<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:3474</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-29T08:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 18/1485</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:3474">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:3474</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-29T08:56:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:3474 Rechtbank Midden-Nederland , 17-07-2019 / UTR 18/1485</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:3474:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omgevingsvergunning voor realiseren kleinschalig hotel. Bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend. Naar oordeel van rechtbank is niet namens eiseres eerder bezwaar gemaakt tegen primaire besluit. De bij dat bezwaarschrift gevoegde handtekeningenlijst dateerde van voor de verlening van de omgevingsvergunning. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:3474:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 18/1485</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. N. Oosterweghel en mr. H. Kavi).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: <emphasis role="bold">[naam derde-partij]</emphasis>, te [woonplaats 2] , gemachtigde: mr. P.J.G. Poels.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 mei 2017 heeft verweerder aan derde-partij (verder: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een kleinschalig hotel op het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummer-/letteraanduiding] te [vestigingsplaats] (verder: het perceel).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.</para>
      <para>Op 26 januari 2017 heeft vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de realisatie van een kleinschalig hotel op het perceel.</para>
      <para>Bij het besluit van 15 mei 2017 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. De vergunning is op 19 mei 2017 aan vergunninghouder  toegezonden. De verleende omgevingsvergunning is op 26 mei 2017 bekend gemaakt in het Gemeenteblad. In die bekendmaking is onder meer het volgende vermeld:</para>
      <para>“<emphasis role="bold">Afgehandelde omgevingsvergunning, het realiseren van een kleinschalig hotel, [straatnaam] [nummeraanduiding] – [nummer-/letteraanduiding] te [vestigingsplaats] , […]</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [straatnaam] [nummeraanduiding] – [nummer-/letteraanduiding] te [vestigingsplaats]</title>
    <parablock>
      <para>
        […]
      </para>
      <para>Het realiseren van een kleinschalig hotel</para>
      <para>Datum besluit: 19-05-2017</para>
      <para>Verzenddatum/bekendmaking besluit: 19-05-2017</para>
      <para>Besluit: Verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bezwaar maken</title>
    <para>Tegen dit besluit kunt u bezwaar maken. Een bezwaarschrift moet binnen 6 weken ingediend worden. Deze termijn gaat in op de dag na de bekendmaking van het besluit aan de aanvrager.”</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft bij brief van 4 juli 2017, ingekomen bij verweerder op 6 juli 2017, bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder eiseres op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar vanwege het overschrijden van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. </para>
    <para />
    <para>4. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Vaststaat dat het besluit van 15 mei 2017 op 19 mei 2017 overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt door toezending daarvan aan de vergunninghouder. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb ving de bezwaartermijn dan ook aan op 20 mei 2017. De laatste dag van de bezwaartermijn was dus 30 juni 2017. Het bezwaarschrift van eiseres, gedateerd 4 juli 2017, is op 6 juli 2017 door verweerder ontvangen en is dus, gelet op artikel 6:9 van de Awb, niet tijdig ingediend. Niet gebleken is - en eiseres heeft dit ook niet aangevoerd - dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd.</para>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft ter zitting van de rechtbank toegelicht dat zij zich niet kan verenigen met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat door [A] reeds bij brief van 30 juni 2017 pro forma bezwaar is gemaakt tegen het besluit van verweerder van 15 mei 2017. Eiseres heeft verklaard dat dat bezwaarschrift mede namens haar is ingediend, hetgeen zou blijken uit de door [A] bij dat bezwaarschrift gevoegde handtekeningenlijst van 26 april 2017, waarin zij [A] machtigt namens haar bezwaar te maken tegen de verleende omgevingsvergunning. Verder heeft eiseres betoogd dat het op de weg van verweerder had gelegen om [A] een hersteltermijn te gunnen, ingeval verweerder van mening was dat de overgelegde handtekeningenlijst niet voldoende was om als schriftelijk bewijs van machtiging te dienen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Juist is dat [A] bij brief van 30 juni 2017 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 mei 2017 en dat bij dat bezwaarschrift een handtekeningenlijst was gevoegd. Daarop staat onder meer de handtekening van eiseres. Deze handtekeningenlijst dateert echter van vóór de verlening van de omgevingsvergunning en op die lijst is vermeld dat ondergetekenden schriftelijk op de hoogte gehouden willen worden van de voortgang van de vergunningaanvragen rond het pand. Verder heeft eiseres kort na 30 juni 2017 zelf een bezwaarschrift ingediend. In dat bezwaarschrift rept eiseres met geen woord over het door [A] op 30 juni 2017 ingediende bezwaarschrift. Integendeel, in haar bezwaarschrift van 4 juli 2017 wijst eiseres er op dat “het fijn was geweest als zij op het realiseren van een kleinschalig hotel met kenmerk […] attent was gemaakt” en dat zij om die reden verweerder verzoekt haar bezwaarschrift in de besluitvorming mee te nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet [A] namens eiseres bij brief van 30 juni 2017, maar eiseres met haar brief van 4 juli 2017 voor het eerst bezwaar heeft gemaakt tegen verweerders besluit van 15 mei 2017. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in verzuim is geweest door [A] niet in de gelegenheid te stellen een schriftelijk bewijs van machtiging over te leggen, zoals door eiseres ter zitting van de rechtbank is betoogd. </para>
      <para />
      <para>7. Voor zover eiseres met haar opmerking in het bezwaarschrift “dat het fijn was geweest als verweerder haar attent had gemaakt op het realiseren van een kleinschalig hotel” heeft willen betogen dat het primaire besluit van 15 mei 2017 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, volgt de rechtbank eiseres niet. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de bekendmaking van de omgevingsvergunning in het Gemeenteblad van 26 mei 2017 juist is en dat van een onjuiste voorlichting dan wel bekendmaking geen sprake is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.</para>
      <para />
      <para>8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. M.P. Glerum, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								voorzitter	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>