<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:5463</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-08T12:55:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 19 /3269</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:5463">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:5463</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-08T12:41:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:5463 Rechtbank Midden-Nederland , 07-11-2019 / UTR 19 /3269</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:5463:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Mondelinge uitspraak, beroep, CBR, 6:19, schadevergoedingsverzoek, materiele schadevergoeding toegekend, proceskosten beroep toegekend.</para>
        <para>Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:5463:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 19/3269</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">7 november 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Hoevers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: drs. I.S. Metaal).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 7 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 augustus 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 september 2019 heeft verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser genomen en het bestreden besluit I en het primaire besluit ingetrokken. De ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt opgeheven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft vervolgens verzocht om schadevergoeding. Op 29 oktober 2019 heeft verweerder gereageerd op eisers verzoek om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:<?linebreak?>-	verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;<?linebreak?>-	veroordeelt verweerder tot het betalen van een materiële schadevergoeding aan eiser tot </para>
      <para>	een bedrag van € 133,70;</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1540,20.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. </para>
    <para />
    <para>2. Met het besluit van 30 september 2019 is verweerder volledig toegekomen aan het door eiser ingestelde beroep. Verweerder heeft een nieuw besluit genomen waarbij het bestreden besluit van 20 augustus 2019 niet langer is gehandhaafd en het primaire besluit is ingetrokken, waardoor de maatregel ongedaan wordt gemaakt. Gelet hierop wordt het beroep van eiser niet geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 september 2019 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit. De rechtbank is niet op voorhand van oordeel dat eiser geen schade heeft geleden. De rechtbank dient nog een beslissing te nemen over het beroep van eiser gericht tegen het bestreden besluit, omdat eiser een schadevergoedingsverzoek heeft ingediend. Omdat niet in geschil is dat het bestreden besluit onrechtmatig was, zal de rechtbank het beroep daartegen gegrond verklaren. Dit betekent dat de rechtbank eisers verzoek om schadevergoeding zal beoordelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Het verzoek van eiser om vergoeding van de kosten voor het indienen van het bezwaarschrift wijst de rechtbank niet toe, omdat artikel 7:15 van de Awb voorschrijft dat dit verzoek moet worden ingediend in de bezwaarprocedure, maar in ieder geval voor de beslissing op bezwaar. Dit heeft eiser niet gedaan. Deze regel in de Awb staat los van eisers standpunt dat hij met zijn gemachtigde een prijs heeft afgesproken voor de procedure.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De kosten voor het indienen van het beroepschrift en de behandeling daarvan op zitting krijgt eiser vergoed. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op </para>
    <para>€ 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen van een verzoekschrift schadevergoeding ter hoogte van € 280,- De rechtbank overweegt dat eiser deze kosten vergoed krijgt op grond van artikel 2, eerste lid, onder a en de Bijlage onder A1 bij het Bpb. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift schadevergoeding en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reis- en verletkosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Op basis van artikel 2, eerste lid en onder c, van het Bpb in samenhang met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten om de zitting van 7 november 2019 bij te kunnen wonen ten bedrage van € 4,20 toe. </para>
    <para />
    <para>9. Het verzoek van eiser om verletkosten kan de rechtbank niet toewijzen, omdat eiser niet heeft onderbouwd dat het door hem opgenomen verlof voor eigen rekening komt.  Nu eiser in loondienst werkzaam is, kan de rechtbank slechts op basis van een werkgeversverklaring opmaken welk bedrag (gespecificeerd) op het loon van eiser wordt ingehouden. Eiser heeft een dergelijke verklaring niet overgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Eisers heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade voor het ten onrechte  missen van zijn rijbewijs ter hoogte van 125 dagen á € 10,- (€ 1.250,-). De bestuursrechter dient volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952) zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dit is neergelegd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank dient in dit kader te toetsen of sprake is van een aantasting in zijn eer of goede naam of op andere wijze in zijn persoon. Eisers gemachtigde heeft ter zitting weliswaar een toelichting gegeven op het ervaren ongemak en de gestelde aantasting van eisers eer en goede naam, maar heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat eiser ongemak heeft gehad van het missen van zijn rijbewijs, maar acht onvoldoende onderbouwd dat eiser in zijn eer of goede naam is aangetast om immateriële schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 1.250,- af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Materiële schade - Kosten openbaar vervoer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van zijn reiskosten ter hoogte van € 133,70, omdat hij een aantal malen het openbaar vervoer heeft moeten gebruiken om op zijn werk te kunnen komen. Ter zitting heeft eiser een toelichting gegeven op de overgelegde ING-bankafschriften waaruit blijkt op welke dagen er met het openbaar vervoer is gereisd en verweerder heeft hierop gereageerd. </para>
    <para />
    <para>12. Anders dan verweerder die zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet kan verifiëren of deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van eisers werk, neemt de rechtbank dat, gelet op de mondelinge toelichting van eiser ter zitting, wel aan. Deze toets is minder zwaar dan de toets of sprake is van immateriële schade, zodat de rechtbank deze kosten ten bedrage van </para>
    <para>€ 133,70 toewijst. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier													rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>