<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:6557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-29T07:24:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.4162</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PR-Updates.nl PR-2020-0088</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-15T14:21:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:6557 Rechtbank Midden-Nederland , 28-11-2019 / NL19.4162</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De zaak gaat over bedragen die Achmea aan het Fonds in rekening bracht voor de pensioenadministratie van het Fonds. Het Fonds meende dat niet voldoende duidelijk was dat Achmea de in rekening gebrachte uren daadwerkelijk hieraan had besteed, en zij vorderde de onder protest door haar betaalde bedragen terug. </para>
      <para />
      <para>De rechtbank wijst de vorderingen van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart af. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een tekortkoming van Achmea.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
    </para>
    <bridgehead role="bold">_</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK  MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
      </para>
      <para>Civiel    recht </para>
      <para />
      <para>Zittingsplaats Utrecht </para>
      <para>zaaknummer:  NL19.4162</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis  van 28 november 2019</emphasis>
      </para>
      <para>in de zaak van de stichting</para>
      <para>STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR  DE RIJN- EN BINNENVAART,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam, eiseres,</para>
      <para>verweerster ten aanzien van de tegenvordering, hierna  te noemen: het Fonds,</para>
      <para>advocaat mr. A.C. van der Bent te Rotterdam, </para>
      <para />
      <para>tegen</para>
      <para>de  naamloze vennootschap</para>
      <para>ACHMEA  PENSIOENSERVICES N.V.,</para>
      <para>gevestigd te Zeist, verweerster,</para>
      <para>eiseres ten aanzien van de tegenvordering, hierna  te noemen: Achmea,</para>
      <para>advocaat mr. D. Horeman te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop  van de  procedure blijkt  uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de  procesinleiding   met producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift met producties  en met een tegenvordering,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift op de  tegenvordering,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaalvan mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer van de rechtbank op 17 oktober  2019.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte  is  vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De  feiten en de vorderingen</title>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Achmea is een financiële dienstverlener die in opdracht van het Fonds de pensioenadministratie van het Fonds  heeft uitgevoerd.  Dit gebeurde op basis van een</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <parablock>
        <para>mantelovereenkomst. Daarnaast zijn  er in  opvolgende  pensioenbeheerovereenkomsten nadere afspraken vastgelegd over de door Achmea te verrichten diensten en de door het Fonds  te betalen vergoeding  daarvoor, als  laatste in  de  pensioenbeheerovereenkomst 2016.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op grond  van de  pensioenbeheerovereenkomst berekende Achmea aan het begin van elk kalenderjaar de voor de dienstverlening verschuldigde basisvergoeding (artikel 7.1 pensioenbeheerovereenkomst). De basisvergoeding werd berekend aan de hand van een tarievenblad en de voor dat jaar te verwachten relevante aantallen, vermenigvuldigd met het tussen partijen  geldende  tarief per dienst.  De berekening  van de  basisvergoeding  werd aan het Fonds voorgelegd in  een begroting.  Uiterlijk  in  de maand december werd de begroting voor het daarop volgende kalenderjaar aan het Fonds ter vaststelling en ter goedkeuring voorgelegd (artikel 9 pensioenbeheerovereenkomst). Het Fonds verplichtte  zich  om maandelijks   bij  vooruitbetaling   1/12e   deel van de voor  dat jaar verschuldigde  vergoeding voor de uitvoering van de pensioenregeling te voldoen (artikel 10.2 pensioenbeheerovereenkomst). In de praktijk stuurde Achmea ieder kwartaaleen voorschotfactuur, waarbij 1/4e deel van het op voorhand begrote bedrag werd gefactureerd. Binnen vier  maanden na afloop van het kalenderjaar moest Achmea een conceptjaarafrekening ter goedkeuring aan het Fonds voorleggen (artikel 10.1 pensioenbeheerovereenkomst).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Achmea heeft met ingang van 2014 een tijdschrijfsysteem ingevoerd. Na invoering hiervan  is  bij  het Fonds twijfel  ontstaan of de urenverantwoording  van Achmea juist  was. Het Fonds heeft de begrotingen over de jaren 2014 en 2015 goedgekeurd, maar de begroting voor 2016 heeft hij niet goedgekeurd. De jaarafrekeningen over 2014, 2015  en 2016  zijn evenmin goedgekeurd door het Fonds. Het Fonds heeft van vier  voorschotfacturen van Achmea een gedeelte van ongeveer 30%  niet  betaald, in  totaal een bedrag van € 627.190. Het betrof de facturen met betrekking tot kwartaalvier van 2015 en de eerste drie kwartalen van 2016.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Naar aanleiding van de twijfels die het Fonds had over de correcte urenverantwoording, hebben partijen in 2017  gezamenlijk  opdracht gegeven aan bureau Integis voor een forensisch accountantsonderzoek. Dit heeft geleid  tot een rapport  van 22 juni 2017, waarin Integis concludeert dat de opzet en het bestaan van de administratieve en interne  organisatie  voldoende  waarborgen biedt  voor  het tegengaan van onjuistheden. Integis heeft in dit rapport ook opgemerkt dat de werking van de administratieve en interne organisatie van Achmea niet is vastgesteld. Hiermee waren de twijfels van het Fonds niet weggenomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Achmea heeft bij brief van 6 juli 2017 een eindafrekening  gemaakt over de jaren 2014,  2015  en 2016,  waarbij gekeken is  hoeveel het Fonds  over de jaren 2014,  2015  en 2016 aan voorschotten heeft betaald en hoeveel het Fonds uiteindelijk daadwerkelijk verschuldigd was. Dit leidde ertoe dat nog een totaalbedrag van € 506.590 verschuldigd was door het Fonds. Nadat Achmea heeft gesommeerd dat het Fonds  tot volledige  betaling  over zou  gaan, heeft het Fonds  dit  bedrag onder protest betaald op 25 april  2018. Het Fonds vordert in deze procedure dit bedrag terug omdat hij van mening is dat dit  bedrag onverschuldigd   betaald is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het Fonds vordert daarnaast een bedrag van € 25.119,14 terug, eveneens op grond van onverschuldigde   betaling.  Achmea werkte met een digitale   ‘portal’, genaamd</para>
      <parablock>
        <para>Pensioenaangifte. In dit systeem is onjuiste informatie terecht gekomen,  als  gevolg  van een fout in de software van AFAS, de leverancier van de loonadministratiesoftware. AFAS  leverde de loonadministratiesoftware aan 41 (van de 1200)  werkgevers die  bij  het Fonds waren aangesloten. Achmea heeft de onjuiste informatie gecorrigeerd en heeft voor de 41 werkgevers nieuwe premieafrekeningen  vastgesteld. Op 11  juli  2017  heeft Achmea voor deze werkzaamheden een factuur gestuurd van € 25.119,14. Het Fonds heeft deze factuur onder protest betaald op 25 april   2018.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De derde vordering van het Fonds ziet op de overdracht naar de nieuwe pensioenuitvoerder AZL. Het Fonds is met ingang van 2017 overgestapt naar een andere uitvoerder van de pensioenadministratie, AZL. Het Fonds en Achmea hebben in een beëindigingsovereenkomst en een overdrachtsplan afspraken gemaakt over de transitie naar AZL. Het Fonds vordert schadevergoeding van Achmea ter hoogte van € 84.700. Het Fonds betoogt dat Achmea is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Achmea betwist dit. Zij stelt dat zij heeft voldaan aan de beëindigingsovereenkomst en het overdrachtsplan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Achmea heeft een tegenvordering ingesteld.  Zij  stelt dat het Fonds  een gedeelte van vier voorschotfacturen (kwartaalvier 2015, eerste drie kwartalen 2016) te laat heeft betaald, namelijk pas op 25 april 2018. Ook de factuur van € 25.119,14 is  pas op 25 april  2018 betaald. Achmea heeft daardoor vertragingsschade geleden. Zij vordert daarom de wettelijke handelsrente vanaf de vervaltermijn van de facturen tot 25 april 2018 (de datum van uiteindelijke betaling). In totaal vordert Achmea een bedrag van € 112.736,50, te vermeerderen met rente en kosten. Het Fonds betwist dat hij wettelijke handelsrente verschuldigd  is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de  vorderingen  van het Fonds  en Achmea hierna  afzonderlijk behandelen.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geschil omtrent de urenafrekening over de jaren 2014, 2015 en 2016</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het Fonds betaalde in 2018 alsnog – onder protest – onder meer € 506.590, na sommatie  door Achmea. Hij vordert dit  bedrag terug en stelt dat er geen rechtsgrond was voor de betaling omdat de voorschotfacturen gebaseerd waren op begrotingen die niet  door hem zijn goedgekeurd. Dat betoog gaat in ieder geval niet op voor het deel van de vordering  dat ziet op de voorschotfactuur van het vierde kwartaalvan 2015, omdat de begroting voor  2015  wel door het Fonds  is goedgekeurd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Fonds heeft voor het jaar 2016 de begroting niet goedgekeurd. De pensioenbeheerovereenkomst regelt niet wat de consequentie is als een begroting niet wordt goedgekeurd; er staat niet dat dan geen voorschotten hoeven te worden betaald. Het Fonds trekt welde conclusie  dat hij  die  voorschotten  niet  volledig   hoeft te betalen en leidt  dat af uit het feit dat de begroting ter goedkeuring moet worden voorgelegd.  Het Fonds  benadrukt  dat die  bepaling  zinloos   zou zijn,   als het al of niet  goedkeuren van de begroting geen gevolgen zou hebben. Achmea voert daartegenover aan dat de voorschotbetalingen in de overeenkomst niet  afhankelijk  zijn   gesteld van de  goedkeuring  van de begroting  en dat er dus  niet  zonder  rechtsgrond is betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Een volgens de in  de rechtspraak ontwikkelde  uitgangspunten  toe te passen uitleg van de afspraken in  de pensioenbeheerovereenkomst brengt naar het oordeel van de  rechtbank mee dat het enkele onthouden van de goedkeuring van de begroting  niet  betekent dat het Fonds geen voorschotten verschuldigd is. Dat zou het overeengekomen systeem van voorschotbetalingen en eindafrekeningen zozeer doorkruisen, dat dat in de overeenkomst expliciet  zou  moeten zijn   geregeld. Dat de begroting  aan het Fonds  moest worden voorgelegd, betekent dat Achmea ook moest ingaan op eventuele bezwaren van het Fonds tegen die  begroting  of specifieke  posten daarin.  En onder omstandigheden  is  denkbaar dat als naar aanleiding  van die  concrete bezwaren vooraf duidelijk   is  dat een voorschotberekening onjuist is,  een voorschot in  zoverre  niet verschuldigd  is.  Maar zo is  het in deze zaak niet gegaan. Uit de stellingen  van partijen  en de overgelegde  stukken blijkt niet dat het Fonds  in  de fase dat de begroting  voorlag,  bezwaar heeft gemaakt tegen een specifieke post die  kennelijk  onterecht of te hoog  zou zijn   en/of tegen een deel van de  daarop gebaseerde voorschotberekening.  Het Fonds  had twijfels   over  de urenverantwoording over de  voorgaande  jaren en daarmee over de daadwerkelijk  gewerkte (en te werken) uren, maar dat is  nu juist  een punt  dat aan bod komt  bij  de  eindafrekening, die immers op de urenverantwoording is gebaseerd. Dat het Fonds niet instemde met de begroting maakt niet dat hij geen voorschotten verschuldigd was. Het Fonds heeft dus niet onverschuldigd  betaald en dat maakt dat zijn   vordering  moet worden  afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het Fonds aanvankelijk van vier voorschotfacturen van Achmea (kwartaalvier 2015  en kwartaaleen tot en met drie  van 2016)  een gedeelte  niet heeft betaald. Dit was in totaal een bedrag van € 627.190. Achmea heeft op 6 juli 2017 (productie  15 van het Fonds) een brief  gestuurd aan het Fonds  waarin zij  het Fonds sommeerde tot betaling  van € 506.590.  Dit  bedrag was opgebouwd  uit  het openstaande bedrag van € 627.190 verminderd met een bedrag van € 120.600. Dit  bedrag van € 120.600 was het resultaat van een berekening over de jaren 2014, 2015 en 2016 waarbij Achmea had uitgerekend wat het verschil was tussen de in rekening gebrachte voorschotten en de eindafrekeningen  over die  jaren. Het geschil ziet dus  niet  alleen  op de vier hiervoor  genoemde voorschotfacturen, maar ook op de eindafrekening over de jaren 2014,  2015  en 2016. Daar is het Fonds in de procesinleiding niet op ingegaan, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft hij welverklaard dat het hem gaat om het (eind)bedrag dat hij  Achmea  moet betalen en dat steeds zijn uitgangspunt is geweest dat hij wil betalen voor uren die daadwerkelijk zijn gewerkt. Ook Achmea wenst dat met deze procedure een eind  komt aan  het geschil over de gewerkte uren. Daarmee is niet alleen de vraag voorgelegd of de voorschotfacturen deels onverschuldigd   zijn   betaald,  maar ook  de vraag of  de eindafrekening  onverschuldigd   is  betaald.  Daarom zal de rechtbank daar op ingaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit wat het Fonds  in  deze procedure naar voren heeft gebracht volgt  naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij – met de door hem betaalde bedragen – teveel(en dus onverschuldigd)  heeft betaald. Partijen hebben geen concrete afspraken gemaakt over de manier waarop de per uur af te rekenen uren zouden  worden verantwoord en Achmea heeft de uren gespecificeerd en toegelicht en heeft meegewerkt aan het onderzoek van Integis. Daarom kan niet worden gezegd dat Achmea de gewerkte uren anders of beter had moeten verantwoorden. Uit  de stukken  blijkt   dat het Fonds  twijfelt  over de uren en dat – kort gezegd</para>
        <para>– fouten niet kunnen worden uitgesloten, maar dat er specifieke bedragen ten onrechte in rekening  zijn   gebracht is  niet  naar voren gekomen, laat staan dat het zou  gaan om bedragen in de orde van grootte als door het Fonds - onder protest - betaald. Daarbij is  nog van belang  dat de kosten van haar dienstverlening  zowel voor als  nadat het afrekenen op uurbasis   werd</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>ingevoerd, volgens Achmea jaarlijks in totaal omstreeks € 2.000.000 bedroegen en dat de te verantwoorden uren daarvan niet meer dan een kwart besloegen. Dit is door het Fonds niet betwist. In de totaal begrote  bedragen en in  de  eindafrekening  waren er geen ‘uitschieters’ die maken dat twijfel gerechtvaardigd was en/of dat het op de weg van Achmea lag om een post verder op  te helderen of aan te tonen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De conclusie  is  dat de vordering  van het Fonds tot terugbetaling  door  Achmea van</para>
        <para>(in  totaal) een bedrag van € 506.589,86  wordt afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geschil naar aanleiding van de software fout (AFAS)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Het Fonds betaalde – onder protest – een factuur van Achmea voor werkzaamheden die  Achmea uitvoerde nadat er door een fout  van softwareleverancier AFAS verkeerde bedragen van werkgevers in haar digitale systeem Pensioenaangifte zijn terechtgekomen. Het Fonds stelt dat er geen grond was voor die betaling omdat de werkzaamheden in feite herstelwerkzaamheden waren, die  Achmea kosteloos moest uitvoeren. Het Fonds stelt dat Achmea de fout eerder had moeten ontdekken en wijst  er op dat Achmea bij de invoering van dit digitale systeem de toezegging heeft gedaan dat fouten snel zouden  worden gesignaleerd  en opgelost.  Achmea betwist dit  en voert aan dat het Fonds opdracht heeft gegeven om tegen meerkosten de correctie uit te voeren. Dat verweer slaagt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Partijen zijn  het er over eens dat er op 7 maart 2017 een overleg heeft plaatsgevonden tussen Achmea en het Fonds waarbij is besproken dat er correcties moesten worden uitgevoerd. In een (interne) e-mail van Achmea van 8 maart 2017 (productie 23  van het Fonds) staat vervolgens dat Achmea de correctie gaat doen en dat het bestuur van het Fonds  akkoord heeft gegeven op de aanpak van Achmea. Het Fonds heeft de  inhoud  van deze mail niet  betwist. Dat het Fonds  opdracht heeft gegeven voor  het meerwerk, vindt verder steun in de brief van 9 augustus 2017 van het Fonds (productie 25 van het Fonds).  In deze brief schrijft het Fonds aan Achmea: “<emphasis role="italic">Tot slot merken wij op dat het pensioenfonds in een eerdere fase heeft laten weten ervan uit te gaan dat de kosten verbonden aan de herstelwerkzaamheden zouden moeten worden aangemerkt als ‘meerkosten’. Daarop komt het pensioenfonds, zoals uit het vorenstaande moge blijken, terug. SAPB </emphasis>[Achmea, rechtbank] <emphasis role="italic">was immers tegenover het pensioenfonds gehouden (de gevolgen van) het verzuim te herstellen, zonder daarvoor meerkosten in rekening te brengen.</emphasis>” De rechtbank acht daarmee aangetoond dat het Fonds Achmea opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van de werkzaamheden en dat daarvoor kosten in  rekening zouden worden gebracht. Daarmee was er een rechtsgrond voor de factuur van Achmea. Dat het Fonds  veel later op  die afspraak is teruggekomen en tot de conclusie kwam dat er sprake was geweest van een tekortkoming door  Achmea maakt dat niet  anders. De eventuele tekortkoming  van een partij in de nakoming  van een contractuele verplichting ontslaat de  andere partij immers  niet reeds op die grond van de verplichting tot nakoming  van eigen  verplichtingen. Het zou wellicht anders zijn als het Fonds nog voordat de werkzaamheden werden uitgevoerd, duidelijk had gemaakt dat hij de opdracht introk en wilde dat Achmea de werkzaamheden voor eigen rekening uitvoerde om (de gevolgen van) een fout te herstellen. Dat is echter niet gesteld of gebleken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het Fonds heeft in dit verband subsidiair een beroep op dwaling gedaan. Hij  stelt dat als er een (meerwerk) overeenkomst tot het verrichten  van de werkzaamheden door</para>
      <parablock>
        <para>Achmea is gesloten, die overeenkomst is aangegaan onder invloed van dwaling. Hij heeft de overeenkomst echter niet vernietigd en ook geen vernietiging gevorderd, dus dan kan dit argument, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot  de conclusie  dat onverschuldigd  is betaald. Overigens is ook niet komen vast te staan dat Achmea een fout heeft gemaakt waardoor deze  herstelwerkzaamheden nodig  waren.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Het deel van de vordering dat ziet op de door Achmea verrichte werkzaamheden naar aanleiding van de fout in de door  AFAS aangeleverde gegevens, zal worden afgewezen. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat niet  is  aangetoond  dat er zonder grond  is betaald.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geschil naar aanleiding van de overdracht naar AZL</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het Fonds stelt dat Achmea tekort is geschoten in de nakoming  van haar verplichtingen ter zake van de afwikkeling van de betrekkingen tussen partijen en dat hij daardoor schade heeft geleden die Achmea moet vergoeden. Het Fonds stelt dat AZL als opvolgend pensioenuitvoerder extra werkzaamheden heeft moeten uitvoeren  naar aanleiding van tekortkomingen van Achmea en hij verwijst daartoe onder meer naar de brief van AZL  van 25 juni 2018 (productie 38 van het Fonds) waaruit volgt dat er sprake was van 422 inconsistenties   in  de  overgedragen pensioenadministratie.   Achmea betwist  kort  gezegd  dat er sprake is van een tekortkoming  en voert onder  meer aan dat zij  de pensioenadministratie tijdig   en conform  de beëindigingsovereenkomst   heeft overgedragen. Ook dat verweer  slaagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Het Fonds en Achmea hebben op 15 mei 2017  een beëindigingsovereenkomst gesloten (productie 32 van het Fonds). Zij hebben ook gezamenlijk een overdrachtsplan opgesteld (productie 33 van het Fonds). Op grond van de beëindigingsovereenkomst diende Achmea de gegevensdragers (de bestanden, boeken en bescheiden die Achmea gebruikte ter uitvoering  van de pensioenregeling  van het Fonds) over te dragen aan AZL. Uit artikel 3.1  van de beëindigingsovereenkomst   volgt  dat Achmea de gegevensdragers aan AZL over moest dragen in  de  (technische) staat waarin deze  zich  bevonden.  Daarnaast hebben Achmea en het Fonds in artikel 3.3 van de  beëindigingsovereenkomst  afgesproken dat Achmea slechts verantwoordelijk is voor de juiste en tijdige uitvoering van de in het overdrachtsplan beschreven processen voor zover de werkzaamheden in het betreffende proces door  Achmea worden uitgevoerd  en dat Achmea geen verantwoordelijkheid  aanvaardt voor taken/werkzaamheden van AZL in  het betreffende proces.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>In het overdrachtsplan staat als uitgangspunt opgenomen: “<emphasis role="italic">Syntrus </emphasis>[Achmea, rechtbank] <emphasis role="italic">levert de administratie van deelnemers, slapers, uitkeringsgerechtigden en werkgevers zonder achterstanden op. De administratie is zo schoon en volledig mogelijk. Waar dit niet kan wordt inzicht in de volledigheid gegeven.</emphasis>” Artikel 8 van het overdrachtsplan vermeldt: “<emphasis role="italic">In de overdrachtsfase worden tussen AZL en Syntrus afspraken gemaakt over een tijdige, volledige en juiste overdracht. Dit wordt vastgelegd in een aantal documenten, (…)</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Onderdeel van de afspraken was dat Achmea uiterlijk 1 juni 2017 de administratie zou overdragen aan AZL. Achmea heeft op 5 april 2017 de administratie overgedragen aan AZL. Dit wordt niet  door het Fonds  betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een tekortkoming van Achmea. Achmea diende op basis van de beëindigingsovereenkomst in combinatie met het overdrachtsplan de  administratie  zo  schoon en volledig   mogelijk   op te leveren en waar dit niet kon, inzicht te geven in  de volledigheid.  In dat licht  is  niet zonder  meer duidelijk  dat er geen inconsistenties of onjuistheden in de gegevens voor mochten komen en dat is door het Fonds  ook onvoldoende   toegelicht  en onderbouwd.  Het Fonds  wijst  in  dit  verband op  artikel 8 van het overdrachtsplan en leidt daaruit af dat de administratie geen onjuistheden (en inconsistenties)  mocht  bevatten, maar dat gaat niet  op.  Artikel  8 noemt  weliswaar een tijdige, volledige en juiste  overdracht, maar de daarmee bedoelde  verplichting  ziet  gelet op plaats van die bepaling in het overdrachtsplan (waarmee de beëindigingsovereenkomst is uitgewerkt)  op  de uitvoering   van de  in  het overdrachtsplan  zelf  beschreven stappen. Artikel 8 regelt niet dat de gegevensdragers/de administratie zélf volledig  en juist  zijn en met de bepaling  is  niet afgedaan aan het uitgangspunt  van het uitvoeringsplan   dat de  administratie “<emphasis role="italic">zo schoon en volledig mogelijk” </emphasis>moest worden overgedragen en aan artikel 3.3. van de beëindigingsovereenkomst   waarin is  bepaald  dat  Achmea slechts verantwoordelijk   is  voor de juiste en tijdige uitvoering van de processen. Daarnaast is nog van belang dat niet – in elk geval niet  voor  31 december 2017,  de  afgesproken datum  voor  kwijting   van de verplichtingen rond de overdracht – is geklaagd over de bedoelde inconsistenties.  Het Fonds heeft bij brief  van 27 december 2017 (en in  de daarbij  gevoegde e-mail van 10 december 2017)  wel aanvullende  stukken  opgevraagd bij  Achmea, maar inconsistenties  zijn   daarbij  niet  genoemd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat niet is komen vast te staan dat Achmea haar verplichtingen rond de overdracht van de pensioenadministratie niet is nagekomen en aansprakelijk is voor extra kosten die het Fonds in verband met die overdracht heeft gemaakt, moet de vordering worden afgewezen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De tegenvordering van Achmea op het Fonds ter zake van de wettelijke handelsrente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Achmea vordert de wettelijke handelsrente over de factuurbedragen die uiteindelijk onder protest door het Fonds zijn betaald op 28 april 2018. Het gaat dan om de om de aanvankelijk onbetaald gebleven bedragen van de vier voorschotfacturen en om  de factuur voor  het meerwerk vanwege de fout in  de  met AFAS aangeleverde gegevens.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Het Fonds voert een aantal verweren. Het Fonds stelt zich op het standpunt dat Achmea haar aanspraak op wettelijke handelsrente heeft prijsgegeven in een brief van de advocaat van Achmea van 12 april 2018 (productie 43 van het Fonds). Het Fonds betoogt daarnaast dat de voorschotnota’s niet verschuldigd zijn. Het Fonds is ook van mening dat Achmea geen aanspraak kan maken op wettelijke handelsrente omdat uit de brief van 6 juli  2017 volgt dat er over het jaar 2016 uiteindelijk € 113.577 minder verschuldigd was dan aan voorschotten in  rekening  gebracht. Volgens het Fonds volgt  uit  de brief van 6 juli  2017  dat  hij over de jaren 2014 tot en met 2016 € 120.600 minder  verschuldigd  was dan aan voorschotten in rekening gebracht was en dat de betalingsverplichtingen van partijen  tegen elkaar wegvallen. Het Fonds beroept zich ook op opschorting: het Fonds mocht zijn verplichtingen   tot  betaling  van de  voorschotten opschorten.  Op grond  van artikel  6:119a  lid 7 BW is het Fonds geen wettelijke handelsrente verschuldigd omdat Achmea in  verzuim verkeert ten aanzien van haar verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Ten slotte beroept het Fonds zich erop dat hij op grond van artikel 10.2 van de pensioenbeheerovereenkomst  per  maand een voorschotnota  had moeten ontvangen,  maar dat</para>
      <parablock>
        <para>hij dit per kwartaalheeft ontvangen. Dat betekent dat het door het Fonds verschuldigde bedrag over de tweede maand van het kwartaalook pas op de eerste dag van de tweede maand verschuldigd  was (en voor  de derde maand  hetzelfde).</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt hierover als volgt. Achmea heeft in  de brief  van 12 april 2018  geschreven: "<emphasis role="italic">Als het Fonds niet binnen tien werkdagen het volledige bedrag betaalt, zal Syntrus Achmea het Fonds zonder nadere aankondiging dagvaarden en zal zij daarnaast aanspraak maken op de wettelijke handelsrente.</emphasis>” Met deze brief heeft Achmea geen afstand gedaan van haar recht om wettelijke  handelsrente te vorderen. Gelet  op het doel van deze brief, de sommatie, spreekt het voor zich dat Achmea hiermee slechts tot uitdrukking wilde brengen dat als het Fonds betaalde en er daarmee een definitief einde  zou  komen  aan het geschil tussen partijen over de betaling  van de hoofdsom,  Achmea geen wettelijke handelsrente  meer zou  vorderen. Dat ook  het Fonds  dit  heeft gelezen als  een verklaring  dat er onvoorwaardelijk  moest worden betaald ter definitieve  beslechting  van het geschil,  kan naar het oordeel van de rechtbank afgeleid worden uit het feit  dat het Fonds vervolgens  bij brief van 23 april 2018 (productie 44 van het Fonds) (i) zich het recht voorbehoudt om het te betalen bedrag als onverschuldigd terug te vorderen en (ii)  aangeeft dat het Fonds  slechts onder protest daartoe gehouden te zijn,  zal betalen. Het Fonds  mocht er in  ieder geval naar  het oordeel van de rechtbank niet  op vertrouwen Achmea haar recht op wettelijke handelsrente prijsgaf  als hij  onder  protest betaalde en daarna het betaalde   terugvorderde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Ook de andere redenen van het Fonds waarom hij bepleit dat hij geen wettelijke handelsrente verschuldigd  zou  zijn,  gaan niet  op.  Het Fonds  gaat er daarbij  voor wat betreft de  voorschotfacturen immers  vanuit  dat er geen voorschotten  hoefden te worden betaald en/of dat Achmea haar verplichtingen ten aanzien van de  urenverantwoording  niet  nakwam, en dat is niet komen vast te staan. Na het verstrijken van de betalingstermijn van de facturen was het Fonds  in  verzuim  met de  betaling  en is  hij  handelsrente  verschuldigd.  Dat er volgens de pensioenbeheerovereenkomst maandelijkse facturen hadden moeten worden gestuurd betekent niet dat er geen of minder rente verschuldigd is; tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard dat in de praktijk al jarenlang per kwartaal gefactureerd werd en dat het Fonds  daar nooit  over heeft geklaagd.  De rechtbank houdt  het er daarom voor dat partijen het erover eens waren dat de voorschotbedragen per kwartaal werden gefactureerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>De eindafrekening  van 6 juli  2017  leidt  naar het oordeel van de rechtbank niet  tot een verrekenvordering, maar leidt ertoe dat vanaf dat moment rente verschuldigd is over het (totaal)bedrag waar Achmea dan aanspraak op maakt, na aftrek van de post van € 120.600. Daarbij is  van belang  dat niet  is  gebleken dat er eerder naar aanleiding  van een eindafrekening  concrete bedragen op de hoofdsom  in  mindering  strekten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <parablock>
        <para>Concreet betekent dit het volgende. Over het bedrag van de meerwerkfactuur wordt de  wettelijke  handelsrente  toegewezen vanaf de  vervaltermijn  van de  factuur tot 25 april 2018  (de datum van betaling)  en over de openstaande voorschotfacturen vanaf de  vervaltermijn van de desbetreffende voorschotfactuur tot 6 juli 2017. Op 6 juli 2017 heeft Achmea een eindafrekening opgesteld waaruit volgt dat vanaf dat moment het Fonds een totaalbedrag van € 506.590  verschuldigd  is  (in  plaats van € 627.190),  zodat vanaf dat  moment  tot 25 april  2018  de wettelijke  handelsrente  berekend moet worden over € 506.590.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>Omdat de vorderingen van het Fonds worden afgewezen, zal het Fonds in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de  zijde   van Achmea worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>griffierecht	€ 4.030</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris advocaat	<emphasis role="underline"> 		€ 6.198  </emphasis>(2 punten × tarief € 3.099) Totaal		€ 10.228</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>De tegenvordering van Achmea wordt toegewezen. Omdat het Fonds in  het ongelijk wordt gesteld, wordt het Fonds in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde  van Achmea worden begroot  op 2 punten  × factor 0,5  × tarief € 1.707  = € 1.707.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">voor wat betreft de vordering van het Fonds:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst  de  vorderingen  van het Fonds af,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het Fonds in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 10.228 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang  van veertien dagen na dit  vonnis  tot de dag van volledige betaling,</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">voor wat  betreft de  tegenvordering van Achmea:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het Fonds  om aan Achmea te betalen de wettelijke  handelsrente   over</para>
        <para>€ 25.119,14  vanaf de vervaldatum van de factuur tot 25 april   2018,</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>veroordeelt het Fonds om aan Achmea te betalen de wettelijke handelsrente over de vier voorschotfacturen (kwartaalvier  van 2015,  kwartaal één, twee en drie  van 2016)  vanaf de  vervaldatum  van iedere  voorschotfactuur tot 6 juli 2017,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het Fonds  om aan Achmea te betalen de wettelijke  handelsrente   over</para>
        <para>€ 506.590  vanaf 6 juli  2017  tot 25 april 2018,</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het Fonds in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.707 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in  art. 6:119  BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit  vonnis  tot de dag van volledige betaling,</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">in beide zaken:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>veroordeelt het Fonds in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246 en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat het Fonds niet binnen 14 dagen na aanschrijving  aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,  met een bedrag van € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten  van</para>
      <parablock>
        <para>betekening  van de uitspraak,  en te vermeerderen met de wettelijke  rente als bedoeld  in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis  tot aan de  voldoening,</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>verklaart dit  vonnis   voor  wat betreft de  veroordelingen  uitvoerbaar  bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Dondorp, M.J. Slootweg en L.A. de Vrey en in het openbaar uitgesproken  op 28  november  2019.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>