<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-10T13:48:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 3050</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-10T13:40:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:398 Rechtbank Midden-Nederland , 17-01-2019 / AWB - 18 _ 3050</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wijziging en onverschuldigd betaalde terugvordering WIA-uitkering. Ten aanzien van de bonus bestaat een nauw verband met verrichte arbeid en is geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Herberekening is juist.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 18/3050</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van               17 januari 2019 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.B.TH. Koekkoek),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(Uwv), verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Peters).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 19 februari 2018 tot en met 18 april 2018 gewijzigd. Verder heeft verweerder de over deze periode te veel betaalde WIA-uitkering teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Eiser was werkzaam als senior portfoliomanager voor 37,93 uren per week. Hij </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>heeft zich vanaf 22 februari 2016 ziek gemeld. Verweerder heeft met ingang van 19 februari 2018 een WIA-uitkering toegekend. Vanaf 19 februari 2018 verricht eiser bij zijn werkgever aangepast werk voor 10 uren per week. In verband met deze inkomsten is de hoogte van de WIA-uitkering gewijzigd. Dit heeft geleid tot de onder ‘procesverloop’ vermelde besluitvorming. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft bij de herberekening van de WIA-uitkering de bonus, die zijn </para>
    <para>werkgever in april 2018 aan eiser heeft uitbetaald, meegerekend. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder deze bonus niet mag verrekenen </para>
    <parablock>
      <para>met zijn WIA-uitkering. Volgens hem moet deze bonus als loon uit vroegere </para>
      <para>dienstbetrekking worden aangemerkt. De bonus, die is uitbetaald in april 2018, betreft een gespreide betaling van bonussen, die zien op de beloningsjaren 2014, 2015 en 2016. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser gewezen op de door hem in bezwaar overgelegde Regeling Variabele beloning en de brieven over de uitbetaling van de variabele beloningen. De bonus is dan ook niet te koppelen aan de arbeidsovereenkomst, zoals die ten tijde van de WIA-uitkering geldt, aldus eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR) (bijvoorbeeld HR 21 juni 2000, </para>
    <para>ECLI:NL:HR:2000:AA6257) is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere arbeid. Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:921). </para>
    <para />
    <para>6. In zijn uitspraak van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3993, heeft de CRvB, in </para>
    <para>een geval waarin het ging om een nabetaling van een bonus in een situatie waarin een nieuwe arbeidsovereenkomst aan de orde was, overwogen dat er een nauw verband bestaat tussen deze betaling en de verrichte arbeid en dat er om die reden geen sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking zoals beschreven in artikel 3:2 van het Inkomensbesluit Wet WIA. In eisers geval geldt het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswettten. Dit besluit heeft naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk geen wijziging beoogd. </para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de bonus, uitbetaald in april 2018, terecht bij de </para>
    <para>herberekening van de WIA-uitkering meegerekend. </para>
    <para />
    <para>8. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen </para>
    <para>aanleiding.</para>
    <para />
    <para>9. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid van deze uitspraak in hoger beroep </para>
    <para>te komen. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van                mr. H. Spaargaren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op                        17 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(de griffier is verhinderd </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">dit proces-verbaal te ondertekenen) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>