<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:6465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T15:15:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7879841 AE VERZ 19-38</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amersfoort</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2020-0305</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2020-0305</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6465">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-13T09:25:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:6465 Rechtbank Midden-Nederland , 21-08-2019 / 7879841 AE VERZ 19-38</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6465:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Einde van de arbeidsovereenkomst. Niet voldaan aan de aanzeggingsverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:6465:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Amersfoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 7879841 AE VERZ  19-38 CS/30362</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 21 augustus 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [verzoekster] ,</para>
      <para>verzoekende partij,</para>
      <para>gemachtigde: DAS,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen [verweerster] ,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:</para>
      <para>- het verzoekschrift van [verzoekster] , dat door de rechtbank is ontvangen op 28 juni 2019;</para>
      <para>- de oproepingsbrief die door de rechtbank is gestuurd aan de advocaat mr. [A] , die eerder optrad voor [verweerster] ;</para>
      <para>- de brief van mr. [A] , waarin hij de rechtbank meedeelt dat hij in deze procedure niet voor [verweerster] optreedt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 6 augustus 2019 is de zaak op een zitting met de rechter besproken. [verzoekster] is verschenen met haar gemachtigde P. Sium. [verweerster] was niet aanwezig. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1981, is op 1 mei 2018 in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van Backoffice manager voor een loon van € 2.800,-- bruto per maand. De overeenkomst (voor bepaalde tijd) is geëindigd op 1 mei 2019.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [verzoekster] verzoekt de kantonrechter [verweerster] te veroordelen tot betaling van een aanzegvergoeding van € 2.706,67 bruto, met rente en kosten. Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW moest [verweerster] [verzoekster] schriftelijk uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege zou eindigen informeren: <?linebreak?>a. over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en <?linebreak?>b. bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder zij de arbeidsovereenkomst wilde voortzetten. [verzoekster] heeft vóór 31 maart 2019 hierover niets vernomen van [verweerster] en maakt daarom aanspraak op de in lid 3 van dit wetsartikel genoemde vergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [verweerster] heeft door niet te verschijnen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren op het verzoek van [verzoekster] . Op de zitting heeft [verzoekster] aan de rechter een aangetekende brief getoond, waarbij zij de oproepingsbrief van de rechtbank en het verzoekschrift ook aan [verweerster] heeft gestuurd. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat [verweerster] op de hoogte was van de zitting, maar desondanks niet is verschenen. Uit de brief van mr. [A] kan verder worden afgeleid dat [verweerster] eerder aan [verzoekster] heeft toegezegd dat het in deze procedure verzochte bedrag zou worden betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het verzoek tot betaling van de vergoeding van artikel 7:668 lid 3 BW komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Het verzoek wordt daarom toegewezen, met daarover de wettelijke rente zoals [verzoekster] dat heeft verzocht.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [verweerster] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter stelt de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] vast op € 651,-- (€ 231,- aan griffierecht en € 420,- (2 punten x € 210,-) aan salaris voor de gemachtigde). </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] aan [verzoekster] te betalen € 2.706,67 bruto, te vermeerderen 	met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van 	opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de 	kant van [verzoekster] vastgesteld op 651,--; <?linebreak?>3.3.	verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.G. de Weerd en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2019.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>