<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:3517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-24T14:55:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 19/1244</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:3517">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:3517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-24T14:51:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:3517 Rechtbank Midden-Nederland , 26-07-2019 / UTR 19/1244</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:3517:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Mondelinge uitspraak. Pw, kostendelersnorm, geen sprake van commerciele huurrelatie, beroep ongegrond. </para>
        <para>Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:3517:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</title>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 19/1244</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </title>
    <bridgehead role="bold">26 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (het college)</emphasis>, </para>
      <para>(gemachtigde: J. Hekelaar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 19 oktober 2018 heeft het college met ingang van 11 september 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aan eiseres toegekend. Het college heeft de bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande en verlaagd vanwege drie kostendelende medebewoners. Eiseres is het niet eens met die verlaging en heeft bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 5 februari 2019 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De verlaging vanwege de drie kosten delende medebewoners blijft dus in stand. Voor de uitleg hierbij heeft het college verwezen naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 31 januari 2019. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is op 26 juli 2019 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Namens het college is zijn gemachtigde verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank meteen uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Uitleg</title>
    <para />
    <para>1. In de wet wordt het begrip kostendelende medebewoner gedefinieerd, dat is namelijk een persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende woont.<footnote-ref linkend="_af548df5-cd82-4f71-b579-65bc861da5b3" /> Als er een kostendelende medebewoner is, wordt de bijstand verlaagd. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als sprake is van een huurovereenkomst<footnote-ref linkend="_eed0ec2c-4876-4d63-b74f-56b0fa387a3c" />. In de Memorie van Toelichting<footnote-ref linkend="_628ff352-6c1e-40e2-aeeb-3aee235ec484" /> bij de wet heeft de wetgever uitgelegd dat dan sprake moet zijn van een commerciële relatie en ook wanneer dat zo is. Als er een indicatie is dat geen sprake is van een zuivere commerciële relatie, ook al wordt aan de wettelijke voorwaarden voldaan, kan toch geen uitzondering op de kostendelersnorm worden gemaakt. Dit blijkt ook uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter op dit gebied<footnote-ref linkend="_950d0ea2-0518-40e9-a96a-c2d1bbf025bd" />. </para>
    <para />
    <para>2. Dat hier sprake is van een uitzonderingssituatie omdat eiseres stelt met één medebewoner ( [medebewoner] ) een commerciële huurrelatie te hebben, ziet de rechtbank niet. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat aan de voorwaarden voor die uitzonderingssituatie wordt voldaan. Dat heeft zij niet gedaan. Uit de bankafschriften blijkt dat de frequentie waarop zij de huur betaalt varieert. Daarnaast heeft [medebewoner] verklaard dat de huur niet wordt geïndexeerd en heeft [medebewoner] haar geld geleend. Ook heeft eiseres uitstel van de betaling van de huur gekregen, mocht zij gratis mee-eten en mocht zij in het huis overal gebruik van maken. De huurrelatie werd dus maar deels nageleefd. In de hier relevante periode was dan geen sprake van een commerciële huurrelatie. Aan de voorwaarden voor de uitzonderingssituatie wordt dan niet voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>3. In beroep heeft eiseres nog gewezen op haar gronden van bezwaar, waarbij ze heeft aangevoerd dat de vrouw van [medebewoner] niet haar hoofdverblijf in dezelfde woning had. Het college heeft hierop in de beslissing op bezwaar gemotiveerd gereageerd. Eiseres heeft in beroep niet aangegeven waarom zij het niet eens is met de reactie van het college. De rechtbank ziet dan geen grond om eiseres te volgen in haar eerdere stelling, waar het college al op heeft gereageerd. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?</title>
    <para>Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.</para>
  </section>
  <footnote id="_af548df5-cd82-4f71-b579-65bc861da5b3" label="1">
    <para> Artikel 19a, eerste lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eed0ec2c-4876-4d63-b74f-56b0fa387a3c" label="2">
    <para> Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_628ff352-6c1e-40e2-aeeb-3aee235ec484" label="3">
    <para> Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 7, 59, 60</para>
  </footnote>
  <footnote id="_950d0ea2-0518-40e9-a96a-c2d1bbf025bd" label="4">
    <para> De Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3542</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>