<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2014:1945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:48:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/661184-13 (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2014/171</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2014:1945">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2014:1945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-05-16T13:42:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2014:1945 Rechtbank Midden-Nederland , 16-05-2014 / 16/661184-13 (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2014:1945:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging.</para>
        <para>Prioritering bij het openbaar ministerie heeft ertoe geleid dat het na de match van het DNA van het slachtoffer en van de verdachte 26 maanden geduurd heeft alvorens het slachtoffer gevraagd is naar bekendheid en eventuele relatie met verdachte en heeft het 28 maanden geduurd voordat verdachte aangehouden is. Vervolgens heeft het na het horen van verdachte nog 14 maanden geduurd voordat de eerste zitting gepland werd. De rechtbank is van oordeel dat er hierdoor sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij het openbaar ministerie doelbewust (te weten de gekozen prioritering) en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2014:1945:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Strafrecht<?linebreak?>Zittingslocatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer:    16/661184-13 (P)</para>
      <para>Datum vonnis:     16 mei 2014</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken <emphasis role="bold">op tegenspraak </emphasis>gewezen in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]				</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [1988],</para>
      <para>wonende op het adres [adres], [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is  ter terechtzitting van 25 april 2014 en 16 mei 2014 onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door zijn raadsman mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.</para>
      <para>De officier van justitie, mr. J.B. Wooldrik, heeft het woord gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">dat verdachte in of omstreeks de periode 13 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te Utrecht, seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer], geboren op [1991], die toen de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren had bereikt;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">en/of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">toen seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] terwijl hij wist dat het slachtoffer in staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft verzocht om het openbaar ministerie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging stelt dat er sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Mede door de keuzes van het openbaar ministerie en de politie in het onderzoek heeft het heel lang geduurd voordat de zaak op zitting is aangebracht. Door dat tijdsverloop zijn de belangen van verdachte bewust veronachtzaamd. Het openbaar ministerie had immers veel eerder kunnen handelen. Door deze wijze van handelen door het openbaar ministerie is verdachte niet in de gelegenheid geweest om zich adequaat te kunnen verdedigen. Zo is het niet meer mogelijk om eventuele camerabeelden op te vragen, een alibi te onderzoeken  en – omdat herinneringen vervagen - getuigen adequaat te horen. Door toedoen van het openbaar ministerie, namelijk door de gekozen prioritering, is het de vraag of verdachte nog wel een eerlijk proces kan krijgen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen deze zaak voor de rechter te brengen vanwege de ernst van het feit. Het feit speelde lang geleden maar het is een heel specifiek feit. De getuigen zijn uitgebreid gehoord en kunnen nog gehoord worden. Het DNA kan nog steeds worden onderzocht en er kan nogmaals DNA worden afgenomen. Verdachte is niet zodanig in zijn verdediging geschaad dat dat niet hersteld kan worden. </para>
        <para>In het dossier is opgetekend dat er destijds bij de politie een enorme drukte was en dat er zaken waren die blijkbaar belangrijker geacht werden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In dat verband zal de rechtbank allereerst het tijdsverloop vaststellen. Op grond van het dossier blijkt het volgende over  het onderzoek in de onderhavige zaak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 14 januari 2006 om 01.50 uur is bij de meldkamer Utrecht een melding binnengekomen dat ter hoogte van de sportkantine van de DWSV een meisje, [slachtoffer], was aangetroffen dat volledig de weg kwijt zou zijn. Het meisje is overgebracht naar het Diaconessenziekenhuis. Daar is geconstateerd dat zij sperma in haar vagina had en dat er sperma en bloed op haar string zaten. Er is DNA-onderzoek gedaan naar het gevonden sperma en het bloed. Het meisje kon zich niet herinneren die avond seksueel contact te hebben gehad, zij herinnerde zich niet hoe zij op het terrein van DWSV is terechtgekomen. De getuigen die het meisje hebben gevonden hebben een auto zien wegrijden. Hiernaar is geen onderzoek gedaan. Uit het afgetapte telefoon- en berichtenverkeer zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen en verdachte komt daarin niet voor. Uit het dossier blijkt niet dat er onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van eventuele camerabeelden. </para>
        <para>Op 29 oktober 2009 is bericht ontvangen dat er een DNA-overeenkomst is met een profiel uit Duitsland. Vervolgens heeft het openbaar ministerie het onderzoek met wisselende tussenpozen opgepakt.</para>
        <para>Op 28 april 2010 is een rechtshulpverzoek tot bekendmaking van de DNA-overeenkomst gedaan.</para>
        <para>In september 2010 komt de uitslag van het rechtshulpverzoek en wordt bekend dat verdachte degene is die aan het DNA-profiel zou voldoen.</para>
        <para>Vervolgens wordt na ruim twee jaar, op 5 november 2012, aan het slachtoffer bekend gemaakt van wie het bij haar aangetroffen sperma en bloed vermoedelijk is. Op dat moment kon zij zich evenmin iets herinneren. De naam van verdachte zegt haar niets.</para>
        <para>Op 27 november 2012 heeft de officier van justitie beslist dat verdachte buiten heterdaad kon worden aangehouden.</para>
        <para>Op 15 januari 2013 is verdachte aangehouden. Verdachte heeft ontkend dat hij iets met het meisje te maken heeft gehad. De eerste behandeling ter terechtzitting heeft op 25 april 2014 plaatsgevonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tussen de melding van de DNA-overeenkomst en het verzoek tot bekendmaking daarvan ligt een periode van zes maanden. Op het moment dat bekend werd dat verdachte degene zou zijn aan wie het gevonden DNA behoort is voorts 26 maanden gewacht om het slachtoffer te bevragen aangaande haar bekendheid en eventuele relatie met verdachte en is 28 maanden gewacht om verdachte aan te houden en te horen. </para>
        <para>Tussen het horen van verdachte en de eerste zitting is een periode van 14 maanden gelegen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De tegen verdachte ingebrachte beschuldiging wordt door het openbaar ministerie als zeer ernstig omschreven. Daarin is naar de mening van het openbaar ministerie de grondslag gelegen om de zaak na zoveel jaar aan de rechter voor te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. De verdediging heeft gesteld dat, zou verdachte eerder geconfronteerd zijn met de tegen hem ingebrachte beschuldiging, hij in staat zou zijn geweest zich adequaat te verweren en dat hij mogelijk nauwkeurig had kunnen aantonen waar hij zich gedurende de tenlastegelegde periode bevond. Verdachte had nader onderzoek in eigen omgeving kunnen doen en zodoende de periode kunnen oproepen en inkleuren. Iedere vertraging in de voortgang van het onderzoek maakt dit moeilijker en op dit moment vrijwel onmogelijk om te doen, aldus de verdediging. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank kan niet volgen hoe enerzijds de uitleg van het openbaar ministerie omtrent de prioritering en anderzijds de door het openbaar ministerie beschreven ernst van het feit zich tot elkaar verhouden. Bij een zeer ernstig feit moet immers verwacht kunnen worden dat in het kader van de prioritering aan een  onderzoek naar zo’n feit voorrang gegeven zou worden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Enig nader onderzoek is nog mogelijk. Dit geldt vooral voor het DNA-onderzoek. Echter een nader onderzoek naar de context van het gebeuren is bijna niet meer mogelijk. Dat laatste klemt des te meer aangezien bij een eventuele bewezenverklaring de eventuele sanctionering bij een verdenking als de onderhavige zeer wordt ingekleurd door de context van het feit.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarenboven dient ook betrokken te worden dat het om de vervolging en berechting van een minderjarige verdachte gaat. Op grond van  artikel 40 van het IVRK dient een dergelijke vervolging zonder vertraging plaats te vinden. Ook het pedagogische  karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat een strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en adequaat moet zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naast al deze aspecten weegt de rechtbank tevens de belangen van [slachtoffer] mee bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Zij heeft er destijds voor gekozen om geen aangifte te doen en heeft ook in november 2012 bij de politie aangegeven dat zij geen wens tot vervolging heeft. Uit haar verklaring van november 2012 komt naar voren dat zij op dat moment geen nadelige gevolgen ondervond van de gebeurtenissen uit 2006. De rechtbank neemt tevens in ogenschouw dat op de autoriteiten de positieve verplichting rust effectieve bescherming tegen seksueel misbruik onder andere door het strafrecht te geven aan minderjarigen zoals destijds [slachtoffer]. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust (te weten de gekozen prioritering) en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Dit dient, gezien de ernst van de inbreuk en onherstelbare gevolgen hiervan in dit concrete geval conform artikel 359a lid 1 sub c van het Wetboek van Strafvordering te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het Openbaar Ministerie <emphasis role="bold">niet-ontvankelijk </emphasis>in de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. P.P.C.M. Waarts en M.P. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage: de tenlastelegging</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BIJLAGE: De tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te Utrecht en/of in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [1991], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte</para>
    </parablock>
    <para>- zijn, verdachtes, penis en/of</para>
    <para>- zijn/een lichaamsdeel (met daarop/daaraan zijn, verdachtes, sperma) en/of</para>
    <para>- een voorwerp (met daarop/daaraan zijn, verdachtes, sperma)</para>
    <parablock>
      <para>in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of bewogen;</para>
      <para>en/of</para>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te Utrecht en/of in Nederland, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat zij, slachtoffer, in staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte</para>
    </parablock>
    <para>- zijn, verdachtes, penis en/of</para>
    <para>- zijn/een lichaamsdeel (met daarop/daaraan zijn, verdachtes, sperma) en/of</para>
    <para>- een voorwerp (met daarop/daaraan zijn, verdachtes, sperma)</para>
    <parablock>
      <para>in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of</para>
      <para>bewogen;</para>
      <para>art 243 van het Wetboek van Strafrecht</para>
      <para>art 245 Wetboek van Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>