<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2016:1009</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-29T11:22:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07.662454-11  (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2019:3434" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:3434</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:1009">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:1009</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-29T13:30:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2016:1009 Rechtbank Midden-Nederland , 22-01-2016 / 07.662454-11  (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2016:1009:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toegewezen ontnemingsvordering van € 154.903,99.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2016:1009:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Strafrecht</para>
      <para>Zittingslocatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 07.662454-11  (P)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2016 </emphasis>gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren [1967] te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 en 23 juni 2015 en 11 december 2015. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E.E.G. Duijts en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 september 2012, opgemaakt door [A] , brigadier van Politie Flevoland, en [B] , inspecteur van Politie Flevoland, respectievelijk financieel rechercheur en financieel deskundige bij de Financiële Recherche Dienst van Politie Flevoland (hierna te noemen: het rapport van 18 september 2012);</para>
    <para>- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 16 februari 2015 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07.662454-11;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.662454-11;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een Nadere conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015, met bijlagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een mail van officier van justitie mr. E.E.G. Duijts van 10 december 2015, met bijlagen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft bij vordering van 29 oktober 2012 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid (de rechtbank begrijpt: <emphasis role="italic">vijfde</emphasis> lid) van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, geschat op een bedrag van € 197.447,05. Dit bedrag is gebaseerd op:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een contante geldstroom van € 177.507,13, berekend op basis van een eenvoudige kasopstelling;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een girale geldstroom van € 14.939,92 aan (gefingeerde) inkomsten uit een fictief dienstverband;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 5.000,-- aan contant geld ten aanzien waarvan [veroordeelde] aangifte van diefstal heeft gedaan.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Naar aanleiding van het vonnis van 16 februari 2015 heeft de officier van justitie het bedrag waarvan zij vordert aan [veroordeelde] een betalingsverplichting op te leggen verminderd met de bij vonnis van 16 februari 2015 verbeurdverklaarde banksaldi van in totaal € 33.558,06 en de opbrengst na verkoop van de bij voormeld vonnis verbeurdverklaarde Smart Fortwo van       € 3.985,--, op welke bedragen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontneming. Aldus vordert zij het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 197.447,05 en een betalingsverplichting op te leggen tot een bedrag van    € 159.903,94. De officier van justitie heeft tevens gevorderd wettelijke rente toe te wijzen tot een bedrag van € 299,80.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
        </para>
        <para>Van het door de officier van justitie gevorderde bedrag is een gedeelte van € 85.970,78 niet wederrechtelijk verkregen en dit bedrag dient daarom op de vordering in mindering te worden gebracht.</para>
        <para>De eenvoudige kasopstelling is op meerdere punten onjuist. [veroordeelde] handelde in auto’s en verdiende daar geld mee. Deze handel vond plaats in contanten en daardoor beschikte hij over een contante geldstroom. Het feit dat [veroordeelde] nooit gewend is geweest een boekhouding bij te houden en te bewaren mag niet leiden tot een ontnemingsvordering. Een aantal voertuigen zijn weliswaar door [veroordeelde] gekocht en/of verkocht, maar deze aan- of verkoop heeft plaatsgevonden ten behoeve van vrienden en voor rekening van deze vrienden. [veroordeelde] beschikte voorts over contante gelden doordat hij geld had geleend van een vriend in Engeland. Daarnaast heeft hij gedurende langere tijd geen woonlasten gehad omdat hij in een sloopwoning heeft gewoond en heeft hij bij het verlaten van deze woning een sloopvergoeding op zijn bankrekening gestort gekregen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07.662454-11 bij vonnis van 16 februari 2015 kort gezegd veroordeeld ter zake van: </para>
        <para>Feit 1.: (<emphasis role="italic">medeplegen van) gewoontewitwassen van een (gefingeerd) inkomen en van voertuigen.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan de inhoud van het vonnis en de daarin opgenomen bewijsmiddelen en uit hetgeen bij de behandeling ter zitting van 11 december 2015 naar voren is gebracht, ontleent de rechtbank het oordeel dat aannemelijk is dat [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op grond van de navolgende feiten en omstandigheden die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend.<footnote-ref linkend="_a8af54b4-9bcd-4307-bee8-7f8ac885816e" /> Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zullen achtereenvolgens worden besproken de eenvoudige kasopstelling, de (gefingeerde) inkomsten uit een fictief dienstverband en het contante geldbedrag waarvan aangifte van diefstal is gedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Eenvoudige kasopstelling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het dossier bevindt zich een eenvoudige kasopstelling, opgesteld door drs. [C] RA, werkzaam bij Belastingdienst Amsterdam.<footnote-ref linkend="_6991b738-cda0-43b6-ad2a-32c38518895a" /> De in de kasopstelling opgenomen contante ontvangsten en uitgaven zien voor een groot deel op aan- en verkoop van voertuigen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het vonnis van 16 februari 2015 volgt dat [veroordeelde] slechts een gering inkomen uit bekende legale bron had<footnote-ref linkend="_d8cb1d09-1a56-4925-8fff-25f663c3a30e" /> en dat dit inkomen noch in verhouding stond tot het aantal kentekens dat hij op naam heeft gehad noch tot de uitgaven die hij zich kennelijk kon veroorloven in verband met de aankoop van die voertuigen.<footnote-ref linkend="_5d93fab7-9716-4301-a45e-59fa426ff232" /> Voorts is niet gebleken van enig bekend legaal vermogen waarover hij kon beschikken.<footnote-ref linkend="_20c9d8a9-e87e-46ee-9ec5-03df5cbf2f26" /> Geconcludeerd is dat het niet anders kan dan dat de voertuigen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat [veroordeelde] dit ook wist; immers heeft hij een groot aantal voertuigen aangeschaft zonder dat hij over bekende legale middelen kon beschikken om deze aan te schaffen.<footnote-ref linkend="_916278f6-47b6-4cb7-bfa1-f6100379d461" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kasopstelling van [C] is als volgt opgebouwd:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beginsaldo contant geld </emphasis>				         -	 	        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ontvangsten </emphasis>
        </para>
        <para>Legale contante ontvangsten incl. bankopnames		         -</para>
        <para>Contante opnamen	€   37.614,05	 </para>
        <para>Eindsaldo contant geld	<emphasis role="underline">€        240,--   -/- </emphasis></para>
        <para>Beschikbaar voor het doen van uitgaven	€   37.374,05	</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Werkelijke contante uitgaven</emphasis>
        </para>
        <para>Contante stortingen 	€  103.098,30	 </para>
        <para>Contante uitgaven	<emphasis role="underline">€  118.167,06  + </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">€  221.265,36  -/- </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>	€  183.891,31	</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze kasopstelling is gebaseerd op de volgende gegevens.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontvangsten</emphasis>
        </para>
        <para>Blijkens een overzicht van ontvangsten en uitgaven in de periode 3 januari 2002 tot en met 19 december 2011 is een bedrag van € 37.614,05 contant opgenomen van bankrekeningen.<footnote-ref linkend="_0adb0716-e0e0-409d-a72e-e7614485f4aa" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij een doorzoeking in de woning van [veroordeelde] aan de [adres] te [woonplaats] op 31 oktober 2011 is een contant geldbedrag van € 240,-- inbeslaggenomen.<footnote-ref linkend="_4721438b-3e08-4771-a11b-196596b64099" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgaven </emphasis>
        </para>
        <para>Uit voornoemd overzicht van ontvangsten en uitgaven in de periode 3 januari 2002 tot en met 19 december 2011 blijkt dat een bedrag van € 103.098,30 contant is gestort op bankrekeningen.<footnote-ref linkend="_b3589f42-0592-499e-953f-875ebbb89152" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts is een overzicht opgesteld van contante betalingen (uitgaven) en ontvangsten van    [veroordeelde] in de periode 27 oktober 2004 tot en met 31 januari 2012. In dit overzicht zijn als transacties opgenomen:</para>
      </parablock>
      <para>- betalingen aan auto- en motorenbedrijven;<footnote-ref linkend="_bf3d58df-683c-457d-ad7c-4d7349683c5e" /></para>
      <para>- registraties van contante betalingen aan de Belastingdienst;<footnote-ref linkend="_01e1277d-6aa2-4d8f-a2e6-d82617341aec" /></para>
      <para>- money-transfers via Western Union;<footnote-ref linkend="_6f2e7d0b-1983-4a67-a66a-07c5defb064e" /></para>
      <para>- contante stortingen bij het postkantoor;<footnote-ref linkend="_9cc8e0be-3d91-43b5-9a3a-d568a98a1c0e" /></para>
      <para>- een overboeking bij Goffin Change, bekend vanwege een MOT-melding.<footnote-ref linkend="_7d82d1c2-461d-4e51-8fc0-59ebc1c918a5" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verschil tussen het totaal aan contante uitgaven van € 263.267,91 en het totaal aan contante ontvangsten van € 145.100,85 is berekend op een bedrag van € 118.167,06.<footnote-ref linkend="_adc2e308-3b61-456f-a50f-bfa04d3bc873" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Correctie op de kasopstelling van [C]</emphasis>
        </para>
        <para>De kasopstelling van [C] betreft de periode 14 december 2001 tot en met 31 januari 2012. Omdat in het rapport van 18 september 2012 het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 oktober 2011, heeft op deze kasopstelling een correctie plaatsgevonden. Na correctie is de kasopstelling als volgt opgebouwd:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beginsaldo contant geld </emphasis>				         -	 	        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ontvangsten </emphasis>
        </para>
        <para>Legale contante ontvangsten incl. bankopnames	€   37.554,05	 </para>
        <para>Eindsaldo contant geld	<emphasis role="underline">€        240,--    -/- </emphasis></para>
        <para>Beschikbaar voor het doen van uitgaven	€   37.314,05	</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Werkelijke contante uitgaven </emphasis>(inclusief bankstortingen)	<emphasis role="underline">€  214.821,18  -/- </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>	€  177.507,13	</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Door [veroordeelde] is een aantal verweren gevoerd tegen de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de kasopstelling. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [veroordeelde] heeft het verweer gevoerd dat een aantal voertuigen weliswaar door hem is gekocht en/of verkocht, maar dat dit heeft plaatsgevonden ten behoeve van vrienden en voor rekening van deze vrienden. Daartoe zijn als voorbeelden genoemd de Landrover met kenteken [kenteken] (pagina 29) en de Suzuki Quad met kenteken [kenteken] (pagina 30). Ter onderbouwing van dit standpunt zijn ter zitting van 11 december 2015 enkele verklaringen overgelegd van personen voor wie [veroordeelde] een aan- en/of verkoop heeft verzorgd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de overgelegde verklaringen en hetgeen [veroordeelde] ter zitting van 11 december 2015 heeft gesteld is onvoldoende aannemelijk geworden dat de aan- en/of verkoop van deze voertuigen niet heeft plaatsgevonden met aan [veroordeelde] toebehorende (contante) gelden.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Door [veroordeelde] is voorts het verweer gevoerd dat hij over een legale geldstroom beschikte doordat hij geld had geleend van een vriend in Engeland. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verweer is onvoldoende concreet onderbouwd; de verdediging heeft weliswaar ter zitting van 11 december 2015 een door ‘ [...] ’ op 27 juni 2015 opgestelde en ondertekende verklaring overgelegd, maar enkel op grond van die verklaring is onvoldoende aannemelijk geworden dat [veroordeelde] daadwerkelijk gelden (Engelse ponden) contant heeft ontvangen. Nu dit verweer ook overigens niet verifieerbaar is, wordt het verworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot beide verweren overweegt de rechtbank voorts dat een redelijke bewijsverdeling met zich brengt dat op [veroordeelde] de last rust de door hem gevoerde verweren voldoende te onderbouwen en aannemelijk te maken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Van de zijde van [veroordeelde] is ten slotte het verweer gevoerd dat hij gedurende langere tijd geen woonlasten heeft gehad omdat hij in een sloopwoning heeft gewoond en dat hij bij het verlaten van deze woning een sloopvergoeding op zijn bankrekening gestort heeft gekregen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt ook dit verweer nu het niet hoeven betalen van woonlasten niet concreet (met bescheiden) is onderbouwd en voorts een storting van een geldbedrag door een derde op een bankrekening van [veroordeelde] niet van invloed is op een berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een eenvoudige kasopstelling. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de (gecorrigeerde) eenvoudige kasopstelling op juiste wijze is berekend en volgt daarom deze berekening. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de kasopstelling wordt geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 177.507,13</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Inkomsten uit een fictief dienstverband</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [veroordeelde] is bij vonnis van 16 februari 2015 veroordeeld voor het witwassen van een </para>
        <para>(gefingeerd) inkomen van in totaal € 14.939,92 afkomstig van Avondwinkel [naam avondwinkel] en/of [naam belasting- en administratiekantoor] .<footnote-ref linkend="_427c69a7-aac2-4d85-b06a-39a899f9769c" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam belasting- en administratiekantoor]<footnote-ref linkend="_e9a8ec54-e2fd-4d23-962e-b2e780dbab4a" /> zijn in de periode van 28 juni 2007 tot en met 24 januari 2008 telkens geldbedragen van € 1.867,03 of € 1.867,87 overgeboekt onder vermelding van (kortweg) “salaris Avondwinkel [naam avondwinkel] ” of “salaris [naam avondwinkel] ” naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [veroordeelde] .<footnote-ref linkend="_539d310c-684a-41b3-b10f-3337ffd7ed61" /> Het in totaal in die periode overgeboekte bedrag is € 14.939,92.<footnote-ref linkend="_7fb67aa2-f314-4f1e-8e04-af891df7074e" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles wat over de bankrekening van [naam belasting- en administratiekantoor] ging was ‘fake’.<footnote-ref linkend="_ceedcc61-362f-4504-b2d9-e5d6f0e505a0" /> [veroordeelde] heeft de bedragen ontvangen onder de noemer ‘salaris’ zonder dat hij een dienstverband had.<footnote-ref linkend="_d9e2717d-4840-4115-88d1-14dd39aa9673" /> De maandelijkse bijschrijvingen zijn daarom afkomstig uit een fictief dienstverband en [veroordeelde] heeft deze bijschrijvingen aangewend voor bestedingen van consumptieve en huishoudelijke aard.<footnote-ref linkend="_2bdb79ab-c13c-40d5-82e1-52c0ed091cbe" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het door [veroordeelde] ontvangen bedrag aan (gefingeerd) inkomen is voor ontneming vatbaar. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze post wordt geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 14.939,92</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Contant geld waarvan aangifte van diefstal is gedaan</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het rapport van 18 september 2012 is een bedrag van € 5.000,-- aan contante gelden, van welk bedrag [veroordeelde] aangifte van diefstal heeft gedaan, aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag van [veroordeelde] te ontnemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Van de zijde van de verdediging is betoogd dat dit bedrag niet voor ontneming vatbaar is aangezien geen sprake is geweest van een uitgave door [veroordeelde] . Zelfs indien dit bedrag als wederrechtelijk zou moeten worden aangemerkt is het niet voor ontneming vatbaar aangezien [veroordeelde] geen voordeel heeft genoten en het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt dient te blijven tot daadwerkelijk genoten voordeel.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden om aan te nemen dat [veroordeelde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van het misdrijf als bedoeld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht, te weten aangifte doen van een strafbaar feit, wetende dat het niet gepleegd is. Derhalve zal worden uitgegaan van de juistheid van de aangifte en van het (tot het moment van de diefstal) daadwerkelijk voorhanden hebben van € 5.000,-- aan contante gelden door [veroordeelde] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het voorgaande betekent dat het bedrag van € 5.000,--, indien dit niet was gestolen, onderdeel zou hebben uitgemaakt van de eenvoudige kasopstelling. Indien het geld niet was gestolen, zou het immers óf door [veroordeelde] contant zijn uitgegeven óf bij de doorzoeking van zijn woning zijn aangetroffen. In het eerste geval zou het bedrag zijn meegenomen bij de contante uitgaven. In het laatste geval zou dit bedrag als ‘eindsaldo contant geld’ in mindering zijn gebracht op  het totaal van de (legale contante) ontvangsten en contante opnamen waardoor het voor uitgaven beschikbare bedrag € 5.000,-- lager zijn geweest. In beide gevallen zou dit resulteren in een verhoging van het wederrechtelijk verkregen voordeel met een bedrag van € 5.000,--.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de € 5.000,-- voor ontneming vatbaar is. De omstandigheid dat [veroordeelde] is bestolen van dit geldbedrag komt geheel voor zijn rekening en risico. Deze omstandigheid staat toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook niet in de weg (ECLI:NL:HR:2004:AR3721).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze post wordt geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 5.000,--</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het totale bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 197.447,05, welk bedrag als volgt is berekend:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eenvoudige kasopstelling	                             		€  177.507,13</para>
        <para>Inkomsten uit een fictief dienstverband				€    14.939,92</para>
        <para>Contant geld waarvan aangifte van diefstal is gedaan		<emphasis role="underline">€      5.000,--    +</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="bold">€  197.447,05</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Op te leggen betalingsverplichting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verbeurdverklaringen banksaldi en personenauto Smart Fortwo</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de bij vonnis van 16 februari 2015 verbeurdverklaarde banksaldi van in totaal € 33.558,06 en de opbrengst na verkoop van de bij vonnis verbeurdverklaarde Smart Fortwo van € 3.985,--, op welke bedragen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontneming, in mindering dienen te worden gebracht op de aan [veroordeelde] op te leggen betalingsverplichting. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM</emphasis>
        </para>
        <para>Namens [veroordeelde] is betoogd dat sprake is van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM dat dit zou moeten leiden tot matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat elke betrokkene recht heeft op een behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat de betrokkene langer dan redelijk is onder de dreiging van een ontnemingsvordering zou moeten leven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan in ontnemingszaken op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt. Daarbij is het aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen (ECLI:NL:HR:2015:3255). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank bepaalt voornoemd aanvangsmoment op 30 oktober 2012, zijnde de datum waarop de ontnemingsvordering aan [veroordeelde] is betekend. De rechtbank wijst vonnis op 22 januari 2016, dat wil zeggen (bijna) drie jaren en drie maanden nadat de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond met het wijzen van een vonnis binnen twee jaren nadat voornoemde termijn is aangevangen. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met (bijna) vijftien maanden is overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door [veroordeelde] aan de Staat te betalen bedrag vast te stellen op een lager bedrag dan het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat een kortingspercentage van € 5.000,-- voldoende compensatie biedt. Daarbij is rekening gehouden met de specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en met de omstandigheid dat na het wijzen van vonnis in de strafzaak op 16 februari 2015 de behandeling van de ontnemingsvordering voortvarend heeft plaatsgevonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige omstandigheden</emphasis>
        </para>
        <para>Uit het onderzoek ter terechtzitting is voor het overige niet van omstandigheden gebleken die aanleiding zijn het door [veroordeelde] te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting opleggen om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van                € 154.903,99 aan de Staat te voldoen. Dit bedrag is als volgt berekend:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wederrechtelijk verkregen voordeel	                             		€  197.447,05</para>
        <para>Beslagen banksaldi							€    33.558,06</para>
        <para>Beslagen opbrengst Smart Fortwo					€      3.985,--</para>
        <para>Korting overschrijding redelijke termijn					<emphasis role="underline">€      5.000,--    +</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">€   42.543,06  -/-</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">€ 154.903,99</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd de aan [veroordeelde] op te leggen betalingsverplichting te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.985,--. De officier van justitie heeft de wettelijke rente berekend vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, per 9 december 2015 berekend op een bedrag van € 299,80.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Opgebouwde rente over de inbeslaggenomen tegoeden kan worden aangemerkt als vervolgprofijt en kan daarmee als voordeel uit de baten van de strafbare feiten worden ontnomen. De vordering van de officier van justitie is dus in beginsel toewijsbaar. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal echter het door de Staat aan [veroordeelde] te vergoeden bedrag aan wettelijke rente over de opbrengst van de verkoop van de Smart Fortwo verrekenen met dat deel van de betalingsverplichting dat ziet op het vervolgprofijt van [veroordeelde] in de vorm van diezelfde rentevergoeding. Deze bedragen zijn immers (per definitie) aan elkaar gelijk en kunnen tegen elkaar worden weggestreept. Als gevolg daarvan zal aan [veroordeelde] geen verplichting tot betaling van de wettelijke rente over de inbeslaggenomen tegoeden worden opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De rechtbank:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- stelt het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 197.447,05 (honderdzevenennegentigduizend vierhonderdzevenenveertig euro en vijf cent)</emphasis>;</para>
      <para />
      <para>- legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 154.903,99 (honderdvierenvijftigduizend negenhonderddrie euro en negenennegentig cent)</emphasis>;</para>
      <para />
      <para>- bepaalt dat het door de Staat aan [veroordeelde] te vergoeden bedrag aan wettelijke rente wordt verrekend met dat deel van de betalingsverplichting dat ziet op het vervolgprofijt van [veroordeelde] in de vorm van diezelfde rentevergoeding;</para>
      <para />
      <para>- wijst de vordering voor het overige af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. E.M. de Stigter en      R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2016.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Mr. Van Opstal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_a8af54b4-9bcd-4307-bee8-7f8ac885816e" label="1">
    <para> Indien wordt verwezen naar paginanummers, wordt (tenzij anders is aangegeven) verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 september 2012, rapportnummer 201209141532.4582, waarvan de bijlagen zijn genummerd pagina 1 tot en met pagina 124.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6991b738-cda0-43b6-ad2a-32c38518895a" label="2">
    <para> Pagina 72</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8cb1d09-1a56-4925-8fff-25f663c3a30e" label="3">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 5</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d93fab7-9716-4301-a45e-59fa426ff232" label="4">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina’s 5-6</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20c9d8a9-e87e-46ee-9ec5-03df5cbf2f26" label="5">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 6</para>
  </footnote>
  <footnote id="_916278f6-47b6-4cb7-bfa1-f6100379d461" label="6">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 6</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0adb0716-e0e0-409d-a72e-e7614485f4aa" label="7">
    <para> Pagina 88</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4721438b-3e08-4771-a11b-196596b64099" label="8">
    <para> Pagina’s 3 en 4 van 12</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3589f42-0592-499e-953f-875ebbb89152" label="9">
    <para> Pagina 88</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf3d58df-683c-457d-ad7c-4d7349683c5e" label="10">
    <para> Pagina’s 73-78</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01e1277d-6aa2-4d8f-a2e6-d82617341aec" label="11">
    <para> Pagina’s 73-78</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f2e7d0b-1983-4a67-a66a-07c5defb064e" label="12">
    <para> Pagina’s 73-78</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cc8e0be-3d91-43b5-9a3a-d568a98a1c0e" label="13">
    <para> Pagina 77</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d82d1c2-461d-4e51-8fc0-59ebc1c918a5" label="14">
    <para> Pagina 77</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adc2e308-3b61-456f-a50f-bfa04d3bc873" label="15">
    <para> Pagina 78</para>
  </footnote>
  <footnote id="_427c69a7-aac2-4d85-b06a-39a899f9769c" label="16">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 9</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9a8ec54-e2fd-4d23-962e-b2e780dbab4a" label="17">
    <para> Dossier strafzaak: proces-verbaal Verstrekking gegevens Belastingdienst m.b.t. [D] van          21 oktober 2011, zaaksdossier 299, pagina’s 64-65</para>
  </footnote>
  <footnote id="_539d310c-684a-41b3-b10f-3337ffd7ed61" label="18">
    <para> Dossier strafzaak: proces-verbaal Relaas zaak 299 van 9 maart 2012, zaaksdossier 299, pagina’s 6-7 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fb67aa2-f314-4f1e-8e04-af891df7074e" label="19">
    <para> Dossier strafzaak: proces-verbaal Relaas zaak 299 van 9 maart 2012, zaaksdossier 299, pagina 7</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ceedcc61-362f-4504-b2d9-e5d6f0e505a0" label="20">
    <para>Dossier strafzaak: verklaring [D] van 31 oktober 2011, zaaksdossier 299, pagina 88</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9e2717d-4840-4115-88d1-14dd39aa9673" label="21">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 6</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bdb79ab-c13c-40d5-82e1-52c0ed091cbe" label="22">
    <para> Vonnis 16 februari 2015, pagina 3-4</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>