<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:6656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-25T15:11:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/2563</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6656">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-25T15:08:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:6656 Rechtbank Midden-Nederland , 19-09-2019 / 19/2563</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6656:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beroep gegrond. Bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Rechtsgevolgen blijven in stand. </para>
        <para>Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6656:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 19/2563</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.E. Hoetink),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</emphasis>, verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 oktober 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) verlaagd omdat zij inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 oktober 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een bedrag van </para>
      <para>€ 545,70 van eiseres teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 14 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiseres is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.</para>
    <para>Bij besluit van 22 januari 2018 heeft verweerder per 18 december 2017 een ZW-uitkering aan eiseres toegekend. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten en het bestreden besluit genomen. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 14 oktober 2018 inkomsten uit arbeid heeft gehad en daardoor een te hoog bedrag aan ZW-uitkering heeft ontvangen. Volgens verweerder is de beslissing tot terugvordering van een bedrag van € 545,70 voldoende gemotiveerd met een verwijzing naar de brieven van verweerder aan eiseres van 24 oktober 2018 en 8 november 2018 en het </para>
    <para>e-mailbericht van verweerder van 13 maart 2019. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Eiseres is sinds 1 oktober 2014 meerdere, verschillende tijdelijke dienstverbanden aangegaan van waaruit zij telkens langdurig wegens ziekte is uitgevallen. Er lopen verschillende zaken tegen het Uwv betreffende terugvordering van ZW-uitkeringen. Eiseres en haar gemachtigde hebben het Uwv meerdere malen om een inzichtelijke berekening gevraagd. </para>
    <para />
    <para>4. Ter zitting heeft de rechtbank met gemachtigde van eiseres vastgesteld dat de brieven van </para>
    <parablock>
      <para>24 oktober 2018 en 8 november 2018 en het e-mailbericht van 13 maart 2019 waar verweerder ter onderbouwing van zijn besluit naar verwijst, zien op de Wia-uitkering van eiseres. Zij bevatten bovendien géén feitelijke berekening van het terug te vorderen bedrag van de </para>
      <para>ZW-uitkering in deze zaak en ook is in deze stukken niet de systematiek van die berekening terug te vinden. Gemachtigde van eiseres voert aan dat dit de beslissing op bezwaar van </para>
      <para>23 mei 2019 onvoldoende gemotiveerd maakt. De rechtbank kan gemachtigde van eiseres hierin volgen. In deze complexe zaak had het op de weg van verweerder gelegen om eiseres een begrijpelijke en inzichtelijke toelichting van het terug te vorderen bedrag te geven. De beroepsgrond slaagt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Nu het beroep gegrond is zal de rechtbank hierna beoordelen wat de gevolgen daarvan zijn. Gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gewezen op een beslissing op bezwaar van het Uwv Alkmaar van 4 september 2019 in een andere zaak van eiseres. In die zaak was sprake van terugvordering van onverschuldigd betaalde ZW-uitkering wegens inkomsten over twee andere periodes. Volgens gemachtigde van eiseres heeft het Uwv in die beslissing inzichtelijk gemotiveerd hoe de berekeningen van de terug te vorderen bedragen tot stand zijn gekomen. Gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven dat hij aan de hand van die berekeningen het terug te betalen bedrag wegens onverschuldigd betaalde ZW-uitkering in de onderhavige zaak heeft kunnen berekenen. Uit deze berekening blijkt dat het bedrag van </para>
    <para>€ 545,70 dat verweerder van eiseres terugvordert, juist is. Eiseres is bereid dit bedrag aan verweerder terug te betalen.  </para>
    <para />
    <para>6. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiseres in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 14 oktober 2018 inkomsten uit arbeid heeft gehad naast haar ZW-uitkering en dat zij daardoor een bedrag van € 545,70 aan te veel ontvangen ZW-uitkering aan verweerder moet terugbetalen. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. </para>
    <para />
    <para>7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde bedrag van € 47,- aan griffierecht vergoedt. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:<?linebreak?>-	verklaart het beroep gegrond;<?linebreak?>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
    </parablock>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>