<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:42:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9078</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Middelburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Middelburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">961/1998</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078 Rechtbank Middelburg , 15-11-2000 / 961/1998</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMID:2000:AA9078:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>d.d. 15 november 2000</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arrondissementsrechtbank te Middelburg, enkelvoudige kamer, overweegt en beslist als</para>
      <para>volgt inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Rolno. 961/98</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres], </para>
      <para>wonende te Krommenie,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>procureur: mr. C.H. Brinkman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [gedaagde 1], en</para>
      <para>2. [gedaagde 2], </para>
      <para>beiden wonende te Aardenburg, gemeente Sluis-Aardenburg,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>procureur: mr. J.L.M. Burlet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.       Het verdere procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis d.d. 7 juni 2000. Ter uitvoering daarvan zijn</para>
      <para>in enquête twee getuigen gehoord. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para>Vervolgens hebben partijen gefourneerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.       De verdere beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. [gedaagde 2] is toegelaten door middel van getuigen te bewijzen dat zij ten tijde van het</para>
      <para>sexueel misbruik van [eiseres] door [gedaagde 1] gedurende de periode 1982-1984 daarvan</para>
      <para>niet heeft geweten.</para>
      <para>[gedaagde 2] heeft daartoe [gedaagde 1] alsmede zichzelf als partij-getuige doen horen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] is geslaagd in het door haar te leveren</para>
      <para>bewijs. Uit de in het getuigenverhoor door [gedaagde 2] afgelegde verklaring volgt dat zij</para>
      <para>nooit daadwerkelijk getuige is geweest van  sexuele handelingen die [gedaagde 1] met</para>
      <para>[eiseres] pleegde en dat zij van dergelijke handelingen ook geen tastbaar bewijs of</para>
      <para>aanwijzing, bijvoorbeeld in de vorm van spermavlekken op het beddengoed of elders, heeft</para>
      <para>aangetroffen. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard niet te kunnen geloven dat [gedaagde 1] door</para>
      <para>de ontluchting in de doucheruimte naar [eiseres] heeft gekeken terwijl deze stond te</para>
      <para>douchen en nooit gaten in de muur tussen de slaapkamer van haar en [gedaagde 1] en die van</para>
      <para>[eiseres] te hebben waargenomen. Hetgeen [gedaagde 2] verklaart wordt ondersteund door de</para>
      <para>verklaring van [gedaagde 1], waaruit blijkt dat hij tijdens het plegen van sexuele handelingen</para>
      <para>met [eiseres] er altijd voor zorgde dat dit buiten aanwezigheid van [gedaagde 2] gebeurde,</para>
      <para>omdat hij het idee had dat [gedaagde 2] het plegen van dergelijke handelingen niet zou</para>
      <para>goedkeuren. Tevens ondersteunt de verklaring van [gedaagde 1] die van [gedaagde 2] waar hij stelt</para>
      <para>heel zeker te weten bij de sexuele handelingen met [eiseres] nooit klaargekomen te zijn</para>
      <para>en nooit op het dak te zijn geklommen om via de ontluchting in de doucheruimte naar</para>
      <para>[eiseres] te kijken terwijl deze stond te douchen of gaten te hebben gemaakt in de muur</para>
      <para>tussen zijn slaapkamer en die van [eiseres]. Nu uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 2]</para>
      <para>gedurende de periode 1982-1984 nooit getuige is geweest van het sexueel misbruik en zij</para>
      <para>hiervan ook geen aanwijzingen heeft gevonden waaruit ze het aan de orde zijn van</para>
      <para>dergelijk misbruik had kunnen afleiden, is het bewijs dat [gedaagde 2] gedurende deze periode</para>
      <para>niet van het sexueel misbruik van [eiseres] door [gedaagde 1] heeft geweten, geleverd te</para>
      <para>achten. De rechtbank is daarom van oordeel dat er voor wat betreft voornoemde periode</para>
      <para>geen sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde 2] ten opzichte van [eiseres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. Vast staat dat [gedaagde 2] in de periode van 1984 tot 1987 op de hoogte was van het</para>
      <para>door [gedaagde 1] met [eiseres] in de daaraan voorafgaande periode gepleegde sexueel</para>
      <para>misbruik. Voorts kan, gelet op hetgeen hieromtrent in voornoemd tussenvonnis is</para>
      <para>overwogen, als vaststaand worden aangenomen dat het sexueel misbruik van [eiseres]</para>
      <para>door [gedaagde 1] gedurende de jaren 1984 tot 1987 nog heeft voortgeduurd. Beoordeeld dient</para>
      <para>te worden of  [gedaagde 2] gedurende deze periode voldoende heeft ondernomen teneinde</para>
      <para>herhaling van het sexueel misbruik te voorkomen. Daarbij dient in aanmerking te worden</para>
      <para>genomen dat [gedaagde 2] als moeder van de toen minderjarige [eiseres] geacht moet worden</para>
      <para>een grote verantwoordelijkheid te hebben ten aanzien van zowel het lichamelijke als</para>
      <para>geestelijke welzijn van haar dochter in dit opzicht. Zulks betekent feitelijk dat van haar</para>
      <para>gevergd kan worden dat zij zich in verregaande mate in diende te spannen om herhaling</para>
      <para>van het sexueel misbruik door [gedaagde 1] te voorkomen. Indien vast komt te staan dat</para>
      <para>[gedaagde 2] in deze periode onvoldoende heeft ondernomen om sexueel misbruik van</para>
      <para>[eiseres] door [gedaagde 1] te voorkomen, levert dit ten opzichte van [eiseres] een</para>
      <para>onrechtmatige daad op die [gedaagde 2] verplicht de daaruit voor [eiseres] voortvloeiende</para>
      <para>schade aan haar te vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De maatregelen die [gedaagde 2] stelt te</para>
      <para>hebben genomen nadat bekend was geworden dat [gedaagde 1] [eiseres] sexueel had</para>
      <para>misbruikt komen erop neer, dat [gedaagde 2] het Maatschappelijk Werk had ingeschakeld,</para>
      <para>afspraken heeft gemaakt met [gedaagde 1],  [gedaagde 1] en [eiseres] in de gaten heeft gehouden</para>
      <para>en [eiseres] heeft verboden op de slaapkamer van haar en [gedaagde 1] te komen. Uit het feit</para>
      <para>dat, ondanks de door [gedaagde 2] getroffen maatregelen, toch herhaling van het sexueel</para>
      <para>misbuik plaatsvond blijkt dat deze maatregelen onvoldoende adequaat waren. Vanwege de</para>
      <para>verregaande mate van verantwoordelijkheid voor haar minderjarige dochter mocht immers</para>
      <para>van [gedaagde 2] gevergd worden dat zij, nu zij toestond dat [gedaagde 1] gedurende de jaren</para>
      <para>1984 tot 1987 nog in hetzelfde huis woonde als [eiseres], een dermate strikt toezicht op</para>
      <para>hem hield dat er voor hem in het geheel geen mogelijkheid meer was om [eiseres]</para>
      <para>opnieuw sexueel te misbruiken. </para>
      <para>De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [gedaagde 2] in de periode van</para>
      <para>1984 tot 1987 onvoldoende heeft ondernomen om sexueel misbruik van [eiseres] door</para>
      <para>[gedaagde 1] in die periode te voorkomen. Deze omstandigheid levert en onrechtmatige  daad</para>
      <para>op van [gedaagde 2] jegens [eiseres], welke daad overigens nog eens versterkt wordt door de</para>
      <para>door [gedaagde 2] (tot heden) ingenomen houding van ontkenning en verwijt in de richting van</para>
      <para>[eiseres] in die zin dat zij [eiseres] verwijt dit misbruik (deels) aan haar eigen houding</para>
      <para>te danken te hebben. </para>
      <para>[gedaagde 2] is derhalve schadeplichtig ten opzichte van [eiseres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5. Ten aanzien van de hoogte van de immateriële schadevergoeding overweegt de</para>
      <para>rechtbank als volgt. Aan te nemen valt dat [eiseres] door de met haar gepleegde</para>
      <para>ontuchtige handelingen nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden en nog</para>
      <para>ondervindt. Zij heeft haar hiertoe strekkende stelling nadere invulling gegeven door te</para>
      <para>stellen dat zij onder meer contactuele problemen ondervindt en aan angsten en depressies</para>
      <para>lijdt. Zij onderbouwt deze stelling nog door aan te voeren dat zij onder behandeling is</para>
      <para>geweest van een psychotherapeut, naar de inhoud van wiens rapport zij ook verwijst, en</para>
      <para>dat zij op korte termijn zal beginnen in een therapiegroep met mensen die hetzelfde hebben</para>
      <para>meegemaakt. </para>
      <para>Het feit dat [eiseres] zich eerst 15 jaar na het sexueel misbruik tot een therapeut heeft</para>
      <para>gewend doet niets af aan de ernst van de psychische gevolgen van dat misbruik die</para>
      <para>[eiseres] ondervindt en ondervonden heeft. Ook het feit dat [eiseres] in 1992 gedurende</para>
      <para>6 maanden bij gedaagden in huis heeft gewoond kan niet tot een dergelijke conclusie</para>
      <para>leiden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het besef van de middels het</para>
      <para>sexueel misbruik aangerichte schade in gevallen waarin sprake is van sexueel misbruik</para>
      <para>gedurende de jeugd van het slachtoffer veelal eerst vele jaren na het beëindigd zijn van het</para>
      <para>ondergane misbruik ontstaat. </para>
      <para>Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding zal de rechtbank acht slaan op</para>
      <para>de ernst van het veroorzaakte leed. Door de ontuchtige handelingen van [gedaagde 1] is de</para>
      <para>lichamelijke integriteit van [eiseres] ernstig aangetast. Zij ondervindt hiervan thans nog</para>
      <para>ernstig psychisch leed. De psychische schade die [eiseres] heeft ondervonden en ook</para>
      <para>thans nog ondervindt acht de rechtbank echter voor een aanzienlijk deel gegrond op de</para>
      <para>afwijzende en weinig begripvolle houding die [gedaagde 2] ten opzichte van haar dochter</para>
      <para>[eiseres] heeft aangenomen en het feit dat zij onvoldoende adequate maatregelen heeft</para>
      <para>genomen teneinde het sexueel misbruik na 1984 niet te laten voortduren, zoals hiervoor</para>
      <para>onder rechtsoverweging 2.4. is overwogen. De reeds door [gedaagde 1] aan [eiseres]</para>
      <para>toegebrachte schade is met name door het als onrechtmatige daad te kwalificeren gedrag</para>
      <para>van [gedaagde 2] aanzienlijk vergroot. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval,</para>
      <para>acht de rechtbank een totaalbedrag aan immateriële schadevergoeding van f. 25.000,--</para>
      <para>billijk. De rechtbank zal de door [eiseres] na wijziging van eis gevorderde hoofdelijkheid</para>
      <para>achterwege laten, nu zij hiervoor geen grond aanwezig acht. De onrechtmatige daad van</para>
      <para>[gedaagde 1] (sexueel misbruik) is immers van geheel andere aard dan die van [gedaagde 2] (met</para>
      <para>name het achterwege laten van adequate maatregelen teneinde herhaling van sexueel</para>
      <para>misbruik te voorkomen). De rechtbank is, gelet op hetgeen zij hiervoor reeds heeft</para>
      <para>overwogen omtrent de mate van verantwoordelijkheid voor de toegebrachte schade, van</para>
      <para>oordeel dat [gedaagde 2] het grootste deel van de schade heeft veroorzaakt. Zij zal dan ook</para>
      <para>bepalen dat [gedaagde 2] een bedrag van f. 15.000,-- aan immateriële schadevergoeding aan</para>
      <para>[eiseres] dient te betalen, terwijl [gedaagde 1] uit dien hoofde een bedrag van f. 10.000,-- aan</para>
      <para>[eiseres] dient te voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6. Gelet op het hiervoor overwogene en hetgeen reeds in voornoemd tussenvonnis is</para>
      <para>overwogen omtrent de door [eiseres] gevorderde materiële schadevergoeding  zal deze bij</para>
      <para>gebrek aan (voldoende) tegenspraak van de zijde van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] op</para>
      <para>onderstaande wijze worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7. Gedaagden zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten</para>
      <para>worden veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.       De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van f. 10.000,--</para>
      <para>(tienduizend gulden) betreffende immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de</para>
      <para>wettelijke rente vanaf 16 december 1999;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van f. 15.000,--</para>
      <para>(vijftienduizend gulden) betreffende immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de</para>
      <para>wettelijke rente vanaf 16 december 1999;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van een materiële</para>
      <para>schadevergoeding, één en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de</para>
      <para>wet;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres]</para>
      <para>tot aan deze uitspraak begroot op f. 3.870,-- aan procureurssalaris en f. 817,50 aan</para>
      <para>verschotten, te betalen aan de griffier van deze rechtbank; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.P. van Alphen en uitgesproken ter openbare</para>
      <para>terechtzitting van woensdag 15 november 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>