<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2017:5849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T15:05:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 17/251 en UTR 17/4036</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:5849">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:5849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T15:02:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2017:5849 Rechtbank Midden-Nederland , 23-10-2017 / UTR 17/251 en UTR 17/4036</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2017:5849:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Loonsanctiebesluit gericht aan verkeerde publiekrechtelijke rechtspersoon, Gevolg dat geen loonsanctiebesluit is opgelegd aan eiseres. Eiseres geen belang meer bij een procedure over bekorting. Beide beroepen gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2017:5849:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: UTR 17/251 en UTR 17/4036</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">23 oktober 2017 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L. van de Vrugt),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Witte).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: <emphasis role="bold">[derde belanghebbende]</emphasis>, te [woonplaats] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 augustus 2016 (het primaire besluit I), gericht aan Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeente Utrecht (hierna: Gemeenschappelijke Regeling), heeft verweerder de verplichting opgelegd om het loon van derde-partij (werknemer) door te betalen tot 30 augustus 2017. Deze verlenging van de loondoorbetaling met 52 weken - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 december 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder procedurenummer UTR 17/251. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 maart 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder het verzoek van eiseres om de loondoorbetalingsperiode te bekorten, afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 augustus 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft ook tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder procedurenummer UTR 17/4036.</para>
      <para>Het onderzoek in de beide beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting op 23 oktober 2017. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. Van de Vrugt en voorts mr. [A] , werkzaam bij de gemeente. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beide beroepen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de bestreden besluiten van 7 december 2016 en 24 augustus 2017;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk zijn en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op de betaalde griffierechten in de beide zaken van totaal € 666,- aan eiseres te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.485,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres voert aan dat het loonsanctiebesluit (het primaire besluit I) gericht is aan de verkeerde publiekrechtelijke rechtspersoon. Dat besluit is immers gericht aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeente Utrecht en niet aan haar. Dat is te zien aan de aanhef, maar bovendien ook aan het bij ‘ons kenmerk’ vermelde  loonheffingennummer [loonheffingennummer] en het aansluitnummer [aansluitnummer] . De betreffende nummers behoren toe aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeente Utrecht en niet aan eiseres. </para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond van eiseres. Uit de stukken blijkt dat zowel het loonsanctiebesluit (het primaire besluit I) als het bestreden besluit I niet zijn gericht aan eiseres, maar aan de Gemeenschappelijke Regeling. Het in bezwaar gehandhaafde besluit noemt registratienummers die niet gekoppeld zijn aan eiseres. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het besluit op toereikende wijze bekend is gemaakt door verzending naar het juiste adres en dat het voldoende is dat eiseres heeft kunnen begrijpen dat het besluit voor haar is. Dat de post voor de Gemeenschappelijke Regeling en de Gemeente Utrecht kennelijk naar hetzelfde adres kan worden verstuurd, maakt nog niet dat er sprake is van één rechtspersoon. Strikt genomen is eiseres ook niet bevoegd om poststukken voor een andere rechtspersoon te openen en diende het stuk ongeopend te worden geretourneerd aan de afzender. </para>
    <parablock>
      <para>Verweerders betoog in het verweerschrift van 18 juli 2017 dat in de besluiten door een administratieve fout twee werkgevers worden genoemd, te weten de Gemeenschappelijke Regeling (die officieel Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht heet) en eiseres, kan de rechtbank gelet op de in het besluit genoemde registratienummers van een andere rechtspersoon dan eiseres evenmin volgen,  </para>
      <para>aangezien niet in geschil is dat eiseres en de Gemeenschappelijke Regeling twee verschillende rechtspersonen zijn met ieder hun eigen loonheffingsnummer en aansluitnummer bij verweerder.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Dit betekent dat voor de rechtbank vast staat dat verweerder de loonsanctie in het primaire besluit I niet heeft opgelegd aan eiseres. Om die reden is eiseres evenmin aan te merken als belanghebbende bij dat besluit. Nu eiseres wel bezwaar heeft gemaakt, had het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Verweerder heeft dit niet onderkend.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep UTR 17/251 is gegrond en het bestreden besluit I dient te worden vernietigd. </para>
    <para />
    <para>6. Omdat de termijn waarbinnen een loonsanctie aan eiseres kon worden opgelegd is verstreken kan verweerder het gebrek in zijn besluit niet meer herstellen. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk zal verklaren.</para>
    <para />
    <para>7. Het voorgaande betekent dat geen loonsanctiebesluit aan eiseres is opgelegd, waardoor eiseres eveneens geen belang heeft bij een procedure over een besluit tot bekorting van de niet aan haar opgelegde loonsanctie. Het bezwaar tegen de weigering de loonsanctie te bekorten had daarom eveneens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>8. Het beroep UTR 17/4036 is daarom ook gegrond en het bestreden besluit II dient eveneens te worden vernietigd. Ook hier ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk zal verklaren.</para>
    <para />
    <para>9. Omdat de rechtbank de beide beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten vergoedt. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de procedure UTR 17/251, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de procedure UTR 17/4036, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>