<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2015:5432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T08:26:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 14/2474</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:5432">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:5432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-21T16:42:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2015:5432 Rechtbank Midden-Nederland , 20-07-2015 / UTR 14/2474</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2015:5432:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen opgelegde loonsanctie ongegrond. Er zijn niet direct en voortvarend activiteiten ondernomen gericht op het tweede spoor.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2015:5432:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 14/2474</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juli 2015 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Administratie Partners B.V., te Nieuwegein, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. O. Labordus),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. Florijn).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [woonplaats]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 september 2013 heeft verweerder het tijdvak, waarin werkneemster</para>
      <para>
        [A] (verder: de werkneemster) jegens eiseres als werkgever recht heeft op loon tijdens</para>
      <para>ziekte, verlengd met 52 weken tot 30 oktober 2014. Die verlenging - ook wel kortweg</para>
      <para>loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104</para>
      <para>weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn</para>
      <para>geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij een tweede besluit van 30 september 2013 heeft verweerder de aanvraag van de</para>
      <para>werkneemster om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en</para>
      <para>inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) opgeschort tot 30 oktober 2014.</para>
      <para>Bij besluit van 6 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van</para>
      <para>eiseres gericht tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 201 5. Eiseres heeft zich laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [X] . Verweerder heeft zich laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is met voorafgaande kennisgeving</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.</para>
    <parablock>
      <para>Werkneemster was sinds 6 november 2000 werkzaam bij eiseres als telefoniste/receptioniste.</para>
      <para>Op 19 april 2010 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Na een re-integratietraject is zij</para>
      <para>vanaf 23 mei 2011 weer volledig gaan werken. Na tussentijds één dag ziekte op 15 augustus</para>
      <para>2011 heeft werkneemster zich op 3 november 2011 opnieuw ziek gemeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 7 november 2011 een ontslagvergunning aangevraagd. Deze vergunning is</para>
      <para>bij beslissing van 13 maart 2012 geweigerd, omdat aannemelijk is dat de ongeschiktheid tot</para>
      <para>functioneren samenhangt met een ziekte of gebrek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 mei 2012 heeft verweerder geweigerd aan werkneemster per 16 april 2012</para>
      <para>een WIA-uitkering toe te kennen. Aan deze weigering is ten grondslag gelegd dat geen</para>
      <para>sprake is geweest van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 19 april 2010, waardoor</para>
      <para>niet is voldaan aan het vereiste van 104 weken ongeschiktheid voor het verrichten van het</para>
      <para>eigen werk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 augustus 2012 heeft de bedrijfsarts aan eiseres meegedeeld dat hij terugkeer van de</para>
      <para>werkneemster in het werk bij eiseres vrijwel onmogelijk acht. De bedrijfsarts heeft daarbij</para>
      <para>geadviseerd om een arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden in kaart te laten brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 25 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres</para>
      <para>tegen de weigering om per 16april2012 aan werkneemster een WW-uitkering toe te kennen.</para>
      <para>ongegrond verklaard. Dat besluit staat thans van rechtswege vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 september 2012 heeft eiseres opdracht gegeven aan bureau [naam] om een</para>
      <para>arbeidskundig onderzoek in te stellen. Na ontvangst van het arbeidskundig rapport heeft</para>
      <para>eiseres de werkneemster op 2$ november 2012 aangemeld bij het re-integratiebedrijf</para>
      <para>
        [naam] voor het tweede spoortraject.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Werkneemster heeft op 7 augustus 2013 opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd.</para>
      <para>Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen, zoals vermeld onder Procesverloop.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [M] van 4 maart 20l4 ten grondslag gelegd. Deze arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat met het advies van de bedrijfsarts van 20 augustus 2012 op dat moment niets is gedaan. Eiseres en werkneemster hadden zich per 20 augustus 2012 moeten gaan oriënteren op werk buiten de eigen werkgever en niet moeten wachten op de uitkomst van de procedure inzake de WIA-uitkering. Dit betekent dat niet tijdig de juiste re-integratie-instrumenten zijn ingezet en dat de re-integratie-inspanningen als onvoldoende moeten worden beschouwd.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres betwist dat zij niet tijdig en onvoldoende te-integratie-instrumenten heeft ingezet. Ook acht zij de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige dat zij niet het eenmalig gedane advies van de bedrijfsarts over bemiddeling heeft opgevolgd, niet terecht.</para>
    <parablock>
      <para>Al spoedig was immers duidelijk dat terugkeer van de werkneemster in het eigen werk niet mogelijk was en werd afgeraden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij heeft mogen afgaan op de conclusie van de bedrijfsarts op 20 augustus 2012 dat er geen</para>
      <para>arbeidsmogelijkheden voor de werkneemster meer waren bij eiseres en op het advies om een</para>
      <para>arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Eiseres betwist dat zij daar te lang mee heeft</para>
      <para>gewacht. Zij heeft direct na ontvangst van de beslissing op bezwaar van 25 september 2012</para>
      <para>opdracht gegeven tot arbeidskundig onderzoek. hetgeen heeft geleid tot een aanmelding bij</para>
      <para>het re-integratiebureau [naam] op 28 november 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Artikel 7:658a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de werkgever ten aanzien</para>
    <parablock>
      <para>van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de</para>
      <para>bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf bevordert. Indien</para>
      <para>vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de</para>
      <para>werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende</para>
      <para>het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft, de inschakeling van de</para>
      <para>werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het</para>
      <para>tijdvak waarover de ‘werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten</para>
      <para>hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re</para>
      <para>integratie-inspanningen heeft verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de</para>
      <para>verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn</para>
      <para>verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De uitgangspunten voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen die van een</para>
    <parablock>
      <para>werkgever en een werknemer mogen worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels</para>
      <para>beoordelingskader Poortwachter (de Beleidsregels). De eerste stap in de beoordeling betreft</para>
      <para>de vraag of re-integratie tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Indien dit het geval is,</para>
      <para>legt het U\v geen loonsanctie op. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, dan</para>
      <para>beoordeelt het Uwv of de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht. Uitgangspunt</para>
      <para>bij deze beoordeling is of de werkgever in redelijkheid tot de verrichte re-integratie</para>
      <para>inspanningen heeft kunnen komen. Daarbij dient de werkgever in eerste instantie te bezien of</para>
      <para>de werknemer in de eigen functie kan terugkeren en als dat geen kans van slagen heeft. de</para>
      <para>werknemer ander passend werk in het eigen bedrijf aan te bieden (spoor 1). Is het niet</para>
      <para>mogelijk de werknemer in het eigen bedrijf te laten re-integreren, dan dient de werkgever de</para>
      <para>mogelijkheden te onderzoeken en te benutten de werknemer te herplaatsen bij een andere</para>
      <para>werkgever (spoor 2). Het Uwv legt een loonsanctie op aan de werkgever indien de re</para>
      <para>integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende worden geacht en de werkgever</para>
      <para>daarvoor geen deugdelijke grond aannemelijk heeft gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Vaststaat dat van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels geen</para>
    <parablock>
      <para>sprake is nu de werkneemster haar werk niet heeft hervat en ook geen ander werk verricht bij</para>
      <para>eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht de re-integratie-inspanningen van eiseres getoetst.</para>
      <para>Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie</para>
      <para>inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen.</para>
      <para>Verweerder dient deugdelijk te motiveren waarom in redelijkheid meer van de werkgever</para>
      <para>had kunnen worden gevergd dan hij heeft gedaan om bestaande re-integratiemogelijkheden</para>
      <para>te benutten. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaan de gestelde eisen niet zover dat verweerder de concreet door de werkgever te nemen stappen ten aanzien van de re-integratie van de werknemer moet formuleren. De concrete invulling van de re-integratie is een taak van de werkgever (zie CRvB van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570). Dat laat echter onverlet dat het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA meebrengt dat de door verweerder bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat aan het besluit tot verlenging van de toondoorbetalingsverplichting als kern ten grondslag ligt dat niet direct na 20 augustus 2012</para>
        <para>activiteiten zijn gestart gericht op het tweede spoor, maar pas op dan wel na 26 september</para>
        <para>2012. Voor zover eiseres betoogt dat haar niet kan worden verweten dat zij voor die tijd geen</para>
        <para>bemiddelingspogingen heeft ondernomen, merkt de rechtbank op dat dit niet ten grondslag</para>
        <para>ligt aan het bestreden besluit. Ook is niet in geschil dat bij de werkneemster vanaf </para>
        <para>20 augustus 2012 slechts sprake was van marginale arbeidsmogelijkheden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is niet gebleken dat er kort na het advies van de bedrijfsarts van</para>
        <para>20 augustus 2012 concrete re-integratie-inspanningen zijn ondernomen, gericht op het</para>
        <para>kunnen gaan verrichten van werkzaamheden bij een andere werkgever. Nadat de bedrijfsarts</para>
        <para>heeft vastgesteld dat spoor 1 niet mogelijk is en dat het spoor 2 traject moet worden gestart</para>
        <para>heeft eiseres tot 26 september 2012 geen -re-integratie-inspanningen verricht. De rechtbank</para>
        <para>ziet geen gegronde redenen waarom eiseres tot dan haar re-integratieverplichtingen naast</para>
        <para>zich heeft neergelegd. Dat eiseres eerst de uitkomst inzake de WIA-procedure heeft willen</para>
        <para>afwachten, voordat zij verdere stappen wilde ondernemen richting het tweede spoor, komt</para>
        <para>voor haar rekening en risico. Eiseres is als werkgever immers gehouden om naast het</para>
        <para>verrichten van re-integratie-inspanningen ten aanzien van het eerste spoor de mogelijkheden</para>
        <para>bij een andere werkgever te bezien. Zie ook CRvB 14april2010, ECLI:NL:CRVB:BM 1179.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres gelegen om direct na</para>
        <para>20 augustus 2012 het advies van de bedrijfsarts op te volgen en voortvarend activiteiten te</para>
        <para>ondernemen gericht op het tweede spoor traject. De rechtbank neemt daarbij in</para>
        <para>aanmerking dat voor eiseres reeds voor die datum duidelijk was dat terugkeer voor de</para>
        <para>werkneemster op het eigen werk niet meer aannemelijk was. Op het moment dat de</para>
        <para>bedrijfsarts zijn advies uitbrengt om over te gaan tot het inschakelen van een</para>
        <para>arbeidsdeskundige om de mogelijkheden bij een andere werkgever in kaart te brengen, had</para>
        <para>eiseres dan ook direct en voortvarend het tweede spoor moeten in zetten. Temeer daar in de voorafgaande periode geen re-integratieactiviteiten waren ondernomen als gevolg van het arbeidsconflict vanwege de geweigerde ontslagvergunning dat al enige maanden bestond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8.	 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat</para>
        <para>eiseres zonder deugdelijke grond na 20 augustus 2012 onvoldoende re-integratie</para>
        <para>inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd. Nu geen van de</para>
        <para>beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Onder deze omstandigheden bestaat geen</para>
        <para>aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en </para>
      <para>mr. J.A. Spee, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>