<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-11T17:10:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBMID:2000:AO0378</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9076</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Middelburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Middelburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34/2000</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076 Rechtbank Middelburg , 08-11-2000 / 34/2000</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMID:2000:AA9076:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>d.d. 8 november 2000.            </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arrondissementsrechtbank te Middelburg, enkelvoudige kamer, overweegt en</para>
      <para>beslist als volgt inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>rolnr. 34/2000</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap RAVA B.V., hierna te noemen: Rava, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende Schoondijke, gemeente Oostburg,</para>
      <para>opposante,</para>
      <para>procureur: mr. E.H.A. Schute,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de gemeente Oostburg,  hierna te noemen: de Gemeente, </para>
      <para>zetelende te Oostburg,</para>
      <para>geopposeerde,</para>
      <para>procureur: mr. C.J. IJdema.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.   Het procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende processtukken zijn gewisseld:</para>
      <para>- conclusie van eis in oppositie overeenkomstig de dagvaarding,</para>
      <para>- conclusie van antwoord in oppositie,</para>
      <para>- conclusie van repliek in oppositie,</para>
      <para>- conclusie van dupliek in oppositie.</para>
      <para>Door partijen zijn produkties in het geding gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.   De feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 Bij besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente</para>
      <para>Oostburg (hierna: het College) van 15 september 1998 is aan de Maatschap</para>
      <para>Raaijmakers, de rechtsvoorganger van Rava en hierna aan te duiden met</para>
      <para>Raaijmakers, een dwangsomaanschrijving gedaan wegens overtreding van één van</para>
      <para>de voorschriften van de op 25 oktober 1994 aan Raaijmakers verleende milieuver-</para>
      <para>gunning.</para>
      <para>Bij dat besluit is een termijn gesteld om aan die overtreding een einde te maken.</para>
      <para>Voorts is daarbij de hoogte van de te verbeuren dwangsom bepaald op f. 250,--</para>
      <para>per dag dat de gewraakte overtreding na het verstrijken van die gestelde termijn </para>
      <para>voortduurt en is het maximum van te verbeuren dwangsom bepaald op f. 8.000,--.</para>
      <para>Tegen dat -na bezwaar gehandhaafde- besluit is door Raaijmakers geen beroep</para>
      <para>ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 Binnen de hiervoor bedoelde termijn heeft Raaijmakers geen einde gemaakt</para>
      <para>aan de overtreding. Die overtreding is ook nadien blijven voortduren, zodat</para>
      <para>Raaijmakers per 1 januari 1999 het maximumbedrag van de opgelegde dwangsom</para>
      <para>heeft verbeurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3 Bij brief van 31 mei 1999 heeft het College aan Raaijmakers meegedeeld, dat</para>
      <para>hij het verzoek van Raaijmakers om de dwangsombeschikking van 15 september</para>
      <para>1998 in te trekken in overweging heeft genomen en daarover zo spoedig mogelijk</para>
      <para>nader zal berichten  Het College heeft daaraan toegevoegd: "Wel stuiten wij bij</para>
      <para>deze de verjaring van de verbeurde dwangsommen".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4 Bij besluit van 23 november 1999 heeft het College besloten tegen Rava een</para>
      <para>dwangbevel uit te vaardigen tot een bedrag van f. 8.000,--, vermeerderd met de op</para>
      <para>de invordering vallende kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5 Bij exploit van 26 november 1999 is door gerechtsdeurwaarder Dirk </para>
      <para>Doeze Jager te Oostburg bedoeld dwangbevel aan Rava betekend en is Rava bevo-</para>
      <para>len om te voldoen een bedrag van f. 8.000,-- aan hoofdsom, vermeerderd met de</para>
      <para>wettelijke rente, f. 1.233,75 aan invorderingskosten en f. 84,89 aan betekenings-</para>
      <para>kosten.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>2.6 Op 29 december 1999 is Rava in verzet gekomen tegen bedoeld dwangbevel</para>
      <para>door dagvaarding van de Gemeente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> 3.  Het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Rava vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal worden</para>
      <para>verklaard dat Rava zich terecht verzet tegen het dwangbevel van de Gemeente van</para>
      <para>23 november 1999, betekend op 26 november 1999, dat dit dwangbevel nietig zal</para>
      <para>worden verklaard, althans zal worden vernietigd en/of buiten effect zal worden</para>
      <para>gesteld, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 Ter onderbouwing van haar vordering stelt Rava dat de Gemeente van invor-</para>
      <para>dering heeft behoren af te zien nu zij wist dat Rava alsnog aan het door de Ge-</para>
      <para>meente gestelde erfbeplantingsvoorschrift zou voldoen en dat de bevoegdheid tot </para>
      <para>invordering van de verbeurde dwangsom op 23 november 1999 is verjaard. Tot</para>
      <para>slot bestrijdt Rava dat de buitengerechtelijke kosten f. 1.233,75 hebben bedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 De Gemeente stelt zich op het standpunt dat zij terecht van haar bevoegdheid</para>
      <para>om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen gebruikt maakt</para>
      <para>en dat de verjaring is gestuit door de brief van het College van 31 mei 1999. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.   De beoordeling van het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Het beroep van Rava op verjaring slaagt naar het oordeel van de rechtbank</para>
      <para>niet, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.</para>
      <para>Ingevolge artikel 3:326 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vinden de bepalingen</para>
      <para>(artikel 3:296 tot en met artikel 3:325) van Titel 11: Rechtsvorderingen, buiten het</para>
      <para>vermogensrecht overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de betrokken</para>
      <para>rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.</para>
      <para>Blijkens de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van</para>
      <para>de in het BW neergelegde schakelbepalingen, waaronder die vervat in artikel</para>
      <para>3:326,  gaat het bij die bepalingen niet om regels die een uitsluitend privaatrechte-</para>
      <para>lijk karakter hebben, maar om regels die voor een deel beschouwd kunnen worden</para>
      <para>als uitdrukking van meer algemene regels die de verschillende rechtsgebieden ge-</para>
      <para>meenschappelijk hebben. Blijkens de algemene opmerkingen bij dit artikel geeft</para>
      <para>de redactie van die schakelbepalingen, ook naar de letter, geen aanleiding voor de</para>
      <para>uitleg dat zij niet voor het bestuursrecht gelden, zodat het niet voor de hand ligt</para>
      <para>om alsnog een tekstuele aanpassing aan te brengen, terwijl verwacht mag worden</para>
      <para>dat zij ook bij de behandeling van de wetsvoorstellen betreffende de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb) nog aan de orde zal komen.</para>
      <para>Artikel 5:35 lid 1 Awb bepaalt dat de bevoegdheid tot invordering van verbeurde</para>
      <para>bedragen verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn ver-</para>
      <para>beurd. </para>
      <para>Uit de Awb noch uit de parlementaire geschiedenis inzake de totstandkoming van</para>
      <para>genoemd artikelonderdeel is af te leiden dat de bewoordingen of de strekking van</para>
      <para>dat artikelonderdeel aldus dienen/dient te worden verstaan dat stuiting van de</para>
      <para>daarin bedoelde verjaring uitgesloten is.</para>
      <para>Gevolg van het hiervoor staande is dat de in titel 11 van het BW voorziene rege-</para>
      <para>ling op het bepaalde in artikel 5:35 lid 1 Awb van toepassing is, tenzij de aard</para>
      <para>van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen verzet. </para>
      <para>Een dergelijk verzet is naar het oordeel van de rechtbank gesteld noch gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 3:317 BW wordt de verjaring van een rechts-</para>
      <para>vordering gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke me-</para>
      <para>dedeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voor-</para>
      <para>behoudt.</para>
      <para>In het onderhavige geval is de -dagelijkse- verbeurte van een dwangsom van </para>
      <para>f. 250,-- aangevangen op 1 december 1998, zodat de bevoegdheid van de Ge-</para>
      <para>meente om die dwangsommen in te vorderen eindigde op 1 juni 1999 voorzover</para>
      <para>het betreft de eerst verbeurde dwangsom per dag.</para>
      <para>Bij brief van 31 mei 1999 van het College bericht dit aan Raaijmakers dat </para>
      <para>" inmiddels tot het maximumbedrag van f. 8.000,-- zijn verbeurd" en "Wel stuiten</para>
      <para>wij bij deze de verjaring van de verbeurde dwangsommen". </para>
      <para>Uit deze brief is naar het oordeel van de rechtbank niet anders af te leiden, dan</para>
      <para>dat het College aan Raaijmakers meedeelt dat zij zich het recht voorbehoudt om</para>
      <para>de verbeurde dwangsommen van deze in te vorderen nadat zij een beslissing heeft</para>
      <para>genomen omtrent een door Raaijmakers gedaan verzoek, strekkende tot de intrek-</para>
      <para>king van de dwangsombeschikking.</para>
      <para>Aldus voldoet deze brief aan het gestelde in artikel 3:317 BW. Het gevolg daar-</para>
      <para>van is dat per 31 mei 1999 een nieuwe verjaringstermijn als bedoeld in artikel</para>
      <para>5:35 Awb is gaan lopen, welke termijn een einde zou nemen, behoudens verdere</para>
      <para>stuiting, op 30 november 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 Bij besluit van 23 november 1999, bekendgemaakt op 26 november 1999,</para>
      <para>heeft de Gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsom van f. 8.000,--</para>
      <para>over te gaan. Dit besluit is genomen en bekendgemaakt binnen de (verlengde)</para>
      <para>verjaringstermijn, zodat dat rechtskracht heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4 De verbeurte van de dwangsom van f. 8.000,-- heeft Rava niet inhoudelijk</para>
      <para>bestreden, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan dient uit te gaan.</para>
      <para>Aan het betoog van Rava dat door de Gemeente een nieuwe termijn is gesteld om</para>
      <para>aan haar verplichtingen te voldoen en dat de Gemeente om die reden had dienen</para>
      <para>af te zien van het gebruik maken van haar bevoegdheid om tot de in geding zijnde</para>
      <para>invordering over te gaan, dient verder te worden voorbijgegaan. Uit de in dit ver-</para>
      <para>band door Rava aangehaalde brief van 17 november 1999 van het College blijkt</para>
      <para>slechts dat het College reeds op 1 oktober 1999 aan Raaijmakers heeft meege-</para>
      <para>deeld dat de Gemeente niet langer wenste te wachten met het invorderen van de</para>
      <para>dwangsom, indien Raaijmakers niet uiterlijk voor 16 november 1999 zou berichten</para>
      <para>dat hij de verlangde erfbeplanting had aangebracht overeenkomstig de voorschrif-</para>
      <para>ten. </para>
      <para>Blijkens de eigen stelling van Rava werd de beplanting op dat moment wel aan-</para>
      <para>gebracht en waren de werkzaamheden op 29 december 1999 voltooid. Hieruit leidt</para>
      <para>de rechtbank af, dat Rava zich ook niet aan de nadere eis van de Gemeente heeft</para>
      <para>gehouden, zodat de Gemeente op 23 november 1999 heeft kunnen besluiten over</para>
      <para>te gaan tot de invordering van de dwangsom.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5 Met betrekking tot de bij het dwangbevel waarvan verzet medegevorderde</para>
      <para>buitengerechtelijke kosten is de rechtbank van oordeel, dat de gemeente niet</para>
      <para>inzichtelijk heeft gemaakt welke kosten zij in verband met de invordering van de</para>
      <para>verbeurde dwangsommen heeft gemaakt dan wel nog zal hebben te maken.</para>
      <para>Het verzet van Rava tegen dat deel van het dwangbevel is daarom gegrond.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6 De verschuldigdheid van de betekeningskosten heeft Rava niet bestreden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7 Met inachtneming van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat</para>
      <para>de vorderingen van Rava dienen te worden afgewezen, behoudens voorzover die</para>
      <para>betreffen de bij het dwangbevel waarvan verzet medegevorderde buitengerech-</para>
      <para>telijke kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8 Als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij dient Rava te</para>
      <para>worden verwezen in de kosten van deze verzetprocedure.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.   De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het verzet gegrond voorzover dat is gericht tegen de verschuldigdheid</para>
      <para>van de bij dwangbevel waarvan verzet medegevorderde buitengerechtelijke kosten</para>
      <para>ad f. 1.233,75;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het verzet voor het overige ongegrond en wijst de daarmee samenhan-</para>
      <para>gende vorderingen af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Rava in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de gemeente</para>
      <para>gevallen en tot deze uitspraak begroot op f. 400,-- aan verschotten en f. 1.720,--</para>
      <para>aan procureurssalaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.P. van Alphen en uitgesproken ter openbare</para>
      <para>terechtzitting van woensdag 8 november 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>