<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2017:4663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-18T14:34:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 16/4962</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:4663">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:4663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-18T14:33:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2017:4663 Rechtbank Midden-Nederland , 13-09-2017 / UTR 16/4962</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2017:4663:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vertrouwelijke informatie van verweerder aan derden heeft verstrekt.</para>
        <para>Dit levert ernstig plichtsverzuim op dat het strafontslag kan dragen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2017:4663:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 16/4962</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] , te [woonplaats] , eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W.G.H. van de Wetering),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Dagelijks Bestuur van de BEL Combinatie, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.S.C. Liebrand).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 maart 2016 (primair besluit) heeft verweerder eiser wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag met onmiddellijke ingang verleend, primair met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) en subsidiair met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting waren namens verweerder tevens aanwezig [A] en [B] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om kopieën van de bijlagen C en D van het rapport van BDO Investigations B.V. (BDO) van 11 april 2014 (BDO-rapport) aan de rechtbank te doen toekomen. Van deze gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Een van deze kopieën heeft de rechtbank aan eiser doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek op 28 juli 2017 gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser is op 13 april 2009 bij verweerder in dienst getreden in de functie van coördinator invordering en daarbij is hij tevens als onbezoldigd ambtenaar in de functie van specialist invordering aangesteld. Met ingang van 13 april 2010 is eiser in vaste dienst aangesteld in de functie van specialist invordering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In 2012 en 2013 heeft eiser namens verweerder drie overeenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) De Incassoprofessionals B.V. (IP). <?linebreak?>Op 20 december 2013 heeft een gesprek tussen eiser en de heer [C] , afdelingsmanager ( [C] ), plaatsgevonden over vorenbedoelde door eiser met IP gesloten en ondertekende overeenkomsten. <?linebreak?>Bij e-mailbericht van 24 december 2013 is aan het team Invordering, waarvan eiser op dat moment deel uitmaakte, een contactverbod met (medewerkers van) IP opgelegd. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Schorsing en BDO-onderzoek </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 2 januari 2014 heeft verweerder als ordemaatregel en in het belang van de dienst eiser met onmiddellijke ingang geschorst in verband met een nader onderzoek naar de samenwerking tussen eiser en IP.<?linebreak?>Op 10 januari 2014 heeft verweerder aan BDO de opdracht gegeven een onafhankelijk feitenonderzoek uit te voeren. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het BDO‑rapport. Op 17 april 2014 heeft eiser een exemplaar van dit rapport ontvangen. <?linebreak?>Hangende het onderzoek is eisers schorsing bij verschillende besluiten verlengd tot 1 april 2015. In het verlengingsbesluit van 23 mei 2014 is eiser meegedeeld dat er een aanvullend onderzoek wordt ingesteld naar het ‘lekken van vertrouwelijke informatie’. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aangifte en onderzoek Rijksrecherche</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>In het kader van een civielrechtelijke procedure tussen verweerder en IP heeft IP op 13 mei 2014 een “Conclusie van antwoord in het incident” (CvA) ingediend, waarin vertrouwelijke informatie van verweerder is opgenomen en waarbij vertrouwelijke stukken van verweerder zijn gevoegd. <?linebreak?>Op 21 juli 2014 heeft verweerder aangifte gedaan van onder andere schending van het ambts dan wel beroepsgeheim tegen een onbekende verdachte die IP in het bezit heeft gesteld van vertrouwelijke stukken. Naar aanleiding van deze aangifte is de Rijksrecherche onder leiding van een Officier van Justitie (OvJ) op 25 augustus 2014 een opsporingsonderzoek gestart. Gaandeweg het opsporingsonderzoek zijn er verdenkingen tegen onder anderen eiser gerezen. <?linebreak?>Bij brief van 12 juni 2015 heeft de OvJ op verzoek verweerder in het bezit gesteld van het zogenaamde “loop proces‑verbaal” van verbalisant [verbalisant] (loop proces‑verbaal), waarin bepaalde bevindingen uit het opsporingsonderzoek zijn neergelegd. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Strafrechtelijke veroordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij vonnis van deze rechtbank van 15 maart 2016 (strafvonnis) is eiser strafrechtelijk veroordeeld wegens de opzettelijke schending van een ambtsgeheim.  In dit strafvonnis heeft de rechtbank de door haar gebruikte bewijsmiddelen weergegeven.<?linebreak?>Bij arrest van 30 december 2016 heeft het Gerechtshof te Arnhem het voormelde strafvonnis met aanvulling van de bewijsoverwegingen in stand gelaten. Op 2 januari 2017 is eiser van het arrest in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het strafontslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat verweerder eiser in de kern verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim bestaande uit:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het onbevoegd en in strijd met wet- en regelgeving aangaan van drie overeenkomsten met IP;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verstrekken van vertrouwelijke informatie aan IP, waaronder onder meer het concept besloten Besluitenlijst Dagelijks bestuur van 7+9 april 2014 (in de vorm van foto’s van een computerscherm; DB-verslag) en het BDO-rapport; en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het niet houden aan het opgelegde contactverbod met (medewerkers van) IP. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>Het geheel van voormelde gedragingen en de gedraging als vermeld onder b. heeft verweerder aangemerkt als zeer ernstig plichtverzuim. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat dit plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend. Gezien dit zeer ernstig plichtsverzuim heeft verweerder bij het primaire besluit eiser de disciplinaire straf van ontslag met onmiddellijke ingang verleend, die verweerder gezien de aard, de ernst, en de omvang van de door hem geconstateerde gedragingen evenredig acht. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.</para>
      <para />
      <para>3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gelden in het ambtenarenrechtelijk tuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens. Voorts moet vaststaan dat de verweten gedraging kan worden aangemerkt als plichtsverzuim, moet het plichtsverzuim de betrokken ambtenaar zijn toe te rekenen en moet de opgelegde straf evenredig zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Zie in dit verband de uitspraken van de CRvB van respectievelijk 5 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1663), 19 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2091) en 11 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4155). </para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank beoordeelt hieronder eerst of eiser de aan hem verweten gedraging, bestaande uit het verstrekken van het BDO-rapport en het DB-verslag aan IP, heeft begaan en of deze gedraging als plichtsverzuim is aan te merken.</para>
      <para />
      <para>5. Eiser heeft betwist dat hij het BDO-rapport en het DB-verslag aan IP heeft verstrekt, nu hij niet over het DB-verslag heeft beschikt en hij op het moment waarop IP gebruik heeft gemaakt van het BDO-rapport nog niet over dit rapport kon beschikken.</para>
      <para />
      <para>6. Ten bewijze van de stelling dat eiser het BDO-rapport en het DB-verslag aan IP heeft verstrekt heeft verweerder in het primaire besluit verwezen naar:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het feit dat het DB-verslag als productie 2 bij de CvA was gevoegd en dat in de CvA informatie was opgenomen die alleen in het BDO-rapport staat; en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bevindingen uit het opsporingsonderzoek van de Rijksrecherche, waaronder de inhoud van opgenomen telefoongesprekken tussen eiser en een van de bestuurders van IP, te weten de heer [D] ( [D] ), op onder meer 22 februari 2015 en 4 maart 2015. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder ten bewijze van voormelde stelling ook naar het strafvonnis verwezen.</para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank stelt vast dat hetgeen in 6., onder a. staat tussen partijen niet in geschil is.</para>
      <para />
      <para>8. De rechtbank is van oordeel dat eisers stelling dat verweerder zich niet mede op het strafvonnis heeft mogen baseren, faalt. Ter motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2091).<?linebreak?>De rechtbank leidt uit het strafvonnis, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen zoals ter zitting aan partijen is medegedeeld, af dat mevrouw [E] ( [E] ), voormalig leidinggevende van eiser, op 3 maart 2015 heeft verklaard dat zij toegang had tot de map waarin het DB-verslag digitaalwas opgeslagen en dat zij met haar iPhone foto’s van het DB‑verslag heeft gemaakt zoals dat op het computerscherm zichtbaar was.<?linebreak?></para>
      <para>9. De rechtbank stelt voorts vast dat in het loop proces-verbaal dat deel uitmaakt van de gedingstukken, voor zover relevant, het volgende over de opgenomen telefoongesprekken tussen eiser en [D] staat: </para>
      <para>“Uit aldus opgenomen telecommunicatie van telefoonnummer […], de datum 22-02-2015 […] tussen verdachte [eiser] (H) en [D] (B) blijkt het volgende34:</para>
      <parablock>
        <para> <emphasis role="italic">[…]</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">B: “.. ze weten ook dat wij </emphasis><emphasis role="underline italic">het ontvangen hebben, want wij hebben het ingebracht</emphasis><emphasis role="italic">…” </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]</para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">B: ” Haar, eh het was haar te beschikking gesteld, doordat ze gewoon kon inloggen.</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ja..ja. Zij is niet, ….dan hadden ze haar moeten afsluiten. Dan, dan is het een misdrijf.”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Dan is het een misdrijf. Maar het was geen misdrijf, want…….,haar is toegang verleend tot deze </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">stukken </emphasis>[onderstreping door de rechtbank] <emphasis role="italic">..nou eh… dus op het moment </emphasis><emphasis role="underline italic">dat ze het aan jou geeft </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]<emphasis role="italic">, weet jij, ja maar, dus zij heeft daar geen misdrijf voor hoeven plegen. </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ja.”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “… </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">en vervolgens heb jij dat doorgezet naar ons </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]<emphasis role="italic">.”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ja…”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “En ik wist ook niet beter dan dat zij gewoon toegang had, want dat heb jij mij verteld. Snap je… en daardoor..zouden we daarmee, met dat verhaal de dans kunnen, kunnen, kunnen, hoe noem je dat? De dans kunnen ……”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Hmm,”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “ja je weet het wel, wat ik bedoel, ontspringen.”35</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En verder….</para>
      </parablock>
      <para />
      <para> En verder zegt [D] tegen [eiser] : <emphasis role="italic">B: Kijk…en dat zal misschien voor jullie wel aan de orde komen… dat je, dat je, dat je, eh, </emphasis><emphasis role="underline italic">vertrouwelijke stukken. Waar vertrouwelijk op stond </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]<emphasis role="italic">, voor zover het dan vertrouwelijk was. Maar het waren </emphasis><emphasis role="underline italic">dus persoonlijke stukken van de BDO </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]<emphasis role="italic"> (fonetisch)aan twaalf anderen verstrekt.</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: ja. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: .</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Dat jij, dat jij die bijvoorbeeld niet had mogen verstrekken </emphasis>[onderstreping door de rechtbank] <emphasis role="italic">…dan denk ik van , ja ja ik weet niet of een rechter daar zo zwaar aan gaat tillen, […]</emphasis></para>
      </parablock>
      <para> <emphasis role="italic">B: […]</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat bevestigd ook het feit dat zij niet, niet eh computer, eh eh, breuk gepleegd heeft. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: Zij kon er gewoon op, op die site op. En als jij daar op die managementsite kunt, dan wil dat zeggen dat het voor jou open staat. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: ja, het enige is…als ik het doorstuur naar jullie dan eh, dat is dan, eh. dan weet je dat ……</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: Nee, nee, maar goed, zij heeft het aan iemand verstrekt en dan en dan, het is niet door een misdrijf verkregen […]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para> Op een gegeven moment is een vrouwenstem hoorbaar op de achtergrond. Zij vraagt: <emphasis role="italic">“Met welk nummer belt hij op?” </emphasis>Waarop [eiser] antwoord: <emphasis role="italic">”Hij belt met een ander nummer.</emphasis> […] Hierop antwoord [D] : <emphasis role="italic">“Nee, nee, nee, nee… ik heb een prepaid gekocht.”</emphasis> [eiser] antwoord vervolgens: <emphasis role="italic">“Oh, een prepaid is het, ok …nog beter.”</emphasis></para>
      <para>[…]</para>
      <para> Verder blijkt uit die opgenomen telecommunicatie dat: </para>
      <para>[…]</para>
      <para> <emphasis role="italic">H: “Ja. Voordeel is dat we hebben wel contact gehad via de mail maar verder niets ……”</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Ja, [eiser] , </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">al die stukken </emphasis>[onderstreping door de rechtbank] <emphasis role="italic">zijn via de mail gegaan he”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Welke stukken?”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “het… het..”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “nee het </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">rapport </emphasis>[onderstreping door de rechtbank] <emphasis role="italic">niet??”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Jawel, de eerste keer via dinge eh.. via WEtransfer.”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “ja, is ook zo, ja” </emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit aldus opgenomen telecommunicatie van telefoonnummer […] de datum 04-03-2015 te […] tussen verdachte [eiser] (H) en [D] (B) blijkt37:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ja, en ambtenaar X38 heeft verklaring afgelegd dat zij </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">de foto’s heeft gemaakt van het scherm </emphasis>[onderstreping door de rechtbank]<emphasis role="italic">.”</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Ze is doorgezakt?”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ja.”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Door het ijs gegaan. En eh… </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">heeft ze ook gezegd dat ze die naar jou gestuurd heeft</emphasis>
          <emphasis role="italic">?”</emphasis> [onderstreping door de rechtbank]</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Nee”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Dus ze weten dat zij het heeft gedaan maar ze weten niet wat ze er mee gedaan heeft?”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H: “Ze weten dat zij het heeft gedaan. Ze weten dat ik tussen 7 en 9 april meerdere malen contact heb gehad met jou, met [F] en met haar.”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">B: “Ja…”</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">H:” Dus eh ... ze vermoeden inderdaad wel dat ik dat gedaan heb.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van hetgeen onder 7. tot en met 9. staat, heeft kunnen vaststellen dat eiser het BDO-rapport en het DB-verslag aan IP heeft verstrekt, die IP voor het opstellen van de op 13 mei 2014 ingediende CvA heeft gebruikt. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser in zijn bezwaarschrift, onder 3.4. schriftelijk heeft verklaard dat hij op 17 april 2014 een exemplaar van het BDO-rapport heeft ontvangen. Verder blijkt uit de verklaring van [E] van 3 maart 2015 en de opgenomen telefoongesprekken tussen eiser en [D] van 4 maart 2015 dat [E] foto’s van het DB-verslag heeft gemaakt, dit naar eiser heeft gestuurd en dat eiser dit vervolgens aan IP heeft verstrekt. Tot slot blijkt uit de bevindingen van het opsporingsonderzoek van de Rijksrecherche dat zowel tussen de bestuurders van IP, onder wie [D] en [F] , en eiser als tussen eiser en [E] in de periode van 7 april 2014 tot en met 17 april 2014 veelvuldig telefonisch contact is geweest. </para>
      <para>Gelet op het voormelde verwerpt de rechtbank dan ook eisers stelling, dat hij tot het moment waarop IP de CvA heeft ingediend niet over het BDO-rapport en het DB-verslag heeft kunnen beschikken.</para>
      <para />
      <para>11. Voorts stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat het BDO-rapport en het DB-verslag naar hun aard vertrouwelijke stukken zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>12. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser door het verstrekken van het BDO-rapport en het DB-verslag aan PI, niet alleen in strijd heeft gehandeld met artikel 15:1 van de CAR/UWO maar ook met artikel 125a, derde lid, onder a, van de Ambtenarenwet. Dit plichtsverzuim heeft verweerder terecht aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. </para>
        <para>12. De rechtbank is niet gebleken van een situatie waarin het zeer ernstig plichtsverzuim eiser niet kan worden toegerekend. Eiser heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het verstrekken van vertrouwelijke informatie van verweerder aan IP hem niet valt toe te rekenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>14. Verweerder was, gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld, bevoegd om eiser op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO de disciplinaire straf van ontslag te verlenen. Gesteld noch gebleken is dat het ontslag onevenredig is aan het hiervoor geconstateerde plichtsverzuim.</para>
      <para />
      <para>15. Nu het verstrekken van vertrouwelijke informatie van verweerder aan IP, dat als zeer ernstig plichtsverzuim dient te worden aangemerkt, de verleende disciplinaire straf van ontslag reeds kan dragen, behoeven de overige aan eiser verweten gedragingen en hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd geen bespreking. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 15 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4946).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het ontslag op andere grond</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>16.  Nu de primaire grondslag van het verleende ontslag stand houdt, behoeft de subsidiaire grondslag en hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd evenmin bespreking. </para>
      <para />
      <para>17. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is. </para>
      <para />
      <para>18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzitter, en mr. S.G.M. Buys en <?linebreak?>mr. E.E.M van Abbe, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>