<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2014:1166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T12:36:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB-13_5352 VK</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2014:1166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2014:1166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-09T13:54:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2014:1166 Rechtbank Midden-Nederland , 21-03-2014 / AWB-13_5352 VK</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2014:1166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>vergoedingen rechtsbijstand; samenhangende zaken</para>
        <para>Wetsartikelen: artikel 11 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr)</para>
        <para>Samenvatting:</para>
        <para>Er zijn toevoegingen verleend voor het door eiseres ingestelde beroep tegen de weigering om aan haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen en een daarmee verband houdend verzoek om een voorlopige voorziening. Vervolgens is een vergoeding vastgesteld voor de door eiser in deze zaken verrichte werkzaamheden. Bij de hoogte van de vastgestelde vergoeding is toepassing gegeven aan artikel 11 van het Bvr wegens samenhang tussen het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van de vastgestelde vergoeding </para>
        <para>terecht heeft vastgesteld met inachtneming van artikel 11 van het Bvr, omdat sprake is van samenhangende zaken. </para>
        <para>In artikel 11, eerste lid, van het Bvr is omschreven in welke gevallen er sprake is van </para>
        <para>samenhangende zaken. Dit is blijkens de tekst van het artikel het geval indien er sprake is van ‘zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting zijn behandeld’. In het Bvr is echter niet nader gedefinieerd wanneer sprake is van ‘zaken die ter zitting zijn behandeld’. Door toepassing van artikel 8:86 van de Awb wordt in de hoofdzaak geen (afzonderlijke) zitting gehouden. De in voornoemd artikel neergelegde wijze van afdoening, waarbij de voorzieningenrechter tegelijkertijd uitspraak doet in de hoofdzaak, wijst echter op een zekere samenhang. Op grond van de bewoordingen van artikel 11, eerste lid, van het Bvr is niet onmiddellijk duidelijk of bij toepassing van artikel 8:86 van de Awb sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in dit artikellid. Die onduidelijkheid brengt mee dat de betekenis ervan moet worden vastgesteld in de context van de regeling en met inachtneming van de strekking van de regeling. Hiervoor dient te worden gekeken of de geschiedenis van de totstandkoming aanknopingspunten biedt voor de betekenis van het begrip samenhangende zaken bij toepassing van artikel 8:86 van de Awb. </para>
        <para>Uit de Nota van Toelichting op artikel 11, eerste lid, van het Bvr volgt dat </para>
        <para>de relevante context het gegeven is dat de samenhangende zaken verknocht moeten zijn. Nu voor het voordoen van deze verknochtheid uitdrukkelijk als voorbeeld de toepassing van artikel 8:86 van de Awb wordt genoemd, brengt dit mee dat in zo’n geval tussen de voorlopigevoorzieningsprocedure en de hoofdzaak sprake is van de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr. Een andere uitkomst zou ook ongerijmd en ongewenst zijn. De rechtshulpverlener zou immers een vergoeding ontvangen voor werkzaamheden ten behoeve van een zitting in de hoofdzaak, die niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van samenhangende procedures en terecht op basis daarvan de vergoeding heeft vastgesteld. Beroep van eiser ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2014:1166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 13/5352</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2014 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres], eiseres </para>
        <para>(gemachtigde mr. J.J. Eizenga), </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. J.J. Eizenga, </emphasis>advocaat te Utrecht, eiser</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder</para>
        <para>(gemachtigde: mr M.I. van Schooten).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2012 heeft verweerder in twee zaken (4JN6412 en 4JN6414) de vergoeding voor de op basis van twee toevoegingen door eiser verleende rechtsbijstand aan eiseres vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen die besluiten heeft eiser, mede namens eiseres, bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder overneming van het advies van de commissie voor bezwaar van 18 juni 2013, het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft, mede namens eiseres, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep als volgt.</para>
        <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is het belang van de rechtzoekende niet rechtstreeks betrokken bij een besluit waarbij de hoogte van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding is vastgesteld (zie bijvoorbeeld ABRvS van 2 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6650 en ABRvS van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1853). Nu het beroep van eiseres is gericht tegen het bestreden besluit, waarbij de hoogte van de aan eiser toekomende vergoeding ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) is vastgesteld, is eiseres bij dit besluit geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop dient  het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 21 september 2012 aan eiseres </para>
        <para>toevoegingen verleend voor het door haar ingestelde beroep tegen de weigering om aan haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen en een daarmee verband houdend verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft vervolgens een vergoeding vastgesteld voor de door eiser in deze zaken verrichte werkzaamheden. Hierbij heeft verweerder bij de hoogte van de vastgestelde vergoeding toepassing gegeven aan artikel 11 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) wegens samenhang tussen het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de hoogte van vastgestelde </para>
        <para>vergoeding terecht heeft vastgesteld met inachtneming van artikel 11 van het Bvr omdat er sprake is van samenhangende zaken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 11, eerste lid, van het Bvr worden als samenhangende procedures </para>
        <para>beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het derde lid wordt in samenhangende procedures, waarbij één </para>
        <para>rechtzoekende meer dan één procedure voert, in afwijking van het eerste lid van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke procedure, met uitzondering van de eerste.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11</nr>
      <para>van het Bvr. De - letterlijke - tekst van artikel 11 van het Bvr luidt dat alleen die zaken als samenhangend kunnen worden beschouwd die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting zijn behandeld. Het door eiseres gedane verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 26 september 2012. De voorzieningenrechter heeft toepassing gegeven aan artikel 8:86 van de Awb en, naast een beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening, gelijktijdig een beslissing genomen op het door eiseres ingediende beroep. Het beroep is hierdoor niet ter zitting behandeld, zodat niet gesproken kan worden van samenhangende zaken in de zin van artikel 11 van het Bvr. De tekst van artikel 11 van het Bvr is voor geen andere uitleg vatbaar, zodat deze tekst letterlijk gevolgd zal moeten worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaar van</para>
        <para>18 juni 2013, de parlementaire geschiedenis en de door verweerder bij artikel 11 van het Bvr vastgestelde Werkinstructie, zich op het standpunt gesteld dat de woorden ‘ter zitting zijn behandeld’ slechts ertoe strekken de nauwe band te illustreren die vereist is voor het aannemen van samenhang. Hieruit mag volgens verweerder niet worden afgeleid dat het ontbreken van afzonderlijke zittingen meebrengt dat er geen sprake kan zijn van samenhang. Integendeel, blijkbaar zijn de zaken zo nauw met elkaar verweven dat de rechter op basis van de in de voorlopige voorziening aangevoerde argumenten ook meteen de hoofdzaak heeft kunnen afdoen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van de vastgestelde vergoeding </para>
        <para>terecht heeft vastgesteld met inachtneming van artikel 11 van het Bvr, omdat sprake is van samenhangende zaken. Voor dit oordeel wordt het volgende van belang geacht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.</nr>
      <parablock>
        <para>In artikel 11, eerste lid, van het Bvr is omschreven in welke gevallen er sprake is van </para>
        <para>samenhangende zaken. Dit is blijkens de tekst van het artikel het geval indien er sprake is van ‘zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting zijn behandeld’. In het Bvr is echter niet nader gedefinieerd wanneer sprake is van ‘zaken die ter zitting zijn behandeld’. Door toepassing van artikel 8:86 van de Awb wordt in de hoofdzaak geen (afzonderlijke) zitting gehouden. De in voornoemd artikel neergelegde wijze van afdoening, waarbij de voorzieningenrechter tegelijkertijd uitspraak doet in de hoofdzaak, wijst echter op een zekere samenhang. Op grond van de bewoordingen van artikel 11, eerste lid, van het Bvr is niet onmiddellijk duidelijk of bij toepassing van artikel 8:86 van de Awb sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in dit artikellid. Die onduidelijkheid brengt mee dat de betekenis ervan moet worden vastgesteld in de context van de regeling en met inachtneming van de strekking van de regeling. Hiervoor dient te worden gekeken of de geschiedenis van de totstandkoming aanknopingspunten biedt voor de betekenis van het begrip samenhangende zaken bij toepassing van artikel 8:86 van de Awb.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.</nr>
      <parablock>
        <para>De Nota van Toelichting op artikel 11 van het Bvr vermeldt (Staatsblad 1999, nr. 580, blz. </para>
        <para>26-27): “In artikel 11 wordt een regeling gegeven voor het toekennen van punten in samenhangende procedures. De definitie van samenhangende procedures is ruimer dan de definitie van samenhangende zaken in het oude recht. Onder het oude recht werd uitsluitend een regeling gegeven voor groepszaken. Dit houdt in dat meerdere rechtzoekenden hetzelfde rechtsprobleem hebben. Als voorbeeld kan worden genoemd een geschil tussen de verhuurder en een aantal huurders over de huurverhoging. In artikel 11 is aangegeven dat een samenhangende procedure zich op twee wijzen kan voordoen. Enerzijds is er de situatie dat een groep rechtzoekenden die hetzelfde rechtsprobleem hebben één of meer dan één procedure voert. Anderzijds kan er één rechtzoekende zijn die meer dan één procedure voert. In beide gevallen kunnen de zaken zodanig samenhangen dat de rechtsbijstandverlener aan de tweede en volgende zaak minder tijd behoeft te besteden dan aan de eerste zaak. Aangezien het niet eenvoudig is om aan te geven wanneer er sprake is van samenhangende procedures, wordt voor het bepalen van een norm aangehaakt bij het verloop van de procedure. Indien de rechter of andere instantie zaken van een rechtsbijstandverlener of zijn kantoorgenoot voegt, gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend ter zitting behandelt, mag worden aangenomen dat er een zekere samenhang is. Opdat wordt voorkomen dat niet alle zaken die toevallig door de rechtsbijstandverlener achter elkaar op dezelfde zittingsdag worden bijgewoond worden aangemerkt als samenhangende procedures wordt tevens als vereiste gesteld dat de zaken verknocht moeten zijn. Dit doet zich bij voorbeeld voor, indien meer dan één rechtzoekende gezamenlijk één vordering instellen of bij de uitspraak inzake een voorlopige voorziening in een bestuurszaak ook de hoofdzaak wordt afgedaan. Er moet dus sprake zijn van inhoudelijke samenhang in die zin dat de procedures betrekking hebben op dezelfde problematiek […].”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de hierboven opgenomen toelichting op artikel 11, eerste lid, van het Bvr volgt dat </para>
        <para>de relevante context het gegeven is dat de samenhangende zaken verknocht moeten zijn. Nu voor het voordoen van deze verknochtheid uitdrukkelijk als voorbeeld de toepassing van artikel 8:86 van de Awb wordt genoemd, brengt dit mee dat in zo’n geval tussen de voorlopigevoorzieningsprocedure en de hoofdzaak sprake is van de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr. Een andere uitkomst zou ook ongerijmd en ongewenst zijn. De rechtshulpverlener zou immers een vergoeding ontvangen voor werkzaamheden ten behoeve van een zitting in de hoofdzaak, die niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van samenhangende procedures en terecht op basis daarvan de vergoeding heeft vastgesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.</nr>
      <parablock>
        <para>Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen </para>
        <para>aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep van eiser ongegrond.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. E.J.M. Vogel-Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>21 maart 2014. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier												rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>