<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2016:7753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-08-08T15:49:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16.706152.16 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:7753">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:7753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-08-08T15:48:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2016:7753 Rechtbank Midden-Nederland , 22-11-2016 / 16.706152.16 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2016:7753:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming na handel in cocaïne en heroïne. Gezien de verklaring van verdachte geen aanleiding om op het verdiende bedrag kosten in mindering te brengen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2016:7753:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Strafrecht</para>
      <para>Zittingslocatie Lelystad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16.706152.16 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>beslissing van de rechtbank van 22 november 2016</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de ontnemingszaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [1986] te [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende te [adres] [woonplaats],</para>
      <para>thans verblijvende in de PI Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016, waarbij zijn gehoord:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>mr. M.A. Hoogendam, officier van justitie;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>mr. I. Raterman, advocaat te Amsterdam,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [verdachte] voornoemd.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door [brigadier], brigadier van politie Midden-Nederland;</para>
    <para>- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 8 november 2016 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16.706152.16;</para>
    <para>- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16.706152.16.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft [verdachte] in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16.706152.16 bij vonnis van 8 november 2016 veroordeeld ter zake: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft bij vordering van 7 september 2016 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [verdachte] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 19.967,40. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 oktober 2016 haar vordering gewijzigd in die zin dat zij mondeling te kennen heeft gegeven dat het wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat op een bedrag van € 1.680,-. De rechtbank constateert overigens dat op de door de officier van justitie ter terechtzitting schriftelijk overgelegde vordering  een wederrechtelijk verkregen wordt genoemd van € 16.080,-.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van [verdachte] heeft de vordering bestreden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de ontnemingsvordering is gegrond op getuigenverklaringen die onbetrouwbaar zijn. Het ontnemingsbedrag dient daarom te worden gematigd conform de verklaring van [verdachte], die heeft verklaard dat hij € 700,- tot € 800,- per maand verdiende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Dat [verdachte] van 9 augustus 2014 tot en met 28 juni 2016 in cocaïne en heroïne heeft gehandeld blijkt uit voormeld vonnis en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in voormeld vonnis opgenomen bewijsmiddelen het oordeel dat aannemelijk is dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde feit, althans uit een ander, soortgelijk strafbaar feit, wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit de rechtbank aan bij de verklaring van [verdachte] dat hij een bedrag van € 700,- per maand verdiende met het dealen van voornoemde drugs. [verdachte] heeft verklaard dat hij voor de drugs die hij dealde geen kosten hoefde te maken, omdat hij dealde voor iemand anders van wie hij de drugs geleverd kreeg. Gezien de verklaring van [verdachte] ziet de rechtbank geen aanleiding om op het verdiende bedrag kosten in mindering te brengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de periode van 9 augustus 2014 tot en met 28 juni 2016 ruim tweeëntwintig maanden beslaat, is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat het door [verdachte] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 15.400,- en dat de vordering van de officier van justitie voor het overige moet worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet op basis van de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige financiële omstandigheden van [verdachte] geen aanleiding om dit ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag te matigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op </para>
    <para>€ 15.400,-;</para>
    <para />
    <para>- legt aan [verdachte] de verplichting op om terzake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 15.400,-;</para>
    <para />
    <para>- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>