<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2019:2098</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-13T15:37:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/184326-18 (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:2098">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:2098</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-10T13:59:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2019:2098 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2019 / 09/184326-18 (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2019:2098:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2019:2098:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling strafrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 09/184326-18 (P)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [1988] te [geboorteplaats]</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , [adres] ,<?linebreak?>thans verblijvende in het Huis van Bewaring van het detentiecentrum te Schiphol.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ONDERZOEK TER TERECHTZITTING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 april 2019 en is meteen uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M.C.V. Fellinger en van hetgeen mr. M. Berndsen advocaat te Amsterdam namens verdachte naar voren heeft gebracht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>TENLASTELEGGING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.<?linebreak?>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit 1 primair: </emphasis>
      </para>
      <para>op 15 september 2018 te Alphen aan den Rijn heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen door met een personenauto op [slachtoffer] in te rijden;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">subsidiair is bovenstaande gedraging ten laste gelegd als een eenvoudige mishandeling.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit 2:</emphasis>
      </para>
      <para>op 15 september 2018 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer] heeft bedreigd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>VOORVRAGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bevoegdheid van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is om van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen en heeft daartoe het volgende aangevoerd:</para>
        <para>De aan verdachte ten laste gelegde feiten zijn gepleegd in Alphen aan den Rijn, dit betreft een plaats in het arrondissement Den Haag, zodat in principe de rechtbank Den Haag bevoegd is. Daarnaast is in dit arrondissement reeds vervolging aangevangen, verdachte is immers op 18 september 2018 voorgeleid bij de rechter-commissaris in Den Haag en toen is de bewaring bevolen. Op 27 september 2018 is de voorlopige hechtenis geschorst door de raadkamer van de rechtbank Den Haag. Voornoemde beslissingen zijn daden van vervolging. Op grond van artikel 2, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is uitsluitend de rechtbank Den Haag bevoegd. In dit arrondissement zijn de feiten gepleegd en bij de rechtbank Den Haag is de vervolging het eerste ingesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde, omdat er in de rechtbank Den Haag geen dagvaarding is uitgebracht, zodat geen sprake is van gelijktijdige vervolging. De vervolging is namelijk door het uitbrengen van een dagvaarding voortgezet in de rechtbank Midden-Nederland, teneinde de zaak te voegen bij de openstaande zaken in het arrondissement Midden-Nederland.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Bij beantwoording van de vraag of de rechtbank Midden Nederland (relatief) bevoegd is, geldt artikel 2 Sv als uitgangspunt. </para>
        <para>Eerst moet er gekeken worden naar de vraag of er sprake is van een gelijktijdige vervolging. </para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank neemt de vervolging niet alleen een aanvang met het uitbrengen van een dagvaarding, maar onder meer ook als een bevel tot voorlopige hechtenis wordt gevorderd. </para>
        <para>Vast staat dat in de rechtbank Den Haag een bevel tot voorlopige hechtenis is gevorderd en vervolgens ook afgegeven. Vervolgens is verdachte gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland.  Dit maakt dat er sprake is van gelijktijdige vervolging bij meer dan één rechtbank. </para>
        <para>Het tweede lid van artikel 2  Sv schrijft in dat geval voor, dat de rechtbank die in de rangschikking van het eerste lid van artikel 2 Sv eerder is geplaatst, uitsluitend bevoegd is.</para>
        <para>Voorgaande brengt met zich mee dat uitsluitend de rechtbank Den Haag bevoegd is, nu in dat rechtsgebied de feiten zijn begaan en deze omstandigheid in voornoemde rangschikking eerder is geplaatst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevoegdheid rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>- 	verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en C.M.A.T. van der Geest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage: de tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 15 september 2018 te Alphen aan den Rijn </para>
      <para>ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om</para>
      <para>aan [slachtoffer] </para>
      <para>opzettelijk</para>
      <para>zwaar lichamelijk letsel toe te brengen</para>
      <para>als bestuurder van een personenauto (merk/type: Opel Corsa, kenteken: </para>
      <para>
        [kenteken] ) met hoge, althans aanzienlijke, snelheid, die [slachtoffer] heeft </para>
      <para>aangereden, waardoor deze [slachtoffer] ten val is gekomen en/of </para>
      <para>(vervolgens) met voornoemde personenauto over de enkel, althans het </para>
      <para>been, van die [slachtoffer] is gereden,</para>
      <para>terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van  Strafrecht )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling </para>
      <para>mocht of zou kunnen leiden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 15 september 2018 te Alphen aan den Rijn</para>
      <para>
        [slachtoffer] heeft mishandeld door als bestuurder van een personenauto </para>
      <para>(merk/type: Opel Corsa, kenteken: [kenteken] ) met hoge, althans </para>
      <para>aanzienlijke, snelheid, die [slachtoffer] aan te rijden, waardoor deze [slachtoffer] </para>
      <para> is gevallen en/of (vervolgens) met voornoemde personenauto </para>
      <para>over de enkel, althans het been, van die [slachtoffer] te rijden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 15 september 2018 te Alphen aan den Rijn </para>
      <para>
        [slachtoffer] heeft bedreigd</para>
      <para>met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,</para>
      <para>door een mes en/of een nagelvijl/nagelknipper, althans een op een </para>
      <para>steekwapen gelijkend voorwerp, dreigend in de hand te houden en/of </para>
      <para>met voornoemd mes en/of nagelvijl en/of nagelknipper, althans op een </para>
      <para>steekwapen gelijkend voorwerp, meerdere, althans een, slaande en/of </para>
      <para>stekende beweging(en) te maken in de richting van het lichaam van die </para>
      <para>
        [slachtoffer] , althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard of strekking; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>