<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:5912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T09:10:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">81-144974-19 (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/2795</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-3375</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019121712</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:5912">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:5912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-12T08:58:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:5912 Rechtbank Midden-Nederland , 09-12-2019 / 81-144974-19 (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:5912:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan een omvangrijke BTW-fraude. Hij heeft bij het indienen van de aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak en als feitelijk leidinggevende voor zijn twee BV’s fictieve bedragen aan voorbelasting ingevuld. Door deze onjuiste aangiften is de belastingdienst niet in staat geweest de juiste belastingverplichtingen vast te stellen en aanslagen op te leggen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:5912:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 81-144974-19 (P)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer van 9 december 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
        <emphasis role="caps">,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [adres] , [woonplaats] .<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ONDERZOEK TER TERECHTZITTING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de  terechtzitting van 25 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.I.M. Geertsema en van hetgeen verdachte en mr. M.M.C. Glismeijer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>TENLASTELEGGING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1:	verdachte in de periode van 18 juli 2016 tot en met 2 juli 2017 in Amersfoort of Amsterdam bij de Belastingdienst onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over alle kwartalen van 2016 en de eerste twee kwartalen van 2017 heeft ingediend;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2:	[bedrijf 1] B.V. in de periode van 29 juli 2017 tot en met 23 december 2017 in Amersfoort onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2017 heeft ingediend, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 3:	[bedrijf 2] B.V. op 23 december 2017 te Amersfoort een onjuiste aangifte voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2017 heeft ingediend en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>VOORVRAGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>WAARDERING VAN HET BEWIJS</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van feit 1 gedeeltelijk moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier blijkt dat in 2016 alleen over het vierde kwartaal een onjuiste aangifte is gedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft alle ten laste gelegde feiten bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit voor de feiten 2 en 3. Wat betreft feit 1 heeft de raadsvrouw een partiële vrijspraak bepleit. Hierop zal de rechtbank ingaan in een afzonderlijke bewijsoverweging. De rechtbank volstaat voor het overige met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2019; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 november 2018, documentnummer V-001-01;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van bevindingen inzake de afhandeling van ingediende aangiften omzetbelasting van 26 maart 2019, documentnummer AH-001;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een controlerapport van een boekenonderzoek bij [verdachte] , opgemaakt door de Belastingdienst, van 22 mei 2019, documentnummer D-035; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende de eenmanszaak, handelend onder [bedrijf 1] , documentnummer D-097; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring omzetbelasting betreffende [verdachte] , van 23 juli 2018, documentnummer D-002;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een controlerapport van een boekenonderzoek bij [bedrijf 1] B.V., opgemaakt door de Belastingdienst, van 22 mei 2019, documentnummer D-037;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 1] B.V., documentnummer D-099; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring omzetbelasting betreffende [bedrijf 1] B.V., van 23 juli 2018, documentnummer D-003;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een controlerapport van een boekenonderzoek bij [bedrijf 2] B.V., opgemaakt door de Belastingdienst, van 22 mei 2019, documentnummer D-036;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 2] B.V., documentnummer D-098;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring omzetbelasting betreffende [bedrijf 2] B.V., van 23 juli 2018, documentnummer D-005.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat verdachte voor de eenmanszaak in 2016 alleen over het vierde kwartaal een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft ingediend. Verdachte heeft op 7 november 2018 verklaard dat hij alle bedragen die hij aan voorbelasting heeft ingevuld, heeft verzonnen. In een ambtshandeling (AH-001) zijn de verschillende aangiften uitgewerkt. Uit deze ambtshandeling blijkt dat verdachte in 2016 ook bij het eerste, tweede en derde kwartaal bedragen (van respectievelijk € 4.040,-, € 3.906,- en € 798,-) heeft ingevuld bij de voorheffing. Gelet op de verklaring van verdachte en de overige stukken in het dossier zijn deze bedragen dus onjuist. Het indienen van deze onjuiste aangiften strekte er, naar het oordeel van de rechtbank, zonder meer toe dat er te weinig belasting werd geheven. Het feit dat verdachte in het eerste kwartaal van 2016 nog een bedrag moest betalen en dat hij in het tweede en derde kwartaal slechts een klein bedrag terugkreeg, doet daar niet aan af. De bedragen aan voorheffing zijn namelijk verrekend met de bedragen die verdachte aan omzetbelasting moest afdragen.  </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>BEWEZENVERKLARING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>op tijdstippen in de periode van 18 juli 2016 tot en met 2 juli 2017 te Amersfoort en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,</para>
      <para>telkens opzettelijk, bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten meerdere (digitale) aangiften voor de omzetbelasting, op naam van eenmanszaak [verdachte] , te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 (D-002) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2016 tot en met 30 juni 2016 (D-002) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 juli 2016 tot en met 30 september 2016 (D-002) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 (D-002) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 (D-002) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (D-002),</para>
    <parablock>
      <para>telkens onjuist heeft gedaan,</para>
      <para>immers heeft hij, verdachte, telkens op de ingediende aangiften omzetbelasting een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.</para>
      <para>
        [bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode van 29 juli 2017 tot en met 23 december 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland</para>
      <para>telkens opzettelijk, bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten meerdere (digitale) aangiften voor de omzetbelasting, op naam van [bedrijf 1] B.V. te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (D-003) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 juli 2017 tot en met 30 september 2017 (D-003) en</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 (D-003),</para>
    <parablock>
      <para>telkens onjuist heeft gedaan,</para>
      <para>immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens op de ingediende aangiften omzetbelasting een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven,</para>
      <para>terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;</para>
      <para>aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.</para>
      <para>
        [bedrijf 2] B.V. op 23 december 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland,  </para>
      <para>opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de omzetbelasting, op naam van [bedrijf 2] B.V. te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 (zie D-005),</para>
    <parablock>
      <para>onjuist heeft gedaan,</para>
      <para>immers heeft [bedrijf 2] B.V. op de ingediende aangifte omzetbelasting een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven,</para>
      <para>terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;</para>
      <para>aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1:	opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2:	opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 3:	opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>OPLEGGING VAN STRAF</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan een gedeelte van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft het bepleit bij het opleggen van een straf rekening te houden met het feit dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en met de gevolgen die verdachte heeft ondervonden als gevolg van deze strafzaak.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan een omvangrijke BTW-fraude. Hij heeft bij het indienen van de aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak en als feitelijk leidinggevende voor zijn twee BV’s fictieve bedragen aan voorbelasting ingevuld. Door deze onjuiste aangiften is de belastingdienst niet in staat geweest de juiste belastingverplichtingen vast te stellen en aanslagen op te leggen. De goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting staat of valt met de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften. In het geval hier niet van uit kan worden gegaan, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting volledig ondergraven. Dit doet afbreuk aan de belastingmoraal en brengt de overheid en daarmee de gehele samenleving nadeel toe. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier blijkt dat verdachte de onterecht ontvangen geldbedragen grotendeels heeft uitgegeven aan privédoeleinden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij zich op deze wijze schuldig heeft gemaakt aan deze BTW-fraude. Verdachte lijkt het kwalijke van zijn handelen en het feit dat hij de Staat voor een omvangrijk bedrag heeft benadeeld, onvoldoende in te zien.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Om die reden speelt het strafblad van verdachte voor de rechtbank geen rol bij het bepalen van de strafmaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken, met een vergelijkbaar benadelingsbedrag, worden opgelegd. </para>
        <para>De rechtbank gaat daarbij uit van een benadelingsbedrag van € 187.292,-. Het in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde uitgangspunt bij fraude met een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot € 250.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven en dat de feitelijke benadeling, als gevolg van de later ingediende suppletie door verdachte, uiteindelijk € 120.658,- bedraagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de omvang van het benadelingsbedrag, de duur van de fraude en het feit dat verdachte meerdere rechtspersonen/bedrijven heeft gebruikt voor deze fraude, ziet de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, geen ruimte voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht het wenselijk de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen, in de hoop dat dit verdachte ervan weerhoudt opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing berust op de artikelen </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>14a, 14b, 14c, 51en 57 van het Wetboek van Strafrecht en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;</para>
    <para />
    <para>- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; </para>
    <para />
    <para>- verklaart verdachte strafbaar; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oplegging straf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;</para>
    <para />
    <para>- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast; </para>
    <para />
    <para>- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. A.A.T. Werner en M.C. Danel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage: de tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juli 2016 tot en met 02 juli 2017 te Amersfoort en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) opzettelijk, (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting, op naam van eenmanszaak [verdachte] , te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 (D-002) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2016 tot en met 30 juni 2016 (D-002) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 juli 2016 tot en met 30 september 2016 (D-002) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 (D-002) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 (D-002) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (D-002),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) onjuist/onvolledig heeft gedaan,</para>
      <para>immers heeft hij, verdachte, (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) omzetbelasting een te hoog bedrag, althans een onjuist bedrag, aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen)</para>
      <para>( art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.</para>
      <para>
        [bedrijf 1] B.V. op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juli 2017 tot en met 23 december 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) opzettelijk, (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting, op naam van</para>
      <para>
        [bedrijf 1] B.V. te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (D-003) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 juli 2017 tot en met 30 september 2017 (D-003) en/of</para>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 (D-003),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) onjuist/onvolledig heeft/hebben gedaan,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>immers heeft [bedrijf 1] B.V. (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) omzetbelasting een te hoog bedrag, althans een onjuist bedrag, aan voorbelasting opgegeven,</para>
      <para>terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tot/bij het plegen van welk voornoemd feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen)</para>
      <para>(Artikel 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht)</para>
      <para>( art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht, art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.</para>
      <para>
        [bedrijf 2] B.V. op of omstreeks 23 december 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opzettelijk, (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de omzetbelasting, op naam van [bedrijf 2] B.V. te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- kwartaalaangifte over het tijdvak 01 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 (zie D-005),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>onjuist/onvolledig heeft gedaan,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>immers heeft [bedrijf 2] B.V. op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte omzetbelasting een te hoog bedrag, althans een onjuist bedrag, aan voorbelasting opgegeven,</para>
      <para>terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tot/bij het plegen van welk voornoemd feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen)</para>
      <para>(Artikel 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht)</para>
      <para>( art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht, art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen )</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>