<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2015:5695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T13:47:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/701651-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:5695">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:5695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T13:42:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2015:5695 Rechtbank Midden-Nederland , 28-04-2015 / 16/701651-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2015:5695:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank acht de tenuitvoerlegging toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Frankfurt am Main van 5 maart 2014 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf.</para>
      <para />
      <para>De rechtbank legt aan de veroordeelde ter zake van het in dat vonnis bewezenverklaarde feit op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde ter zake van dit feit in Duitsland en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten van 16 mei 2013 tot en met de dag waarop deze beslissing onherroepelijk wordt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2015:5695:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND	</emphasis>
  </para>
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <para>Zittingslocatie Utrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:  16/701651-14</para>
    <para>Lurisnummer: [lurisnunmmer]</para>
    <para>Datum uitspraak: 28 april 2015</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement van 12 februari 2015, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) van 5 maart 2014, waarbij is veroordeeld:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [veroordeelde]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1971] ,</para>
    <para>thans gedetineerd in PI [verblijfplaats] ,<?linebreak?>hierna te noemen de veroordeelde,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>ter zake van drugsdelicten tot onder meer een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>De stukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, van 9 augustus 2013, waarbij wordt toegestaan de overlevering van [veroordeelde] aan de Staatsanwaltschaft </para>
    <para>Frankfurt am Main, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;</para>
    <para />
    <para>- een vonnis van het Landsgericht Frankfurt am Main van 5 maart 2014, waaruit blijkt dat de veroordeelde wegens medeplichtigheid aan de illegale handel in verdovende middelen (hasj) in niet geringe hoeveelheden in twee gevallen, daarvan één keer in eendaadse samenloop met medeplichtigheid aan de illegale invoer van verdovende middelen (hasj) in niet geringe hoeveelheden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en zes maanden; </para>
    <para />
    <para>- een brief van 5 november 2014 van het Hessisches Ministerium der Justiz aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag met het verzoek om de aan [veroordeelde] onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden verder in Nederland ten uitvoer te leggen;</para>
    <para />
    <para>- een geschrift van 9 juli 2014, waaruit blijkt dat de veroordeelde van 16 mei tot 28 augustus 2013 in uitleveringsdetentie heeft uitgezeten, dat hij van 29 augustus 2013 tot 4 maart 2014 in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat hij sinds 5 maart 2014 de aan hem opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden uit zit. Verder blijkt uit dit geschrift dat het einde van de straf zal zijn op 15 november 2020;</para>
    <para />
    <para>- een geschrift van 30 september 2014, inhoudende instemming van de veroordeelde met betrekking tot overbrenging naar Nederland voor het ondergaan van het overblijvende gedeelte van zijn straf;</para>
    <para />
    <para>- de tekst van de toepasselijke artikelen van de Duitse opiumwet;</para>
    <para />
    <para>- de geautoriseerde vertaling in de Nederlandse taal van de hiervoor genoemde stukken;</para>
    <para />
    <para>- de stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding op 4 februari 2015, de inverzekeringstelling en de bewaring van de veroordeelde;</para>
    <para />
    <para>- de vordering verlof tenuitvoerlegging van de officier van justitie ex artikel 18 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van 12 februari 2015.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 18 WOTS bepaalt dat de officier van justitie binnen twee weken na ontvangst van het buitenlandse verzoek zijn vordering dient in te dienen. De rechtbank stelt vast dat deze termijn in het onderhavige geval door de officier van justitie is overschreden. Nu echter op overschrijding geen sanctie is gesteld en de veroordeelde overigens ook niet in zijn belangen is geschaad, kan de officier in zijn vordering worden ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De andere voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter openbare terechtzitting van 14 april 2015 heeft de behandeling van de vordering plaats gehad. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft ter zitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen voorgelezen en deze vervolgens aan de rechtbank overgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden voor overname van de veroordeling en omzetting van de straf is voldaan en heeft gevorderd dat aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 5 jaren zal worden opgelegd, met aftrek van voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de veroordeelde heeft onder meer bepleit dat wat betreft feit 2 geen rekening hoeft te worden gehouden met gevoeligheden in Duitsland en dat op grond van de jurisprudentie en persoonlijke omstandigheden een gevangenisstraf van 12 maanden passend zou zijn. Indien ten aanzien van feit 2 wel rekening wordt gehouden met gevoeligheden in Duitsland zou een gevangenisstraf van 24 maanden passend zijn. Uiterst subsidiair verzoekt de raadsman aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 34 maanden op te leggen. In alle gevallen dient de voorlopige hechtenis te worden opgeheven, aldus de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van de toelaatbaarheid van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is gegrond op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Trb 74 (verder te noemen het Verdrag) en op de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder te noemen de Wet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overgelegde stukken voldoen aan de eisen gesteld in genoemd Verdrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van het Verdrag en aan de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 18 van de Wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van beletselen als bedoeld in artikel 30 lid 1 van de Wet is niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland is derhalve op het Verdrag en de Wet gegrond en toelaatbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De strafoplegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid van de Wet juncto artikel 9, eerste lid sub b van het Verdrag mee dat de rechtbank voor de straf die het Landgericht Frankfurt am Main aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de veroordeelde is bij meergenoemd vonnis bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Medeplichtigheid aan de illegale handel in verdovende middelen (hasj) in niet geringe hoeveelheden in twee gevallen, daarvan één keer in eendaadse samenloop met medeplichtigheid aan de illegale invoer van verdovende middelen (hasj) in niet geringe hoeveelheden” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 3, 29a en 30 van de Duitse opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overeenkomstige feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat het eerste feit naar Nederlands recht dient te worden gekwalificeerd als het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A en onder B gegeven verbod. Gelet op de hoeveelheid hasj die de veroordeelde heeft afgeleverd en ingevoerd (30 kilogram hasj) kan ter zake van dit feit op grond van artikel 11 lid 5 van de Opiumwet een gevangenisstraf van 6 jaar worden opgelegd. </para>
      <para>Het tweede feit dient te worden gekwalificeerd als het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en onder C gegeven verbod. Ook ter zake van dit feit (dat ziet op 30 kilogram en 450 kilogram hasj) kan op grond van artikel 11 lid 5 van de Opiumwet een gevangenisstraf van 6 jaar worden opgelegd. Vanwege de samenloopbepalingen zou de veroordeelde naar Nederlands recht een straf van maximaal 8 jaar opgelegd kunnen krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de veroordeelde ter zake van dit strafbare feit strafbaar, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die deze strafbaarheid zouden kunnen verminderen of opheffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in artikel 11 van het Verdrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de aan de veroordeelde in Duitsland opgelegde straf vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, waarbij de rechtbank tevens rekening zal houden met internationale gevoeligheden. De rechtbank houdt er daarom rekening mee dat in Duitsland het invoeren en afleveren van grote hoeveelheden softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Voorts meent de rechtbank dat de veroordeelde, door zich schuldig te maken aan voornoemde delicten, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, eveneens van oordeel dat van een ernstig vergrijp sprake is, is echter van oordeel dat de in Duitsland aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, dusdanig hoog is dat volledige tenuitvoerlegging van de door Duitsland opgelegde straf in redelijkheid niet op zijn plaats is.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op vorenstaande gronden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de tenuitvoerlegging toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Frankfurt am Main van 5 maart 2014 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank legt aan de veroordeelde ter zake van het in dat vonnis bewezenverklaarde feit op een <emphasis role="bold">gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren</emphasis>, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde ter zake van dit feit in Duitsland en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten van 16 mei 2013 tot en met de dag waarop deze beslissing onherroepelijk wordt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en </para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 28 april 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>