   wat betreft de kostenveroordeling  uitvoerbaar  bij  voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wilken en in  het openbaar uitgesproken  op  26 maart 2020.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>