<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2018:2483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-14T14:14:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 4505</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2018:2483">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2018:2483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-14T14:04:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2018:2483 Rechtbank Midden-Nederland , 23-05-2018 / AWB - 17 _ 4505</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2018:2483:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Stufi (mondelinge uitspraak), uitwonendenbeurs, vergeten in te schrijven in Brp, hardheidsclausule, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2018:2483:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 17/4505</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2018 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: drs. E.H.A. van den Berg).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op studiefinanciering in de periode van september 2016 tot en met augustus 2017 herzien van een uitwonendenbeurs naar een thuiswonendenbeurs en een bedrag van € 1.672,08 van eiser teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In artikel 1.5 van de Wet op de Studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf) is bepaald dat een student in aanmerking komt voor een uitwonendenbeurs indien de student woont op het adres waaronder hij in de Basisregistratie personen (hierna: Brp) staat ingeschreven. Dit adres mag niet het adres zijn waaronder zijn ouders staan ingeschreven. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>3. Niet in geschil is dat eiser in de van belang zijnde periode in de Brp stond ingeschreven op hetzelfde adres als zijn ouders en dat hij daarom niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor het verkrijgen van een uitwonendenbeurs. Het is ook niet in geschil dat eiser feitelijk op een ander adres dan zijn ouders woonde en feitelijk uitwonend was. <?linebreak?></para>
    <para>4. Eiser voert aan dat verweerder gelet op de omstandigheden ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule uit artikel 11.5 van de Wsf. Het is volgens eiser onredelijk dat hij het teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen slechts omdat hij zich niet heeft ingeschreven op zijn uitwonende adres. Eiser was namelijk feitelijk uitwonend, hij maakte geen misbruik van het systeem en voldeed verder aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een uitwonendenbeurs. Eiser vindt het daarnaast onredelijk dat verweerder pas na een jaar heeft gecontroleerd en tot een herziening is overgegaan waardoor het terug te betalen bedrag hoog is opgelopen. Het terugbetalen van het gehele bedrag is voor eiser een zware financiële last. De gevolgen van het niet inschrijven staan daarom volgens eiser niet in verhouding tot de onopzettelijke, administratieve nalatigheid. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:915). Eiser doet ten slotte een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op de website van verweerder wordt volgens eiser niet duidelijk aangegeven dat inschrijving in de Brp een harde voorwaarde is voor het verkrijgen van een uitwonendenbeurs.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht tot herziening en terugvordering is overgegaan omdat eiser niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor het toekennen van een uitwonendenbeurs. Eiser staat namelijk in de periode van september 2016 tot en met augustus 2017 in de Brp ingeschreven op het adres van zijn ouders. Het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan volgens verweerder niet slagen omdat de uitspraak in strijd is met de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (o.a. ECLI:NL:CRVB:2014:1890 en ECLI:NL:CRVB:2016:3626). Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam is door verweerder daarom hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de website voldoende duidelijk is en dat eiser bovendien per brief voldoende geïnformeerd is over de consequenties van een adrescontrole. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is het met eiser eens dat het lang heeft geduurd voordat verweerder gecontroleerd heeft. Het tijdsverloop van twaalf maanden tussen het toekennen van de uitwonendenbeurs en de herziening ervan, betekent echter niet dat verweerder de uitwonendenbeurs niet kan herzien. De reden daarvoor is dat verweerder tot herziening is overgegaan binnen de termijn die artikel 7.1 van de Wsf stelt. Om die reden is de late controle ook niet onzorgvuldig. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. De hardheidsclausule kan worden toegepast in gevallen waarin de verwijtbaarheid van het niet nakomen van de wettelijke verplichting tot inschrijving op het juiste Brp-adres ontbreekt. Dat eiser vergeten is zich in te schrijven in de Brp op zijn feitelijke woonadres, levert geen situatie op waarin verwijtbaarheid ontbreekt. De Memorie van Toelichting bij de Wsf geeft aan dat het hanteren van een onjuist GBA-adres (nu: Brp-adres) als gevolg van “vergeten door te geven aan de gemeente” wel verwijtbaar is (TK 2010/2011, 32 770, nr. 3, p. 6). Het niet inschrijven op het juiste adres in de Brp dient dan ook voor rekening en risico van eiser te komen. Gezien de vaste jurisprudentie van de CRvB zoals die door verweerder is genoemd en de hierboven genoemde wetsgeschiedenis ziet de rechtbank aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 17 februari 2017. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan de tekst van de website van verweerder. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel meer nodig dan een beroep op algemene voorlichtende informatie op een website. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slagen als het bestuursorgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager een gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt en de aanvrager op grond van het opgewekte vertrouwen gehandeld heeft. Daarvan is geen sprake. De omstandigheid dat de website volgens eiser niet duidelijk aangeeft dat inschrijving in de Brp een harde voorwaarde is voor het verkrijgen van een uitwonendenbeurs, kan bovendien niet worden opgevat als een toezegging dat inschrijving op het juiste adres niet nodig is om voor de uitwonendenbeurs in aanmerking te komen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>9. De conclusie is dan ook dat verweerder het recht op studiefinanciering van eiser vanaf september 2016 tot en met augustus 2017 terecht heeft herzien naar de norm voor een thuiswonende student en als gevolg daarvan terecht een bedrag van € 1.672,08 heeft teruggevorderd. <?linebreak?></para>
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>