<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T11:42:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3698</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Maastricht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Maastricht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/2024 BELEI Z BIM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698 Rechtbank Maastricht , 07-10-1999 / 97/2024 BELEI Z BIM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3698:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>464 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT</para>
    <para />
    <para>enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nr.: 97 / 2024 BELEI Z BIM</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inzake : het College van Burgemeester en Wethouders van de </para>
      <para>Gemeente Sittard, eiser,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen  : de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en </para>
      <para>Wetenschappen, gevestigd te Den Haag, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum van het bestreden besluit: 4 juli 1997</para>
      <para>Kenmerk: FJZ/BZC - 96/10766U.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Datum zitting: 26 augustus 1999</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 juli </para>
      <para>1997 heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaarschrift van </para>
      <para>eiser tegen het besluit het meerjarenplan van eiser in het kader van </para>
      <para>het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (verder: Brrm) </para>
      <para>niet te betrekken bij de verdeling van het landelijke budget voor </para>
      <para>2002.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is tegen dit besluit op 11 augustus 1997 beroep </para>
      <para>aangetekend. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 29 </para>
      <para>oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene </para>
      <para>wet bestuursrecht (verder: Awb) ingezonden stukken en het </para>
      <para>verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser </para>
      <para>gezonden. De inhoud ervan wordt als hier herhaald en ingelast </para>
      <para>beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 26 </para>
      <para>augustus 1999. Namens eiser zijn verschenen mr. F.L.M. Heuts en </para>
      <para>de heer P.M. Wesche, ambtenaar van de sector Stadsontwikkeling </para>
      <para>(Monumentenzorg) van de gemeente Sittard. De gemachtigde van </para>
      <para>verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad van de gemeente Sittard heeft op 13 juni 1996 het </para>
      <para>meerjarenprogramma 1997-2002 in het kader van het Brrm </para>
      <para>vastgesteld. Dit meerjarenprogramma is op 1 juli 1996 aan de </para>
      <para>Rijksdienst voor de Monumentenzorg gefaxt en op die datum tevens </para>
      <para>per gewone post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 oktober 1996 heeft verweerder eiser medegedeeld </para>
      <para>dat de gemeente Sittard niet betrokken zal worden bij de verdeling </para>
      <para>van het landelijke budget voor het jaar 2002 in het kader van het </para>
      <para>Brrm, omdat het meerjarenplan niet tijdig is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij schrijven van </para>
      <para>29 november 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 3 april 1997 in het kader van de </para>
      <para>bezwaarschriftenprocedure een verweerschrift ingediend bij de </para>
      <para>Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van </para>
      <para>Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (verder: de Commissie).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze Commissie heeft partijen op 21 mei 1997 gehoord. Op </para>
      <para>10 juni 1997 heeft deze Commissie geadviseerd het bezwaarschrift </para>
      <para>ongegrond te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft vervolgens, onder overneming van het advies van </para>
      <para>de Commissie, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en </para>
      <para>het besluit in primo gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarop heeft eiser bij brief van 11 augustus 1997 beroep ingesteld </para>
      <para>tegen dit besluit op bezwaar. De gronden van het beroep zijn </para>
      <para>aangevuld bij schrijven van 29 oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 25 november 1997 heeft verweerder vervolgens </para>
      <para>een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank dient in het onderhavige geding de vraag te </para>
      <para>beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden het </para>
      <para>bestreden besluit heeft genomen. Centrale vraag daarbij is of eiser </para>
      <para>genoemd meerjarenplan tijdig heeft ingediend. De rechtbank </para>
      <para>overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 3, eerste lid, van het Brrm is bepaald dat burgemeester en </para>
      <para>wethouders ieder jaar een meerjarenprogramma dat betrekking heeft </para>
      <para>op een periode van zes jaren bij de Minister van Onderwijs, Cultuur </para>
      <para>en Wetenschappen kunnen indienen vóór 1 juli van het jaar dat </para>
      <para>voorafgaat aan het eerste jaar van het meerjarenprogramma.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is in artikel 29 van het Brrm, voor zover relevant, bepaald dat </para>
      <para>de minister op verzoek van burgemeester en wethouders kan </para>
      <para>afwijken van het bepaalde in het Brrm, indien bijzondere </para>
      <para>omstandigheden tot gevolg zouden hebben dat onverkorte </para>
      <para>toepassing van dit besluit tot onredelijke resultaten zou leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser stelt zich in dezen op het standpunt dat artikel 3, eerste lid, van </para>
      <para>het Brrm naar de letter is geschonden, omdat het meerjarenplan op </para>
      <para>1 juli 1996 is gefaxt en per post is verzonden, maar dat er geen </para>
      <para>sprake is van schending van de strekking van dit artikel. Verweerder </para>
      <para>heeft het meerjarenplan immers op 1 juli ontvangen en dat is de </para>
      <para>vroegst mogelijke dag dat verweerder op 30 juni - dus tijdig - </para>
      <para>verzonden poststukken zou hebben ontvangen.</para>
      <para>Verweerder stelt daarentegen dat de termijn van dit artikel een fatale </para>
      <para>termijn is onder verwijzing naar jurisprudentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderhavige zaak heeft het meerjarenprogramma betrekking </para>
      <para>op de jaren 1997-2002, zodat - gelet op de redactie van artikel 3, </para>
      <para>eerste lid, van het Brrm -  indiening had moeten plaats vinden vóór 1 </para>
      <para>juli 1996.</para>
      <para>Niet in geschil is dat het meerjarenplan op 1 juli 1996 zowel is gefaxt </para>
      <para>als per gewone brief verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers stelling niet </para>
      <para>kan worden gehonoreerd. De rechtbank overweegt daartoe dat </para>
      <para>ingevolge vaste jurisprudentie (Afdeling rechtspraak van de Raad </para>
      <para>van State d.d. 24 oktober 1991, no. S01.01.0367 en no. </para>
      <para>S01.91.0383, en d.d. 11 november 1993, no S01.93.0336) de termijn </para>
      <para>van artikel 3, eerste lid, van het Brrm een fatale termijn is. Dit </para>
      <para>betekent naar het oordeel van de rechtbank dat meerjarenplannen </para>
      <para>die op of na 1 juli worden ingediend niet tijdig zijn ingediend. De </para>
      <para>stelling van eiser dat het op 1 juli gefaxte stuk op dezelfde datum als </para>
      <para>een op 30 juni, derhalve tijdig, ingediend plan wordt ontvangen, doet </para>
      <para>hier niet aan af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is als grief aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet in de </para>
      <para>beoordeling heeft betrokken dat 30 juni 1996 op een zondag viel. </para>
      <para>Ingevolge de Algemene termijnenwet wordt in dat geval de termijn </para>
      <para>verlengd tot de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of </para>
      <para>algemeen erkende feestdag is. Dit betekent dat de fax van 1 juli </para>
      <para>1996 wel tijdig is verzonden. Nu het bestreden besluit aan deze grief </para>
      <para>geen aandacht besteed, is sprake van strijd met het </para>
      <para>motiveringsbeginsel.</para>
      <para>Verweerder betwist dat de Algemene Termijnenwet in dezen van </para>
      <para>toepassing is. Deze visie is verwoord tijdens de hoorzitting voor de </para>
      <para>Commissie en in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de Algemene Termijnenwet </para>
      <para>niet van toepassing op het onderhavige geval, omdat in artikel 3, </para>
      <para>eerste lid, van het Brrm geen sprake is van een termijn in de zin van </para>
      <para>deze wet. Deze wet gaat namelijk uit van bepaalde periodes (zoveel </para>
      <para>dagen, weken, maanden), terwijl het artikel van het Brrm een </para>
      <para>onbepaalde periode om in te dienen aan de betrokkene verleent. </para>
      <para>Immers, er is tijdig ingediend, als de bedoelde plannen maar voor 1 </para>
      <para>juli zijn ingediend. Eisers grief slaagt inzoverre dan ook niet.</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat noch de Commissie in haar advies noch </para>
      <para>verweerder in het bestreden besluit een standpunt omtrent deze </para>
      <para>materie hebben ingenomen, terwijl het op de hoorzitting door die </para>
      <para>Commissie is behandeld en in beroep niet is betwist dat eiser zich in </para>
      <para>de bezwaarfase op de toepasselijkheid van deze wet heeft </para>
      <para>beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich </para>
      <para>dan ook ten onrechte hier niet over uitgelaten in het bestreden </para>
      <para>besluit. Het bestreden besluit is om die reden op dit punt </para>
      <para>ondeugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd met het in artikel 7:12, </para>
      <para>eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Nu bij </para>
      <para>verweerschrift echter is toegelicht dat deze wet niet van toepassing </para>
      <para>is en dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank juist is, zoals </para>
      <para>hierboven is overwogen, vermag de rechtbank niet in te zien dat </para>
      <para>eiser door dit motiveringsgebrek op enigerlei wijze is benadeeld. De </para>
      <para>rechtbank zal het bestreden besluit daarom, gelet op het bepaalde in </para>
      <para>artikel 6:22 van de Awb, ondanks de schending van het </para>
      <para>motiveringsbeginsel in stand laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover eiser een beroep op de hardheidsclausule van artikel 29 </para>
      <para>van het Brrm heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat niet </para>
      <para>gebleken is van feiten en omstandigheden die een beroep daarop </para>
      <para>rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al hetgeen hierboven is overwogen, leidt tot de conclusie dat eisers </para>
      <para>grieven moeten worden verworpen. Nu ook overigens niet kan </para>
      <para>worden gezegd dat het bestreden besluit strijd oplevert met het </para>
      <para>geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen </para>
      <para>rechtsbeginsel, wordt het beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt </para>
      <para>beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De arrondissementsrechtbank te Maastricht:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. </para>
      <para>A.G.P.M. Zweipfenning als griffier en in het openbaar uitgesproken </para>
      <para>op 7 oktober 1999 door mr. Sleddens voornoemd in </para>
      <para>tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>w.g. A. Zweipfenning w.g. J. Sleddens</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift:</para>
      <para>de wnd. griffier:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: 28 oktober 1999</para>
      <para>FE</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze </para>
      <para>uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling </para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
      <para>De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes </para>
      <para>weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een </para>
      <para>belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de </para>
      <para>mogelijkheid open om de Voorzitter van de Afdeling </para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State te adiëren met een </para>
      <para>verzoek ex artikel 8:81 van de Awb.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>