<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2018:103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-14T14:13:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 1958</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2018:103">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2018:103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-14T14:03:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2018:103 Rechtbank Midden-Nederland , 15-01-2018 / AWB - 17 _ 1958</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2018:103:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar terecht n-o verklaard vanwege te late indiening. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Uit verzendadm. blijkt dat besluit is verzonden en ontvangen. Computercrash niet aannemelijk gemaakt. Gevolgen onduidelijk. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2018:103:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 17/1958</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: drs. B.M. Baart),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser voor de financiële bijdrage voor het jaar 2017 ingedeeld in categorie 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser zijn bezwaar niet binnen de geldende termijn heeft ingediend. De bezwaartermijn liep tot 2 maart 2017 en eiser heeft, naar aanleiding van een herinneringsnota, pas op 20 maart 2017 bezwaar gemaakt. In de door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, te weten een computercrash op 16 januari 2017 en daardoor ontstane verwarring en hectiek, heeft verweerder geen aanleiding gezien om deze overschrijding verschoonbaar te achten. Volgens verweerder komen deze omstandigheden voor risico van eiser. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser het primaire besluit, volgens het digitale systeem van verweerder, op 18 januari 2017 heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <para>2. Volgens eiser heeft verweerder met het bestreden besluit onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging. Ook is verweerder niet kenbaar op alle bezwaargronden ingegaan. Eiser voert aan dat verweerder de verzending van het primaire besluit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft ook geen ontvangstbevestiging opgevraagd, terwijl dit een kleine moeite was geweest. Verweerder had dan kunnen constateren dat een ontvangstbevestiging uitbleef en had daarmee zorgvuldiger kunnen handelen. Gelet hierop is het volgens eiser niet redelijk de termijnoverschrijding voor zijn risico te laten komen. Ook is volgens eiser niet meegewogen dat de betalingsherinnering pas is ontvangen na het verstrijken van de bezwaartermijn en dat eiser geen kennis had van deze bezwaartermijn. Verweerder heeft zich met deze handelwijze onttrokken aan de plicht eiser niet te frustreren in de mogelijkheid op te komen voor zijn rechten en belangen en hem tijdig te waarschuwen voor een dreigende verandering in zijn rechtspositie. Eiser heeft de bezwaartermijn daardoor niet ten volle kunnen benutten. Dit is in strijd met het fair-play-beginsel, aldus eiser. Verder betoogt eiser dat aan een jaren gevolgde gedragslijn vertrouwen kan worden ontleend. Het gaat in dit geval om de Verordening op de advocatuur en de Regeling op de advocatuur, op basis waarvan de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat maatgevend is voor de indeling in categorieën. Het honoreren van eerder gewekt vertrouwen zou voorrang moeten genieten boven strikte toepassing van de wet, zelfs bij een werking contra legem, als de uitkomst van die toepassing leidt tot een niet door de wetgever beoogd gevolg, namelijk dat de advocaat te hoog wordt aangeslagen. Uit de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 blijkt dat het bezwaar tegen de indeling in categorie 1 gerechtvaardigd is. Bij handhaving van het bestreden besluit zal eiser dus ten onrechte te hoog worden aangeslagen.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank constateert dat verweerder ter zitting een uitdraai uit de verzendadministratie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het primaire besluit op 15 januari 2017 om 7:20 uur, dus nog voor de computercrash op 16 januari 2017, naar het e-mailadres van eiser is verzonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de verzending van het primaire besluit op 15 januari 2017 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het primaire besluit is zodoende conform artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend gemaakt. Uit de door verweerder overgelegde uitdraai uit de verzendadministratie blijkt voorts dat eiser dit e-mailbericht op 18 januari 2017 om 23:06 uur heeft geopend. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire besluit eiser heeft bereikt. Eiser heeft hier onvoldoende tegenover gesteld om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft de crash immers verder niet onderbouwd en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit hem door de crash niet heeft bereikt. Eiser heeft ook geen duidelijkheid kunnen geven over de precieze consequenties van de crash. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in wat eiser naar voren heeft gebracht terecht geen aanleiding heeft gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat eiser naar zijn zeggen geen weet had van het primaire besluit en de lopende bezwaartermijn, komt gelet op het voorgaande voor zijn risico. Dat de betalingsherinnering niet binnen de bezwaartermijn is verstuurd, is geen reden om verschoonbaarheid aan te nemen. Het is immers de eigen verantwoordelijkheid van eiser om tijdig bezwaar te maken en het is niet de taak van verweerder om eiser daaraan te herinneren. Dat wat eiser verder heeft aangevoerd, bijvoorbeeld over de belangenafweging, het opgewekte vertrouwen en de categorie-indeling, komt naar het oordeel van de rechtbank geen rol toe in het kader van de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Aan bespreking van die gronden komt de rechtbank daarom niet toe. </para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>