<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2015:7593</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-29T10:00:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBMNE:2015:7619</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/703111-13 (ontneming) (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:7593">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:7593</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-10-20T13:39:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2015:7593 Rechtbank Midden-Nederland , 20-10-2015 / 16/703111-13 (ontneming) (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2015:7593:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontnemingszaak</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2015:7593:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Strafrecht</para>
      <para>Zittingslocatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16/703111-13 (ontneming) (P)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 oktober 2015</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de ontnemingszaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen veroordeelde,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [1953] ,</para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procedure blijkt onder meer uit het volgende:</para>
    </parablock>
    <para>- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;</para>
    <para>- het strafdossier onder parketnummer 16/703111-13 waaruit blijkt dat veroordeelde bij vonnis van 20 oktober 2015 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping;</para>
    <para>- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;</para>
    <para>- de overige stukken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2015 zijn de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman, mr. C.T.W. van Dijk, gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De vordering van de officier van justitie van 25 augustus 2015 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,00.Ter terechtzitting van </para>
        <para>29 september 2015 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat eerder genoemd bedrag dient te worden aangepast en dat van veroordeelde een bedrag van </para>
        <para>€ 1.000,00 kan worden ontnomen. Daarbij heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat er een verdeling heeft plaatsgevonden tussen veroordeelde en zijn collega van de met de omkoping gemoeide bedragen, maar dat de verdeling niet helder uit het dossier blijkt. De officier van justitie acht wel aannemelijk dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 1.000,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de omkoping niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat om die reden de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank neemt als grondslag voor de vordering het vonnis van heden in de hoofdzaak. Daarin heeft de rechtbank bewezen geacht dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan  - kort gezegd -  het medeplegen van valsheid in geschrift (feit 1) en het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping (feit 2). De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van feit 2 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft gehad. De rechtbank schat op basis van die bewijsmiddelen het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van minimaal € 1.000,00. Ook de verplichting tot betaling van het geldbedrag ter ontneming van dit voordeel wordt op hetzelfde bedrag vastgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.000,00;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank legt de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.R. Creutzberg en G.A. Bos, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. G.A. Bos is verhinderd het vonnis mee te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>