<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2026:4535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-26T12:55:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 25/426</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-26T12:55:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2026:4535 Rechtbank Limburg , 08-05-2026 / ROE 25/426</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2026:4535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bestuursdwang. Met het besluit van 11 februari 2024 heeft het college met toepassing van bestuursdwang de auto van eiseres laten wegslepen, omdat de auto geparkeerd stond op een parkeerplaats waar een tijdelijk parkeerverbod gold. Het college mocht de auto wegslepen en de kosten op eiseres verhalen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2026:4535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROE 25/426 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiseres]
      </emphasis>, uit [woonplaats] , eiseres</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.M.J.J. Opbroek-Erdkamp).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het wegslepen van de auto van eiseres door het college. De kosten voor het wegslepen zijn verhaald op eiseres. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het voertuig van eiseres mocht wegslepen en de kosten op haar mocht verhalen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de auto van eiseres mocht wegslepen en de kosten op haar mocht verhalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het besluit van 11 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het college met toepassing van bestuursdwang de auto van eiseres laten wegslepen, omdat de auto geparkeerd stond op een parkeerplaats waar een tijdelijk parkeerverbod gold. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het college bij het primaire besluit gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 12 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op 11 maart 2026 op het beroep gereageerd. Eiseres heeft op 26 maart 2026 een nader stuk ingediend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mocht het college de auto van eiseres wegslepen?</emphasis>
        </para>
        <para>3. Eiseres voert aan dat er geen borden met het parkeerverbod aanwezig waren op de dag van het parkeren, dan wel dat deze borden onvoldoende zichtbaar waren. Daarnaast voert eiseres aan dat het college geen verkeersbesluit heeft genomen, terwijl dit wel noodzakelijk is bij een jaarlijks terugkerend evenement zoals in dit geval de carnavalsoptocht. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dringende omstandigheid van voorbijgaande aard als bedoeld in artikel 34, aanhef en onder a, van de BABW. Dit betekent dat het college gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om een tijdelijk parkeerverbod in te stellen zonder verkeersbesluit. Het is belangrijk dat de carnavalsoptocht veilig en zonder hinder kan verlopen voor deelnemers en publiek en een tijdelijk parkeerverbod zorgt daarvoor. Het is daarbij van belang dat er een vrije doorgang is en dat geparkeerde auto’s het zicht niet belemmeren. Verder dienen hulpdiensten ongehinderd door de straten te kunnen rijden, wat niet mogelijk is bij smalle wegen die vol staan met geparkeerde auto’s. Weliswaar vindt de carnavalsoptocht jaarlijks plaats, maar het college heeft aannemelijk gemaakt dat de route van de optocht kan variëren afhankelijk van de feitelijke situatie op dat moment, waardoor de omstandigheden tijdelijk en niet volledig voorspelbaar zijn. Bovendien was het parkeerverbod beperkt van 09:00 uur tot 18:00 uur en dus van voorbijgaande aard. Het college heeft gelet hierop gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een tijdelijk parkeerverbod in te stellen zonder verkeersbesluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 december 2022<footnote-ref linkend="_d4538f84-5882-48b2-84c0-00c010da9d54" />, volgt dat de feitelijke situatie ter plaatse bepalend is voor de vraag of een parkeerverbod geldt en of handhavend kan worden opgetreden. Tevens volgt uit vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_f9221ca0-5fdd-4af6-a9d2-8e18f97a39f4" /> dat een verkeersdeelnemer een verkeersbord dat als zodanig herkenbaar is, in het belang van rechtszekerheid en verkeersveiligheid moet naleven, ook indien het bord niet in overeenstemming met de wettelijke voorschriften is geplaatst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tijdig ter plaatse een verkeersbord is geplaatst. Dit volgt uit de aan Wedo Verkeerstechniek B.V. verstrekte opdracht tot plaatsing van de borden. Daaruit blijkt dat de opdracht is verstrekt om de verkeersverboden twee weken voorafgaande aan de startdatum van het parkeerverbod te plaatsen. Daarnaast blijkt uit de in het dossier opgenomen foto’s dat ten tijde van het handhavend optreden een verkeersbord aanwezig was in de straat waar eiseres haar auto had geparkeerd. Op dit bord was voldoende duidelijk kenbaar gemaakt dat er sprake was van een parkeerverbod gedurende de betreffende periode. Eiseres had dit bord kunnen zien en zich bewust moeten zijn van de betekenis daarvan. Het feit dat eiseres haar auto mogelijk al voor de plaatsing van het bord heeft geparkeerd, is daarbij, wat daar ook van zij, niet van belang. Dit leidt tot de conclusie dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Overigens, zelfs indien zou worden aangenomen dat de bebording feitelijk minder kenbaar was doordat de borden niet correct waren geplaatst, brengt dit niet zonder meer met zich mee dat het college niet bevoegd was tot handhaving. Gelet op de concrete noodzaak om de veiligheid en een onbelemmerde doorgang van de carnavalsoptocht te waarborgen, was het college gerechtigd de auto te laten wegslepen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mocht het college de kosten van het wegslepen van de auto op eiseres verhalen?</emphasis>
        </para>
        <para>4. Eisers voert aan dat de kosten voor het wegslepen buitenproportioneel zijn, te meer omdat zij de auto had geparkeerd toen er nog geen parkeerverbod gold. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de kosten voor het wegslepen op eiseres kon verhalen. Volgens vaste rechtspraak gaan in de regel de uitoefening van bestuursdwang en het kostenverhaal samen.<footnote-ref linkend="_5f7a019b-ad3e-426d-8c06-2df57b5433b2" /> Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie. Daar moet bijkomen dat het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.<footnote-ref linkend="_5ada2b30-e289-4944-be94-249afdaf9651" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ook indien aangenomen wordt dat eiseres de auto heeft geparkeerd voordat de verkeersborden zijn geplaatst - hetgeen de rechtbank niet aannemelijk acht, nu uit de opdrachtbevestiging blijkt dat de borden op 25 januari 2024 geplaatst zouden worden - waren de borden in ieder geval ten tijde van de handhaving aanwezig, zo blijkt uit de gedingstukken. Van eiseres mocht worden verwacht dat zij daarvan op de hoogte was, temeer omdat zij in de directe nabijheid van de plek waar de auto stond geparkeerd woont en tijdens de zitting heeft verklaard in de betreffende periode ook thuis te zijn geweest. Dat zij de auto niet heeft gebruikt in die periode en ook niet in de betreffende straat is geweest dient voor haar eigen rekening en risico te blijven.<footnote-ref linkend="_991093b2-19ef-40a7-a184-4de28ef55c7c" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Heeft het college de hoorplicht geschonden?</emphasis>
        </para>
        <para>5. Eiseres stelt dat het college haar ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft ten onrechte eiseres niet gehoord in de bezwaarfase en daarmee artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding omdat aannemelijk is dat eiseres door het gebrek niet is benadeeld. Immers, ook als eiseres in de bezwaarfase wel zou zijn gehoord, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de auto van eiseres weggesleept mocht worden en dat eiseres daarvoor kosten verschuldigd was. Eiseres krijgt wel het griffierecht terug. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- dient te vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hollman, rechter, in aanwezigheid van V.A.F.T. Voorn, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op: 8 mei 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 mei 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5:21</emphasis>
      </para>
      <para>Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:</para>
    </parablock>
    <para>a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en</para>
    <para>b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5:25</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 170, eerste lid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met</para>
    <para />
    <para>a. het belang van de veiligheid op de weg, of</para>
    <para />
    <para>b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of</para>
    <para />
    <para>c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Bij algemene maatregel van bestuur worden:</para>
    <para>a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 173, tweede lid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2 Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval</para>
    <para>a. de aanwijzing van de plaats, onderscheidenlijk de plaatsen, waar verwijderde voertuigen in bewaring worden gesteld, en</para>
    <para>b. de berekening van de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang, en voorts</para>
    <para>c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onderdeel c.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 34</emphasis>
      </para>
      <para>Door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de eigenaar van de weg kunnen in de hierna genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden verkeerstekens als bedoeld in artikel 12, worden geplaatst alsmede maatregelen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, worden uitgevoerd:</para>
    </parablock>
    <para>a. ingeval van de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;</para>
    <para>b. ingeval van een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van de wet genoemde belangen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 35</emphasis>
      </para>
      <para>De plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, kunnen geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 37</emphasis>
      </para>
      <para>In afwijking van artikel 35 geschieden de tijdelijke plaatsing en de tijdelijke maatregel krachtens een verkeersbesluit indien de omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich regelmatig voordoen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d4538f84-5882-48b2-84c0-00c010da9d54" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3617.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9221ca0-5fdd-4af6-a9d2-8e18f97a39f4" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1510.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f7a019b-ad3e-426d-8c06-2df57b5433b2" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3485.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ada2b30-e289-4944-be94-249afdaf9651" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3643.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_991093b2-19ef-40a7-a184-4de28ef55c7c" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1510 en Hoge Raad 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1055.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>