<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2017:1991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:24:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/406894 / HA ZA 16-2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenbeschikking">Tussenbeschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/2537</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:1991">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:1991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-15T08:53:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2017:1991 Rechtbank Midden-Nederland , 26-04-2017 / C/16/406894 / HA ZA 16-2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2017:1991:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenwerkingsverband tussen drie zelfstandige klusjesmannen A,B en C, waarbij B en C aan opdrachtgevers factureerden en de opbrengst onder hen drieën verdeelden na ontvangst van betaling door een opdrachtgever, onder aftrek van namens A, B en C gemaakte kosten. A had dus steeds een vordering op B en C onder de opschortende voorwaarde van betaling door of namens de opdrachtgever. A moet zich voor één opdracht bij akte uitlaten over de vraag of door of namens de opdrachtgever is betaald aan B en C.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2017:1991:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8128cf84-6cff-4855-911d-4897d047a2d2" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="eb438325-1dfb-410f-bdf9-c84a4473c6ba" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/16/406894 / HA ZA 16-2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 april 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. E.R. Jonkman te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde sub 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat aanvankelijk mr. H. Kroon te Hilversum, thans zonder advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 18 januari 2017</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [eiser] van 15 februari 2017.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Kort voordat in deze zaak de comparitie zou plaatsvinden (9 november 2016) heeft mr. Kroon zich als advocaat van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] onttrokken. Hierna heeft zich schriftelijk bij de rechtbank gemeld oud-advocaat mr. [X] (hierna: mr. [X] ), met de mededeling dat hij optreedt als gemachtigde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en dat hij zou proberen een nieuwe advocaat voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] te vinden. De zaak is toen aangehouden tot 4 januari 2017 voor het stellen van een nieuwe advocaat. </para>
        <para>Op 4 januari 2017 heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 2] is de vader van [gedaagde sub 1] . [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn ieder werkzaam geweest als zelfstandig klusjesman. Zij hebben jarenlang samengewerkt (hierna: het samenwerkingsverband). Daarbij verzorgde [gedaagde sub 1] de offertes aan potentiële opdrachtgevers en schakelde als dat nodig was onderaannemers in. Voor zover in verband met een opdracht materialen moesten worden aangeschaft, kocht [gedaagde sub 2] deze in. Dakreparaties en onderhoudswerkzaamheden werden gezamenlijk uitgevoerd door [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Voor zover werkzaamheden aan opdrachtgevers werden gefactureerd, werden de facturen gemaakt en verstuurd door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . Contante betalingen van opdrachtgevers werden in ontvangst genomen door [gedaagde sub 1] /of [gedaagde sub 2] . Van elke opdracht werd de opbrengst na aftrek van de kosten door hen drieën gedeeld. Naast verdeling van de netto-opbrengst in contanten kwam het ook voor dat [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden behorend bij een opdracht een factuur stuurde aan [gedaagde sub 1] . Die facturen werden afwisselend betaald door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn gezamenlijk eigenaar van een aantal zaken die zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden hebben gebruikt, zoals aanhangwagens, luchtcompressors, aggregaten, steigers en dergelijke (hierna: de gemeenschappelijke materialen).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Mede namens [eiser] en [gedaagde sub 2] heeft [gedaagde sub 1] op 11 oktober 2010 een schriftelijke offerte uitgebracht aan mevrouw [Y] (hierna: [Y] ), woonachtig aan de [straatnaam] in [woonplaats] (hierna: de woning van [Y] ). In deze offerte is aangeboden om een aantal werkzaamheden uit te voeren tegen een prijs van € 142.000 inclusief btw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In 2011 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] werkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [Y] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In 2012 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] werkzaamheden uitgevoerd aan de [straatnaam] in [woonplaats] , de [straatnaam] in [woonplaats] en de [straatnaam] in [woonplaats] (hierna: de werkzaamheden uit 2012).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In mei 2013 is [eiser] gestopt met zijn werkzaamheden als klusjesman.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Op 5 september 2013 heeft [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden aan de woning van [Y] een factuur gestuurd aan [gedaagde sub 1] voor een bedrag van € 15.000 inclusief btw, met een betalingstermijn van 14 dagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Op 5 september 2013 heeft [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden uit 2012 een factuur gestuurd en [gedaagde sub 1] voor een bedrag van € 5.000 inclusief btw, met een betalingstermijn van 14 dagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>In een brief van [gedaagde sub 1] aan de advocaat van [eiser] van </para>
        <para>14 juli 2014 (hierna: de brief van 14 juli 2014) staat dat het (1/3) aandeel van [eiser] in de gemeenschappelijke materialen op dat moment € 7.213 waard was. Ook staat in deze brief dat [eiser] diverse kosten, waaronder kosten voor de werkzaamheden aan de woning van [Y] , moet betalen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>In een document gedateerd 16 november 2015, met als titel ‘schuldverklaring’, staat dat de heer [Z] (hierna: [Z] ), woonachtig in [woonplaats] , Zwitserland, de echtgenoot is van [Y] , dat [Y] voor de werkzaamheden aan haar woning een restschuld heeft van € 135.000 aan ‘ [bedrijfsnaam] ’ en dat [Z] dat bedrag voor [Y] in één keer of in termijnen zal betalen zodra hij daartoe, vanwege nakoming van derden jegens hem, in staat is. Dit document is, behalve door [Z] , ook ‘ter legalisatie’ en ‘voor ondersteuning’ ondertekend door mr. [X] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij brief van 2 januari 2017 aan de rechtbank heeft mr. [X] meegedeeld dat het hem nog niet was gelukt een nieuwe advocaat te vinden voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Ook staat in deze brief :</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>‘[…] 3. Het is mij bekend, dat [Z] op 23 december onderweg was en vanwege gelijktijdige lekkage van twee voorbanden van zijn Mercedes, in een probleem terechtkwam met noodzaak tot terugkeer naar [woonplaats] Zwitserland. 4. Hij heeft mij laten weten dit ongeluk te hebben overleefd, in dank daarvoor, en komende week naar Nederland te zullen afreizen met de geldmiddelen die [achternaam] in diens garantie van € 15.000 jegens [eiser] behoeft. […]’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert na eiswijziging  samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>tot betaling aan [eiser] van € 20.000 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente hierover met ingang van 20 september 2013</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>primair tot betaling van € 7.213 aan [eiser] als vergoeding voor de waarde van zijn aandeel in de gemeenschappelijke materialen, subsidiair tot medewerking aan de verdeling van die gemeenschap van goederen, zodanig dat [eiser] materialen ontvangt met een totale waarde van zijn aandeel in die gemeenschap, of dat hij een geldbedrag ontvangt ter hoogte van de waarde van zijn aandeel in die gemeenschap</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot vergoeding van de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente als niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan vordering onder a) legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hun verplichting om na na het verrichten van werkzaamheden tussen hen drieën af te rekenen, moeten nakomen. Aan vordering b) legt [eiser] ten grondslag zijn recht tot het vorderen van verdeling van een gemeenschap van goederen op grond van artikel 3:178 BW.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in vordering a) en tot aanhouding van de zaak wat betreft vordering b), in afwachting van een comparitie, mediation of een schikking, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Met betrekking tot de vordering van [eiser] van € 20.000 betogen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] het volgende. Voor het opeisbaar worden van een vordering van [eiser] op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] is het noodzakelijk dat zij voldoende bij de opdrachtgever kunnen incasseren, zoals dat in het verleden ook gebeurde. Voor de werkzaamheden aan haar woning moet [Y] nog </para>
        <para>€ 135.000 betalen, zodat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van € 15.000, onder de opschortende voorwaarde dat de openstaande schuld van [Y] aan hen wordt voldaan. De vordering van [eiser] ter hoogte van € 5.000 voor de werkzaamheden uit 2012 is opeisbaar. Voor zover wordt aangenomen dat de hele vordering van € 20.000 opeisbaar is beroepen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich op verrekening in verband met een hogere vordering op [eiser] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vordering van [eiser] van € 5.000 is door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] erkend. Gelet op de betalingstermijn die is vermeld op de daarop betrekking hebbende factuur (zie 2.8), is deze vordering opeisbaar geworden op 20 september 2013.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Wat betreft de vordering van [eiser] van € 15.000 voor zijn aandeel in de werkzaamheden aan de woning van [Y] gaat het om de vraag of deze opeisbaar is. De rechtbank gaat ervan uit dat er niet voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een verplichting is ontstaan tot betaling aan [eiser] , zodra het samenwerkingsverband een opdracht voor een klant had afgerond. [eiser] was namelijk niet in loondienst bij [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] en er was ook geen sprake van dat [eiser] recht had op voorschotten, ook al heeft hij mogelijk een of meer voorschotten gekregen. [eiser] kreeg dus in alle gevallen pas een recht op betaling nadat [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] een (deel)betaling van een opdrachtgever had ontvangen, onder aftrek van zijn aandeel in de kosten van het samenwerkingsverband. Zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] heeft in het verleden facturen van [eiser] betaald en zij hebben ook niet betwist dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van [eiser] . Na de afronding van de werkzaamheden aan de woning van [Y] heeft [eiser] dus een vordering op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gekregen, onder de opschortende voorwaarde van betaling door of namens [Y] aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van (een deel van de) de aanneemsom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit de brief van mr. [X] van 2 januari 2017 (zie 2.11), bezien in samenhang met het door [Z] op 16 november 2015 ondertekende document (zie 2.10), kan worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [Z] kort na 2 januari 2017 naar Nederland zou komen met geld, kennelijk in contanten, om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] te betalen ter voldoening van de schuld van [Y] . Als dit is gebeurd is daarmee de aan het slot van 4.2 bedoelde opschortende voorwaarde in vervulling gegaan en is de vordering van € 15.000 van [eiser] op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] opeisbaar geworden. Of betaling aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] door of namens [Y] heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank echter op grond van de stellingen van partijen op dit moment niet aannemen. In verband hiermee zal [eiser] zich bij akte mogen uitlaten over de vraag of de opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan. Aangezien [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen advocaat meer hebben zullen zij hierna geen antwoordakte mogen nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">5.	De beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">10 mei 2017</emphasis> voor het nemen van een akte door [eiser] over de vraag of de opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan (zie 4.3), waarna [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] <emphasis role="bold">niet</emphasis> in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte in te dienen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>houdt alle overige beslissingen aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.<footnote-ref linkend="_4fa5454c-8896-4ea4-abb0-a9aadbdcf43a" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_4fa5454c-8896-4ea4-abb0-a9aadbdcf43a" label="1">
    <para>type: JvdB/4223</para>
    <para>coll: RS/4234</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>