<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T15:03:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3714</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6736</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Maastricht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Maastricht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1328 WET V en 99/1335 WET VV PER</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81&amp;g=1999-11-03">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:86&amp;g=1999-11-03">Algemene wet bestuursrecht 8:86</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=30&amp;g=1999-11-03">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/309</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714 Rechtbank Maastricht , 03-11-1999 / 99/1328 WET V en 99/1335 WET VV PER</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>486 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT</para>
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nrs.:       99/ 1328 WET V + 99 / 1335 WET VV PER</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak</para>
      <para>op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van evengenoemde wet in het</para>
      <para>geschil tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>A hodn Vogelpreventie Limburg te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij -Afdeling</para>
      <para>Rechtsbescherming-, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit</para>
      <para>van verweerder van 18 augustus 1999, kenmerk 99.5.0021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Datum zitting: 28 oktober 1999</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 augustus 1999</para>
      <para>heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 14 januari 1999</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen het eerstgenoemde besluit is door de gemachtigde van eiser, mr. R.</para>
      <para>Bergman, medewerker bij DAS rechtsbijstand, bij brief van 27 september een</para>
      <para>beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij</para>
      <para>deze rechtbank. Tevens heeft de gemachtigde van eiser zich gewend tot de</para>
      <para>president van de rechtbank met het verzoek terzake een voorlopige voorziening te</para>
      <para>treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken</para>
      <para>zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van</para>
      <para>28 oktober 1999, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens</para>
      <para>verweerder is mr. Hofstede verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit beroep is</para>
      <para>ingesteld bij de rechtbank, de president van de rechtbank die bevoegd is in de</para>
      <para>hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde</para>
      <para>spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is</para>
      <para>ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de</para>
      <para>president alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij na de</para>
      <para>behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek</para>
      <para>redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze</para>
      <para>bevoegdheid van de president is partijen gewezen in de kennisgeving van</para>
      <para>behandeling ter zitting.</para>
      <para>Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter</para>
      <para>zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de</para>
      <para>zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of</para>
      <para>omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86,</para>
      <para>eerste lid, van de Awb verzetten. De president doet dan ook onmiddellijk uitspraak</para>
      <para>in de hoofdzaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.2. Eiser, van beroep valkenier, is bij brief van 30 november 1998 door verweerder</para>
      <para>op de hoogte gesteld van het feit dat zijn valkeniersvergunning wordt ingetrokken in</para>
      <para>verband met een beleidswijziging. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld een</para>
      <para>nieuwe vergunning aan te vragen. Bij aanvraag van 14 december 1998 heeft eiser</para>
      <para>van deze gelegenheid gebruik gemaakt.</para>
      <para>Bij brief van 14 januari 1999 heeft verweerder eiser een nieuwe vergunning voor de</para>
      <para>uitoefening van de valkerij toegekend.</para>
      <para>In de vergunning, die strekt tot het verrichten van de verboden handelingen zoals</para>
      <para>genoemd in artikel 7 en 9 van de Vogelwet 1936, is onder voorschrift 1 de</para>
      <para>voorwaarde opgenomen dat - kort gezegd - de vogels dienen te zijn voorzien van</para>
      <para>een naadloos gesloten pootring met een zodanige letter- en of cijfercode dat de</para>
      <para>vogels individueel herkenbaar zijn.</para>
      <para>Onder voorschrift 3 van de vergunning is bepaald dat, in afwijking van het</para>
      <para>voorafgaande, de vergunning eveneens geldt voor haviken en slechtvalken die zijn</para>
      <para>voorzien van een open pootring die namens het ministerie van Landbouw,</para>
      <para>Natuurbeheer en Visserij door het CBJ is verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft in maart 1996 een slechtvalk (Falco Peregrinus) uit Duitsland ingevoerd</para>
      <para>- genaamd Dunja - die aldaar is gekweekt en die een zogenaamde Duitse breekring</para>
      <para>of WAA-ring draagt, een en ander in overeenstemming met de destijds in Duitsland</para>
      <para>geldende regelgeving.</para>
      <para>Op 21 januari 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening.</para>
      <para>Eiser heeft verweerder daarbij verzocht om voorschrift 3 van de vergunning in die</para>
      <para>zin te wijzigen dat daarin vermeld zal worden dat ook de zogenaamde WAA-ringen</para>
      <para>zijn toegestaan, welke in het buitenland door een overheidsorgaan of door een in</para>
      <para>het betreffende land erkende organisatie zijn verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.3. Bij het thans bestreden besluit van 18 augustus 1999 heeft verweerder het</para>
      <para>bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij, onder</para>
      <para>verwijzing naar de artikelen 5, 7, 8 en 9 van de Vogelwet en artikel 6 en 8 van het</para>
      <para>Vogelbesluit 1994, het volgende standpunt ingenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de invoering van het Vogelbesluit 1994, waarbij in artikel 6 het ringen en</para>
      <para>registreren van vogels is geregeld, is een overgangsregeling getroffen. Deze</para>
      <para>regeling houdt in dat open pootringen tot twee maanden na inwerkingtreding van</para>
      <para>het besluit op 1 september 1994 konden worden aangevraagd; de open ringen</para>
      <para>mochten worden aangebracht tot zes maanden na de inwerkingtreding van het</para>
      <para>besluit. Nu eiser de slechtvalk op 10 mei 1995 heeft verkregen, op 3 maart 1996</para>
      <para>heeft verzocht om overschrijving van Dunja op zijn naam en het registratiebewijs</para>
      <para>van het CBJ waarop Dunja is vermeld is gedateerd 22 november 1996, heeft</para>
      <para>verweerder geconcludeerd dat de slechtvalk niet voor de overgangsregeling, die</para>
      <para>gold van 1 september 1994 tot 1 november 1994, in aanmerking kan komen.</para>
      <para>De vergunningen die daarna aan eiser zijn afgegeven golden niet voor slechtvalk</para>
      <para>Dunja. Volgens verweerder behoorde eiser op de hoogte te zijn van de gewijzigde</para>
      <para>regelgeving.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de WAA-ring een open ring</para>
      <para>is die op iedere leeftijd van de vogel kan worden aangebracht en die derhalve geen</para>
      <para>bewijs levert dat de vogel in gevangenschap is gefokt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.4. In beroep is namens eiser onder meer het standpunt ingenomen dat het besluit</para>
      <para>van verweerder in strijd is met het Europese recht, nu het niet van toepassing zijn</para>
      <para>van de vergunning op de slechtvalk een kwantitatieve beperking is van gelijke</para>
      <para>werking in de zin van artikel 28, voorheen artikel 30, van het EG-verdrag. De</para>
      <para>gemachtigde van eiser heeft er daarbij op gewezen dat de ring van de slechtvalk</para>
      <para>voldeed aan de in het kader van de toentertijd geldende Cites-verordening gestelde</para>
      <para>voorwaarden.</para>
      <para>Tenslotte is namens eiser aangevoerd dat is voldaan aan de vereisten van een</para>
      <para>gesloten pootring als bedoeld in artikel 11 van het Vogelbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5. In dit geschil dient de president de vraag te beantwoorden of het thans</para>
      <para>bestreden besluit van 18 augustus 1999 in rechte stand kan houden. Daarbij spitst</para>
      <para>het geschil zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht en</para>
      <para>op goede gronden heeft gehandhaafd voorschrift 3 van de aan eiser op 14 januari</para>
      <para>1999 afgegeven vergunning, waarbij de afwijking van voorschrift 1 wordt beperkt tot</para>
      <para>haviken en slechtvalken die zijn voorzien van een open pootring die namens het</para>
      <para>ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij door het CBJ is verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de president als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.1. Op grond van artikel 7 van de Vogelwet is het verboden beschermde vogels</para>
      <para>onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten</para>
      <para>verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te</para>
      <para>vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het</para>
      <para>grondgebied van Nederland te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11, eerste lid, van de Vogelwet bepaalt dat vergunning kan worden verleend</para>
      <para>ten behoeve van de uitoefening van de jacht, tot het terugvangen, onder zich</para>
      <para>hebben, afleveren, vervoeren of binnen of buiten het grondgebied van Nederland</para>
      <para>brengen van één of meer haviken (Accipiter gentilis) of één of meer slechtvalken</para>
      <para>(Falco peregrinus) of tot het onder zich hebben van eieren en nesten van zodanige</para>
      <para>haviken of slechtvalken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11, tweede lid, van de Vogelwet bepaalt, voorzover hier van belang, dat bij</para>
      <para>algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld betreffende het</para>
      <para>onder zich hebben van de in het eerste lid bedoelde vogels. Deze regels hebben in</para>
      <para>ieder geval betrekking op het verstrekken en aanbrengen van ringen of merken aan</para>
      <para>de vogels, en op de registratie van de vogels.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.2. Vast staat, en niet wordt betwist, dat eiser de slechtvalk, die in Duitsland is</para>
      <para>gefokt en in gevangenschap is geboren, op 10 mei 1995 in Duitsland heeft gekocht</para>
      <para>en in 1996 in Nederland heeft ingevoerd.</para>
      <para>Op de handel in de slechtvalk is de CITES-regelgeving (Convention on Trade in</para>
      <para>Endangered Species of wild fauna and flora) van de Europese Unie van</para>
      <para>toepassing.</para>
      <para>In het kader van deze regelgeving heeft de daartoe bevoegde autoriteit in Duitsland</para>
      <para>op 6 september 1995 vergunning verleend voor de uitvoer van de slechtvalk en op</para>
      <para>26 april 1996 heeft de minister een vergunning afgegeven voor de invoer van de</para>
      <para>slechtvalk. Onder punt dertien van deze vergunning is het volgende vermeld: "It is</para>
      <para>hereby certified that the specimens described above 4. were born and bred in</para>
      <para>captivity, are parts of such animals, or were derived therefrom."</para>
      <para>De slechtvalk was voorzien van een door de Duitse overheid erkende open</para>
      <para>pootring, de zogenaamde WAA-ring (Washington Atrenschutz Abkommen, in</para>
      <para>Nederland CITES).</para>
      <para>Eiser beschikte toentertijd over een vergunning van verweerder welke hem op 31</para>
      <para>augustus 1994 was verleend. Eiser ging er vanuit dat deze vergunning ook voor</para>
      <para>slechtvalk Dunja gold.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.3. Ten tijde van de afgifte van de invoervergunning van de slechtvalk was de</para>
      <para>EG-Richtlijn 79/409 van de EEG van toepassing, welke richtlijn ziet op het behoud</para>
      <para>van de vogelstand. Tevens golden EEG-verordening 3626/82, die ziet op de</para>
      <para>toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst van Washington inzake de</para>
      <para>internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en</para>
      <para>EEG-verordening 3418/83 die bepalingen inhoudt voor eenvormige afgifte en</para>
      <para>gebruik van documenten die vereist zijn ter uitvoering van de eerstgenoemde</para>
      <para>verordening.</para>
      <para>De president overweegt dat de hiervoor genoemde Europese regelgeving geen</para>
      <para>voorschriften vermeldt ten aanzien van het registreren en ringen van vogels als hier</para>
      <para>in het geding, dit in tegenstelling tot de latere, zogenaamde uitvoeringsverordening,</para>
      <para>van de EEG 939/97 van 26 mei 1997, waarin in artikel 36, vijfde lid, is bepaald dat</para>
      <para>in gevangenschap geboren en gefokte vogels gemerkt worden met behulp van een</para>
      <para>naadloze, gesloten pootring.</para>
      <para>Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese</para>
      <para>Gemeenschappen (HvJ EG) in zaak C-169/89 (SEW 1991/261) overweegt de</para>
      <para>president voorts dat uit de algemene beschermingsdoelstellingen van EG-Richtlijn</para>
      <para>79/409 voortvloeit dat de lidstaten op grond van het bepaalde in artikel 14 van EG-</para>
      <para>Richtlijn 79/409 strengere maatregelen mogen nemen om een nog doeltreffender</para>
      <para>bescherming van de in de richtlijn genoemde vogelsoorten - waaronder de</para>
      <para>slechtvalk - te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.4. Verweerder heeft een en ander geregeld in het Vogelbesluit 1994. Ten tijde</para>
      <para>van de invoer van de slechtvalk gold in Nederland het Vogelbesluit 1994, Stb. 1994,</para>
      <para>625, in werking getreden op 1 september 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Vogelbesluit is in artikel 6, eerste lid, bepaald dat, onverminderd het</para>
      <para>bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet, het onder zich hebben van</para>
      <para>jachtvogels, gekweekte vogels als bedoeld in artikel 20 van de wet en vogels als</para>
      <para>bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de wet slechts is toegestaan, indien</para>
      <para>die vogels zijn voorzien van een door of vanwege Onze Minister op aanvraag</para>
      <para>afgegeven:</para>
      <para>- gesloten pootring als bedoeld in het tweede lid, of</para>
      <para>-       open pootring als bedoeld in het derde lid welke is voorzien van een</para>
      <para>registratienummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tweede lid van artikel 6 bepaalt als volgt.</para>
      <para>Een gesloten pootring:</para>
      <para>a.      heeft een zodanige middellijn dat deze alleen kan worden aangebracht aan een</para>
      <para>poot van een vogel als de vogel niet vliegvlug is,</para>
      <para>b.      is zodanig vervaardigd dat deze niet kan worden verwijderd zonder de ring te</para>
      <para>breken of te beschadigen of de poot van de vogel te verwonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het derde lid van artikel 6 is bepaald dat een open pootring zodanig vervaardigd</para>
      <para>is dat deze, nadat hij is gesloten rond een poot van een vogel, niet kan worden</para>
      <para>verwijderd zonder de ring te breken of te beschadigen of de poot van de vogel te</para>
      <para>verwonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 8, eerste lid, van het Vogelbesluit is bepaald dat - voorzover hier van</para>
      <para>belang - open pootringen als bedoeld in artikel 6 kunnen worden aangevraagd in de</para>
      <para>periode tot 2 maanden na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het tweede lid van artikel 8 is bepaald dat open pootringen worden verstrekt en</para>
      <para>aangebracht aan de poot van de vogels in de periode tot 6 maanden na het tijdstip</para>
      <para>van inwerkingtreding van dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11 van het Vogelbesluit bepaalt, voorzover hier van belang, dat,</para>
      <para>onverminderd het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet, in afwijking van de</para>
      <para>artikelen 6 of 7 het onder zich hebben van jachtvogels is toegestaan indien die</para>
      <para>vogels:</para>
      <para>a. in een ander land dan Nederland zijn gekweekt,</para>
      <para>c.      zijn voorzien van een door een overheidsorgaan van een andere staat dan</para>
      <para>Nederland of door een in een andere staat dan Nederland erkende organisatie</para>
      <para>afgegeven gesloten pootring die, behoudens het vereiste van afgifte door Onze</para>
      <para>Minister of de in artikel 7, tweede lid, vereiste aanduiding van de ringmaat, voldoet</para>
      <para>aan het bepaalde in respectievelijk de artikelen 6 of 7, waardoor de vogels</para>
      <para>individueel herkenbaar zijn en de herkomst van de vogels blijkt, en</para>
      <para>d.      overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11, 12, 20 of 35 van</para>
      <para>de wet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.5. De president overweegt dat de overgangsperiode als genoemd in artikel 8</para>
      <para>van het Vogelbesluit ruimschoots was verstreken toen eiser overging tot de</para>
      <para>aanschaf van de betreffende slechtvalk. Blijkens de stukken en het verhandelde ter</para>
      <para>zitting kampen meerdere valkeniers met het voorliggende probleem en zal</para>
      <para>verweerder bezien of in de toekomstige Flora- en faunawet een voorziening kan</para>
      <para>worden getroffen, zodat de valkeniers de vogels rechtens onder zich kunnen</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat slechtvalk Dunja in Duitsland in gevangenschap is gekweekt en</para>
      <para>geboren. Ten tijde van de invoer van de slechtvalk in Nederland voldeed de</para>
      <para>zogenaamde WAA-ring in Duitsland aan de aldaar geldende regelgeving met</para>
      <para>betrekking tot het ringen van jachtvogels; in de Europese regelgeving was</para>
      <para>hieromtrent niets geregeld. Eerst met ingang van 1 januari 1999 is de naadloos</para>
      <para>gesloten pootring in Duitsland verplicht geworden. Sedertdien mag de WAA-ring</para>
      <para>alleen nog gebruikt worden in het kader van een overgangsregeling.</para>
      <para>Voorts staat vast dat de WAA-ring een pootring is die met een speciale pin wordt</para>
      <para>gesloten en die niet te verwijderen is zonder de ring te breken of de poot van de</para>
      <para>vogel te beschadigen. De WAA-ring is afgegeven door een in Duitsland erkende</para>
      <para>organisatie waardoor de vogel herkenbaar is en waaruit zijn herkomst blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.7. Zoals hiervoor reeds is aangegeven stelt eiser zich op het standpunt dat het</para>
      <para>bestreden besluit in strijd is met het communautaire recht. Hiertoe is namens eiser</para>
      <para>aangevoerd dat het niet van toepassing zijn van de vergunning op de slechtvalk</para>
      <para>een kwantitatieve beperking is van gelijke werking in de zin van artikel 30, van het</para>
      <para>EEG-verdrag. Dienaangaande overweegt de president als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 30 van het EEG-verdrag, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, is</para>
      <para>bepaald dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke</para>
      <para>werking tussen Lid-Staten verboden zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EG is als maatregel van gelijke werking</para>
      <para>als een kwantitatieve beperking in de zin van dit artikel te beschouwen, elke</para>
      <para>nationale maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks,</para>
      <para>daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Dit is met name het geval bij een</para>
      <para>nationale regeling die de situatie van nationale en van ingevoerde producten</para>
      <para>verschillend regelt of de afzet van ingevoerde producten op enigerlei wijze</para>
      <para>moeilijker maakt dan die van nationale producten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 36 van het EEG-verdrag is, voorzover hier van belang, bepaald dat de</para>
      <para>bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 geen beletsel vormen voor verboden</para>
      <para>of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit</para>
      <para>hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren of</para>
      <para>planten. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige</para>
      <para>discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten</para>
      <para>vormen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.8. De president stelt voorop dat tussen partijen niet in geding is dat de</para>
      <para>slechtvalk in Duitsland op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht. Voorts staat</para>
      <para>vast dat de Duitse regelgeving ten aanzien van de bescherming van de vogelstand</para>
      <para>ten tijde hier van belang in overeenstemming was met de bepalingen van EG-</para>
      <para>Richtlijn 79/409. De president stelt verder  vast dat er voor eiser ten tijde van de</para>
      <para>invoer van de slechtvalk geen enkele mogelijkheid bestond om zich te onttrekken</para>
      <para>aan het in artikel 7 van de Vogelwet opgenomen verbod tot, onder meer, het onder</para>
      <para>zich hebben van de slechtvalk. Hiertoe overweegt de president dat artikel 11 van</para>
      <para>het Vogelbesluit het onder zich hebben van jachtvogels die zijn voorzien van een</para>
      <para>door een buitenlands overheidsorgaan aangebrachte pootring weliswaar mogelijk</para>
      <para>maakt, maar dan slechts indien dit een gesloten ring betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het feit dat de in artikel 8 van het Vogelbesluit opgenomen</para>
      <para>overgangsregeling, op grond waarvan tot zes maanden na de inwerkingtreding van</para>
      <para>het Vogelbesluit 1994 door de desbetreffende Nederlandse instantie nog een open</para>
      <para>pootring kon worden aangebracht, ten tijde van de invoer van de slechtvalk reeds</para>
      <para>was verstreken, stonden eiser geen mogelijkheden meer open het in Nederland</para>
      <para>onder zich hebben van de slechtvalk te legaliseren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president kan dan ook niet anders oordelen dan dat de thans aan de orde zijnde</para>
      <para>bepalingen van de Vogelwet en het Vogelbesluit feitelijk tot gevolg hebben dat de</para>
      <para>invoer van in Duitsland, volgens de daar geldende wetgeving, van een WAA-ring</para>
      <para>voorziene slechtvalken is verboden. De president is dan ook van oordeel dat er in</para>
      <para>casu sprake is van een handelsbelemmerende maatregel als bedoeld in artikel 30</para>
      <para>van het EG-Verdrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.9. Ten aanzien van de vraag of deze handelsbelemmerende maatregel kan</para>
      <para>worden gerechtvaardigd in het licht van artikel 36 van het EEG-Verdrag stelt de</para>
      <para>president voorop dat het feit dat artikel 14 van Richtlijn 79/409 de Lid-Staten</para>
      <para>vrijlaten in het nemen van strengere beschermingsmaatregelen dan zijn voorzien in</para>
      <para>de richtlijn zelf, er niet aan in de weg staat dat de desbetreffende nationale</para>
      <para>maatregel onverkort aan de in artikel 36 van het EEG-Verdrag verankerde</para>
      <para>beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit dienen te worden getoetst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.10. Het noodzakelijkheidsvereiste ziet enerzijds op de</para>
      <para>vraag of de genomen maatregel in een causaal verband staat met het nagestreefde</para>
      <para>doel en anderzijds of er voor de in geding zijnde maatregel geen alternatief bestaat</para>
      <para>dat het vrij verkeer van goederen minder beperkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de president moet een causaal verband tussen de werking</para>
      <para>van de in geding zijnde bepalingen van de Vogelwet en het Vogelbesluit en het met</para>
      <para>deze bepalingen beoogde doel, te weten de bescherming van in het wild levende,</para>
      <para>beschermde vogels, waaronder de slechtvalk, stellig worden aangenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de vraag of verweerder had kunnen volstaan met een minder diep</para>
      <para>in het vrij verkeer van goederen ingrijpende maatregel, overweegt de president dat</para>
      <para>verweerder zelf in de gedingstukken heeft aangegeven dat er meer valkeniers zijn</para>
      <para>die met hetzelfde probleem als eiser te kampen hebben en dat is overwogen om in</para>
      <para>het kader van een nog in te voeren Flora- en faunawet aan deze problemen</para>
      <para>tegemoet te komen. De president constateert dan ook dat verweerder het op</para>
      <para>zichzelf mogelijk acht dat met een minder vergaande maatregel had kunnen</para>
      <para>worden volstaan. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen ziet de president</para>
      <para>echter aanleiding de beantwoording van de in deze alinea opgeworpen vraag in het</para>
      <para>midden te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.11. De president dient zich thans een oordeel te vormen over de vraag of de uit</para>
      <para>voornoemde bepalingen van de Vogelwet en het Vogelbesluit uitgaande</para>
      <para>handelsbelemmerende werking in casu gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de</para>
      <para>bescherming van de gezondheid en het leven van dieren, in dit geval de</para>
      <para>jachtvogels.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verweerder is hieromtrent aangevoerd dat verweerder uit hoofde van de</para>
      <para>Vogelwet 1936 de taak heeft de vogelstand te beschermen. Daarbij is benadrukt</para>
      <para>dat de regels zoals vastgelegd in het Vogelbesluit dienen ter bescherming van</para>
      <para>vogels in de vrije natuur. De naadloos gesloten pootring is volgens verweerder het</para>
      <para>beste middel om aan te tonen dat een vogel daadwerkelijk in gevangenschap is</para>
      <para>geboren en dient dus om de stand van de wilde vogels te beschermen. Daar komt</para>
      <para>volgens verweerder bij dat de Europese Commissie het voorschrift van de naadloos</para>
      <para>gesloten pootring heeft genotificeerd. Verweerder leidt hieruit af dat de Europese</para>
      <para>Commissie van mening is dat de gesloten pootring noodzakelijk is om te voldoen</para>
      <para>aan dwingende eisen waarmee het algemeen belang wordt gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.12. De president overweegt dat het bij het uit artikel 36 EEG-Verdrag afgeleide</para>
      <para>proportionaliteitsbeginsel gaat het om de vraag of de hiervoor vastgestelde</para>
      <para>belemmering van de intracommunautaire handel, die het gevolg is van het feitelijk</para>
      <para>verbod op de invoer in Nederland van krachtens de Duitse wetgeving van een open</para>
      <para>pootring voorziene slechtvalken, in redelijke verhouding staat tot het met de in</para>
      <para>geding zijnde regeling nagestreefde doel, te weten de bescherming van in het wild</para>
      <para>levende jachtvogels.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande merkt de president allereerst op dat eisers slechtvalk blijkens de</para>
      <para>op 26 april 1996 door de Duitse autoriteiten afgegeven uitvoervergunning in</para>
      <para>gevangenschap geboren en gefokt is, zodat, afgaande op die gegevens, schending</para>
      <para>van de door de in geding zijnde regelingen gewaarborgde belangen in het geheel</para>
      <para>niet aan de orde is. Daarbij merkt de president op dat van de zijde van verweerder</para>
      <para>op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat de stand van zaken zoals deze</para>
      <para>uit voornoemd document blijkt, niet in overeenstemming zou zijn met de</para>
      <para>werkelijkheid.</para>
      <para>Voorts kan de president zich niet verenigen met het ter zitting namens verweerder</para>
      <para>naar voren gebrachte standpunt dat in het kader van de thans te maken afweging</para>
      <para>van belangen in het geheel geen betekenis zou toekomen aan de goede trouw van</para>
      <para>eiser, welke ter zitting ook door de gemachtigde van verweerder niet in twijfel is</para>
      <para>getrokken.</para>
      <para>Verder acht de president in het kader van deze afweging van belang dat het</para>
      <para>gebruik de WAA-ring, waarvan eisers slechtvalk is voorzien, niet in strijd werd</para>
      <para>geacht met de op dit geding van toepassing zijnde EG-Richtlijn 79/409.</para>
      <para>Tenslotte overweegt de president in dit verband dat, ook in het perspectief van de</para>
      <para>Nederlandse wetgeving, bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat de WAA-ring een</para>
      <para>ondeugdelijk middel is, nu, naar door eiser is benadrukt en door verweerder is niet</para>
      <para>is ontkend, de open ring waarop de in artikel 8 juncto artikel 6 van het Vogelbesluit</para>
      <para>opgenomen overgangsregeling ziet, vrijwel identiek is aan de WAA-ring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.12. Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat in casu aan het in</para>
      <para>het kader van de toepassing van artikel 36 van het EEG-Verdrag van toepassing</para>
      <para>zijnde proportionaliteitsbeginsel niet is voldaan. Mitsdien is de</para>
      <para>handelsbelemmerende maatregel die, zoals hiervoor is overwogen, van de</para>
      <para>toepassing van de thans in geding zijnde bepalingen van de Vogelwet en het</para>
      <para>Vogelbesluit uitgaat, niet gerechtvaardigd. Gelet hierop acht de president het</para>
      <para>bestreden besluit in strijd met artikel 30 van het EEG Verdrag. Het beroep is</para>
      <para>mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De president</para>
      <para>zal daarbij bepalen dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het</para>
      <para>bezwaarschrift met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.13. Ten aanzien van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening</para>
      <para>oordeelt de president dat aan dit verzoek, gezien de toepassing van artikel 8:86 an</para>
      <para>de Awb, het spoedeisend belang is komen te ontvallen, zodat dit verzoek zal</para>
      <para>worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.5.14. Tenslotte acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in</para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft</para>
      <para>moeten maken.</para>
      <para>Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde</para>
      <para>beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld</para>
      <para>overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het</para>
      <para>Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
      <para>De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten</para>
      <para>met een waarde van  710,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en het</para>
      <para>verzoekschrift, 1 punt met een waarde van f 710,-- voor het verschijnen ter zitting</para>
      <para>en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil,</para>
      <para>op gemiddeld (wegingsfactor 1).</para>
      <para>Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x</para>
      <para>710,-- x 1 =  2.130,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74, 8:75, 8:84 en 8:86 van</para>
      <para>de Awb wordt als volgt beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De arrondissementsrechtbank te Maastricht:</para>
    <para />
    <para>1.      verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.      draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift</para>
      <para>van 25 januari 1999 met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.      wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.      bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van</para>
      <para>450,-- wordt vergoed door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en</para>
      <para>Visserij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.      veroordeelt verweerder in de kosten van de verzoek- en de</para>
      <para>beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op  2.130,--,</para>
      <para>zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het ministerie van</para>
      <para>Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters</para>
      <para>als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 1999 door mr. Bakker</para>
      <para>voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. R. Peters          w.g. R.E. Bakker</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift:</para>
      <para>de wnd. griffier:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Verzonden op:</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het</para>
      <para>rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad</para>
      <para>van State.</para>
      <para>De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een</para>
      <para>belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om</para>
      <para>de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te</para>
      <para>verzoeken een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb staat</para>
      <para>geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>