<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:45:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0427</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Middelburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Middelburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">rolnr. 573/1999</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427 Rechtbank Middelburg , 07-02-2001 / rolnr. 573/1999</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMID:2001:AB0427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>d.d. 7 februari 2001</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer, overweegt en beslist als</para>
      <para>volgt inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rolnr. 573/99</para>
      <para>rolnr. ktg. 99/180</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>procureur: mr. K.P.T.G. Flos,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>Gebroeders Du Puy B.V.,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Biervliet, gem. Terneuzen,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>procureur: mr. C.H. Brinkman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Het procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst de rechtbank naar het vonnis van de</para>
      <para>kantonrechter te Terneuzen van 1 september 1999 onder bovenvermeld rolnummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dagvaarding van 30 september 1999 is [appellant] tegen dit vonnis in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:</para>
      <para>- memorie van grieven, voorzien van drie producties;</para>
      <para>- memorie van antwoord, voorzien van een productie;</para>
      <para>- akte;</para>
      <para>- antwoordakte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.  Het geschil in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1  [appellant] heeft tegen het vonnis van de kantonrechter de navolgende vier grieven</para>
      <para>gericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Grief 1</para>
      <para>Ten onrechte komt de Kantonrechter in punt 5.3 in combinatie met punt 5.4 tot de conclu-</para>
      <para>sie, dat Du Puy aan de stel- en bewijsplicht, die volgens artikel 7: 658 BW op de werkge-</para>
      <para>ver rust, heeft voldaan: de toedracht van het ongeval staat niet vast, althans niet in die</para>
      <para>mate, dat daardoor is voldaan aan de stel- en bewijsplicht van artikel 7: 658.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Grief 2</para>
      <para>De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat Du Puy gemotiveerd gesteld heeft op</para>
      <para>welke wijze zij haar verplichting om te zorgen voor een veilige werkplek is nagekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Grief 3</para>
      <para>Ten onrechte stelt de Kantonrechter in punt 5.8, dat met de aanwezigheid van de rand van</para>
      <para>de aan te brengen lichtkoepel, het gat in het dak zodanig was gemarkeerd, dat [appellant]</para>
      <para>bedacht had moeten zijn op een bijzondere situatie; ten onrechte stelt de Kantonrechter dat</para>
      <para>van een ervaren voorman-dakdekker, als [appellant] was, verwacht mocht worden, dat hij</para>
      <para>zonder uitdrukkelijke instructies van zijn werkgeefster de veiligheidsrisico's op het werk</para>
      <para>analyseert, voordat hij met de werkzaamheden begint en zonodig zelf maatregelen neemt</para>
      <para>ter voorkoming van gevaarlijke situaties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Grief 4</para>
      <para>Ten onrechte komt niet aan de orde de vraag of Du Puy niet aansprakelijk is doordat de</para>
      <para>schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet op bewuste roekeloosheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2  Du Puy heeft de grieven gemotiveerd weersproken en concludeert tot bekrachtiging</para>
      <para>van het vonnis van de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.  De beoordeling van het geschil in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1  [appellant] heeft tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten geen grieven</para>
      <para>gericht. De opmerkingen die [appellant] in zijn memorie van grieven ten aanzien van</para>
      <para>enkele van deze feiten heeft gemaakt, tasten de kwalificatie van deze gebeurtenissen als</para>
      <para>feit niet aan. De rechtbank gaat derhalve in hoger beroep van het volgende uit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a. Aan [appellant], die sedert 1986 als dakbedekker in dienst was van Du Puy, is op 5</para>
      <para>december 1997 een ongeval overkomen, waarbij hij door een met isolatiemateriaal bedekt</para>
      <para>gat in het dak van een bijkeuken is gezakt en van een hoogte van ongeveer 2,80 meter</para>
      <para>naar beneden is gevallen. Tengevolge daarvan heeft hij letsel opgelopen.</para>
      <para>b. De toedracht van het ongeval kan als volgt worden weergegeven:</para>
      <para>- Begin december 1997 heeft Du Puy, een loodgieters- en dakbedekkingsbedrijf, de op-</para>
      <para>dracht van [betrokkene 1]aanvaard om dakdekwerkzaamheden uit te voeren</para>
      <para>aan zijn nieuwe door [betrokkene 2] aangebouwde bijkeu-</para>
      <para>ken.</para>
      <para>- De werkzaamheden van [betrokkene 2]hielden in het metselen van de bijkeuken en het monteren</para>
      <para>en afwerken van het platte dak. De werkzaamheden aan het dak (groot ongeveer 15 m2)</para>
      <para>bestonden uit het leggen van houten balken met daarop dakplaten, het leggen van isola-</para>
      <para>tiemateriaal (platen piepschuim van ongeveer 8 cm dik) en het (ongeveer in het midden</para>
      <para>van het dak) aanbrengen van een lichtkoepel en het maken van een gat daarvoor van 1,12</para>
      <para>x 1,12 m.</para>
      <para>- De werkzaamheden van Du Puy hielden in het bevestigen van het isolatiemateriaal aan</para>
      <para>de houten ondergrond en het aanbrengen van bitumineuze dakbedekking.</para>
      <para>- Op 5 december 1997 was [een werknemer van betrokkene 2]werkzaamheden aan het uitvoeren op het dak.</para>
      <para>Hij had het houten dak, waarin het gat voor de lichtkoepel al was aangebracht, volledig</para>
      <para>belegd met isolatiemateriaal waardoor het gat niet zichtbaar was en hij had de rand (on-</para>
      <para>geveer 20 cm hoog) van de aan te brengen lichtkoepel neergelegd op de plaats waar ten</para>
      <para>behoeve van die koepel het isolatiemateriaal nog moest worden uitgezaagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 5 december 1997 is [appellant] in opdracht van Du Puy naar de woning van [betrokkene 1] gegaan, waar hij omstreeks 8.15 uur is aangekomen, om de afgesproken dakdek-</para>
      <para>werkzaamheden uit te voeren. Nadat hij het dak, waarop [een werknemer van betrokkene 2] aan het werk was, had betreden heeft hij het dak bekeken om te zien hoe hij zijn werkzaamheden zou uitvoeren.</para>
      <para>Hij heeft zich daarbij verplaatst en is over de lichtkoepelrand heengestapt, waarna hij door</para>
      <para>het isolatiemateriaal is gezakt en door het zich daaronder bevindende gat is gevallen.</para>
      <para>c. Toen Du Puy op 5 december 1997 aan [appellant] de opdracht gaf om werkzaamheden</para>
      <para>bij [betrokkene 1] te verrichten wist zij niet dat in het te bedekken dak een lichtkoepel zou</para>
      <para>worden aangebracht.</para>
      <para>d. Ten tijde van het ongeval was [appellant] voorman-dakbedekker. Hij verrichtte ook</para>
      <para>zelfstandig dakdekkerswerkzaamheden en was in april 1997 geslaagd voor de veiligheids-</para>
      <para>opleiding VVA 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2  Overeenkomstig de wens van [appellant] zal de rechtbank het geschil in volle omvang</para>
      <para>beoordelen. [appellant] houdt Du Puy aansprakelijk voor de door hem ten gevolge van het</para>
      <para>ongeval geleden schade. Primair grondt hij die aansprakelijkheid op artikel 7: 658 BW,</para>
      <para>subsidiair op artikel 7: 611 BW. Du Puy betwist gemotiveerd aansprakelijk te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3  In zijn eerste grief met toelichting benadrukt [appellant] nog eens de relevantie van</para>
      <para>het ongevalsrapport dat Du Puy op grond van het ten tijde van het ongeval geldende</para>
      <para>artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet had moeten laten opmaken. De rechtbank sluit</para>
      <para>zich op dit punt aan bij de overwegingen van de kantonrechter. Wat er zij van de doelein-</para>
      <para>den van dergelijke rapportage en het voordeel van het wel voor handen hebben ervan, tot</para>
      <para>aansprakelijkheid leidt het enkele niet laten opmaken van een ongevalsrapport niet. Met de</para>
      <para>kantonrechter is de rechtbank van oordeel dat dit slechts tot gevolg heeft dat de stel- en</para>
      <para>bewijsplicht voortvloeiend uit artikel 7: 658 BW op Du Puy is blijven rusten. Het is aan</para>
      <para>Du Puy te stellen en zonodig te bewijzen dat zij had voldaan aan haar plicht ervoor te</para>
      <para>zorgen dat haar werknemer [appellant] zijn werk in een veilige omgeving en onder veilige</para>
      <para>omstandigheden kon verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4  [appellant] meent dat Du Puy niet aan zijn verplichtingen van artikel 7: 658 BW heeft</para>
      <para>voldaan (grieven 2 en 3 met toelichtingen). </para>
      <para>Du Puy heeft de feitelijke toedracht van het ongeval beschreven en verder gesteld dat</para>
      <para>[appellant] jarenlange ervaring als dakdekker had, dat hij bij karweien waarbij meer werk-</para>
      <para>nemers van Du Puy aan het werk waren als leidinggevende (voorman) optrad, dat het in</para>
      <para>dit geval om een karwei van beperkte omvang ging bij een particuliere opdrachtgever waar</para>
      <para>[appellant] alleen het te verrichten werk zou uitvoeren, dat zij [appellant] gelet op zijn</para>
      <para>ervaring en gelet op het feit dat hij het veiligheidsdiploma VVA 1 kort daarvoor had</para>
      <para>gehaald het inschatten van de veiligheidsrisico's mocht toevertrouwen en dat het haar bij</para>
      <para>het verstrekken van de werkopdracht aan [appellant] niet bekend was dat er in het dak een</para>
      <para>lichtkoepel zou komen. </para>
      <para>[appellant] heeft deze stellingen inhoudelijk niet bestreden, maar volgens hem kan hieruit</para>
      <para>niet worden opgemaakt dat het ongeval niet het gevolg is van het feit dat onvoldoende</para>
      <para>maatregelen waren genomen ter voorkoming van ongevallen zoals hem is overkomen. Hij</para>
      <para>meent dat Du Puy niets heeft gedaan om zicht te krijgen op de risico's waaraan [appellant]</para>
      <para>bij de uitvoering van het karwei zou worden blootgesteld en dat Du Puy hem op geen</para>
      <para>enkele manier voor mogelijke risico's heeft gewaarschuwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5  De rechtbank volgt Du Puy in haar stelling dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht.</para>
      <para>Het ging om een eenvoudig karwei van beperkte omvang met daarbij naar redelijke ver-</para>
      <para>wachting beperkte veiligheidsrisico's, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat</para>
      <para>Du Puy niet wist dat er een lichtkoepel in het dak zou worden geplaatst. In een dergelijke</para>
      <para>situatie behoefde de leidinggevende van Du Puy zich niet zelf op de hoogte te stellen van</para>
      <para>mogelijke risico's. Zij mocht [appellant], die een ervaren dakdekker is en in het bezit is</para>
      <para>van een veiligheidsdiploma in staat achten zelf de risico's verbonden aan het karwei te</para>
      <para>beoordelen en te handelen naar bevind van zaken. </para>
      <para>Dat het gat voor de lichtkoepel (onder het isolatiemateriaal) niet volgens de eisen van de</para>
      <para>Arbowet was gemarkeerd, maar door de rand van de lichtkoepel kan niet tot een ander</para>
      <para>oordeel leiden, aangezien Du Puy niet wist dar er een lichtkoepel in het dak zou worden</para>
      <para>aangebracht. </para>
      <para>Nu de slotsom is dat Du Puy heeft voldaan aan haar zorgplicht van artikel 7: 658 lid 2</para>
      <para>BW, kan zij op deze grond niet aansprakelijk gehouden worden voor de schade van [appellant]. De eisen gesteld aan het goed werkgeverschap van artikel 7: 611 BW in dit kader</para>
      <para>houden niet meer of anders in dan die gesteld aan de zorgplicht van artikel 7: 658 BW,</para>
      <para>zodat ook op die grond niet tot aansprakelijkheid van Du Puy kan worden geconcludeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6  Het systeem van artikel 7: 658 BW brengt met zich mee dat niet wordt toegekomen</para>
      <para>aan de vraag of de schade van [appellant] het gevolg is van opzet of van bewuste roeke-</para>
      <para>loosheid, nu is vastgesteld dat Du Puy niet aansprakelijk gehouden kan worden voor deze </para>
      <para>schade omdat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Grief 4 faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7  Uit bovenstaande volgt dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd.</para>
      <para>[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep</para>
      <para>worden veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.  De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Terneuzen van 1 september 1999;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van</para>
      <para>Du Puy gevallen, tot dusver begroot op f. 400,-- aan verschotten en op f. 1.650,-- aan</para>
      <para>salaris van haar procureur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. H.A. Witsiers, B.J.R.P. Verhoeven en E.K. van der</para>
      <para>Lende-Mulder Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2001 in</para>
      <para>tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>