<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:6642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-28T08:11:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBMNE:2020:2449</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/4723</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6642">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-28T08:11:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:6642 Rechtbank Midden-Nederland , 26-11-2019 / 18/4723</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6642:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PKV toegekend</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6642:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 18/4723, UTR 18/4726 en UTR 18/4729</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.A. Westers), </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op 2 maart 2018 heeft verweerder drie verschillende besluiten genomen waarin aan verzoekster een boete is opgelegd wegens overtreding van de meststoffenwet (de boetebesluiten).  Op 2 en 9 november 2018 heeft verweerder drie beslissingen op bezwaar genomen en de bezwaren van verzoekster tegen de boetebesluiten ongegrond verklaard. Verzoekster is tegen deze besluiten in beroep gegaan. Op 5 april 2019 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, dat in de plaats komt van de beslissingen op bezwaar van 2 en 9 november 2018. Met dit nieuwe besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen de boetebesluiten gegrond verklaard en de boetebesluiten herroepen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar het standpunt ingenomen dat de zaken van verzoekster samenhangend zijn en dat er daarom slechts eenmaal proceskosten vergoed moet worden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>4. De rechtbank geeft verweerder gelijk omdat er sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid van het Bpb en overweegt hiertoe als volgt. In de drie zaken is de rechtsbijstand door dezelfde gemachtigde verleend en heeft gemachtigde één beroep ingediend voor alle beslissingen op bezwaar. Uit de beslissingen op bezwaar blijkt verder dat de gemachtigde dezelfde bezwaren heeft aangevoerd tegen de drie boetebesluiten. Ook zijn de bezwaren nagenoeg gelijktijdig door verweerder behandeld. Onder deze omstandigheden is sprake van samenhang als bedoeld in het Bpb. Het voorgaande maakt dat voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding die verweerder aan verzoekster moet betalen, kan worden uitgegaan van het bedrag wat verweerder verschuldigd zou zijn aan proceskostenvergoeding in één zaak.  </para>
    <para>5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op   € 1.024,-  (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para>6. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen, dat is bepaald in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. Dit volgt rechtsreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dus tot verweerder moeten wenden. Verzoekster heeft in alle drie de zaken griffierecht betaald, maar omdat sprake is van samenhangende zaken zal de griffier van de rechtbank het griffierecht in de zaken met zaaknummers UTR 18/4723 en UTR 18/4726 aan verzoekster retourneren. Verweerder moet dus alleen het griffierecht in de zaak met zaaknummer UTR 18/4729 aan verzoekster betalen. Dit is een bedrag van € 338,-.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.024,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier				rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>