<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2026:2017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T14:47:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12011008 \ EZ VERZ 25-501</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2026-0053</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2026/72</rdf:li>
          <rdf:li>JERF 2026/81</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2017">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T12:15:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2026:2017 Rechtbank Limburg , 27-02-2026 / 12011008 \ EZ VERZ 25-501</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2026:2017:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Machtiging verwerping nalatenschap voor ongeboren kind. Belang ouders. Ingang driemaandentermijn art. 4:193 lid 1 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2026:2017:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">LIMBURG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: 12011008 \ EZ VERZ  25-501</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van</emphasis>
        <emphasis role="bold caps"> 27 </emphasis>
        <emphasis role="bold">februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [de vader] , </title>
    <parablock>
      <para>te [plaats 1] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[de moeder]</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats 1] ,</para>
      <para>verzoekers,</para>
      <para>hierna samen te noemen: ouders,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zijn de ouders van de minderjarige:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de minderjarige]
        </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift,</para>
      <para>- de brief met bijlagen ontvangen op 8 januari 2026</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 18 februari 2026</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De beschikking is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op [datum 1] 2025 is te [plaats 1] overleden de heer [de erflater] , hierna te noemen erflater. Erflater was geboren te [plaats 2] op [datum 2] 1958 en was laatstelijk woonachtig te [plaats 1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Erflater was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner. Hij had ook geen testament opgemaakt. Verzoeker sub 1 is één van zijn erfgenamen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verzoekers vragen een machtiging, zodat zij het aandeel van hun minderjarige zoon [de minderjarige] en hun nog ongeboren kind in de nalatenschap van erflater kunnen verwerpen. Aan dit verzoek leggen zij ten grondslag dat erflater schulden had en verzoeker sub 1 voornemens is zijn eigen aandeel in de nalatenschap te verwerpen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de machtiging tot verwerping namens [de minderjarige]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uitgangspunt van de wet is dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam (art. 4:10 lid 2 BW). De ouders hebben dan ook belang bij hun verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij een verzoek van de ouders om hen een machtiging te verlenen tot verwerping van een nalatenschap namens hun minderjarig kind, is het uitgangspunt dat zo’n verzoek alleen wordt toegewezen als dat in het belang van de minderjarige is. Dat is het geval als het saldo van de nalatenschap negatief is. In casu is een overzicht van de schulden van erflater in het geding gebracht, dat bij het aanvragen van de bewindvoering is opgesteld door de (aspirant-)bewindvoerster. Door het overlijden van de erflater is het instellen van een bewind achterwege gebleven. Uit dit overzicht blijkt dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Daarom zal de kantonrechter de verzochte machtiging verlenen ten aanzien</para>
        <para>van [de minderjarige] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de machtiging tot verwerping namens het nog ongeboren kind</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Zoals hiervoor reeds vermeld is uitgangspunt van de wet dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam. De vraag is of ouders ook belang hebben bij hun verzoek namens hun ongeboren kind. Art. 4:9 BW bepaalt immers dat teneinde als erfgenaam op te kunnen treden, men moet bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Art. 1:2 BW luidt: ‘<emphasis role="italic">Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan</emphasis>.’</para>
        <para>Een ongeboren kind voldoet in principe niet aan de bestaanseis van art. 4:9 BW. Juridische persoonlijkheid ontstaat immers pas door geboorte van een levend kind, zo leidt de kantonrechter af uit de tweede zin van art. 1:2 BW. Op grond van de eerste zin van dat artikel wordt het kind, waarvan de vrouw zwanger is, evenwel geacht reeds geboren te zijn indien en voor zover zijn belang dit vordert. De kantonrechter overweegt dat uit de literatuur en de jurisprudentie volgt dat het recht van erfgenaamschap altijd in het belang is van het ongeboren kind, omdat het gaat om het verkrijgen van rechten en bevoegdheden.<footnote-ref linkend="_917bcc54-fdf7-4211-a020-8c47380c34eb" /> Het gaat daarbij niet om een toevallig voor- of nadeel.<footnote-ref linkend="_37ad03ba-e7d3-4c3b-af28-c881935cc167" /> Het vereiste van ‘belang’ in art. 1:2 BW brengt namelijk niet mee dat de bepaling alleen toegepast zou mogen worden wanneer het kind daardoor gebaat word, dus niet alleen wanneer de nalatenschap positief is; het wil slechts zeggen dat het kind geacht wordt geboren te zijn, wanneer sprake is van eigen rechten van het kind en niet als sprake is van rechten van derden.<footnote-ref linkend="_63112eaf-2b32-417d-8634-9d8a889f59db" /> Een derde die belang heeft bij de erfopvolging van het ongeboren kind kan dus geen rechten aan de fictie van art. 1:2 BW ontlenen.<footnote-ref linkend="_b732389b-9f42-47af-9e25-e46ab66ca9af" />. </para>
        <para>Het belang van het ongeboren kind vordert dus in het geval van erfgenaamschap te allen tijde dat het als reeds geboren wordt aangemerkt.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Verder is de kantonrechter van oordeel dat het ongeboren kind van rechtswege erfgenaam wordt, hetgeen het belang van ouders bij hun verzoek ondersteunt. Er is geen actieve handeling van de wettelijk vertegenwoordiger nodig om het ongeboren kind als erfgenaam aan te (laten) merken. De kantonrechter overweegt daartoe dat volgens art. 4:10 lid 1 BW de bloedverwanten, mits sprake is van een familierechtelijke betrekking tot erflater (art. 4:10 lid 3 BW), dadelijk na het overlijden tot de nalatenschap worden geroepen, waaruit volgt dat die bloedverwanten dadelijk na het overlijden van de erflater erfgenaam zijn. Het is dus niet het (al dan niet beneficiar) aanvaarden dat hen tot erfgenaam maakt. Dit is evenzeer toepasselijk op een kind dat na het overlijden van de vader is geboren of ingevolge art. 4:10 lid 2 BW door plaatsvervulling erfgenaam wordt.<footnote-ref linkend="_d5730853-f828-48cf-9213-8285213ac00c" /> Een en ander betekent in dit geval dat het ongeboren kind nadat de vader de nalatenschap heeft verworpen door plaatsvervulling erfgenaam wordt en ouders derhalve ook hierom belang hebben bij hun verzoek. De kantonrechter wijst erop dat de erfrechtelijke verkrijging uiteraard pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk geboren is.<footnote-ref linkend="_8460d83d-d753-41da-aae6-9257d95653dd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Op grond van art. 4:193 BW behoeft de wettelijk vertegenwoordiger een machtiging van de kantonrechter om de nalatenschap namens de erfgenaam te verwerpen. Naar het oordeel van de kantonrechter verzet niets zich ertegen om die machtiging aan te vragen (en te verlenen) voordat het kind geboren is. Maar met het verlenen van de gevraagde machtiging is de nalatenschap nog niet verworpen. Art. 4:193 BW bepaalt hieromtrent dat de wettelijk vertegenwoordiger binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap de erfgenaam toekomt verplicht is een verklaring van verwerping af te leggen. De kantonrechter overweegt dat die termijn niet loopt zolang de erfgenaam niet is geboren<footnote-ref linkend="_efa125f9-aa3d-4a79-bd9a-04a3c0f0fc42" />, hetgeen betekent dat de verklaring van verwerping ook niet kan worden afgelegd voordat het kind is geboren. De fictie van art. 1:2 BW maakt het immers wel mogelijk om voor het recht het tijdstip van de geboorte te vervroegen, maar om de fictie, althans daar waar het gaat om bescherming van de vermogensrechtelijke aanspraken van de ongeborene, te vervolmaken, moet men wachten totdat het kind levend geboren is. Als het kind dood ter wereld komt dan heeft het voor het recht immers nooit bestaan. Dat de termijn pas begint te lopen op het moment dat het kind is geboren is ook in lijn met het gegeven dat de erfrechtelijke verkrijging pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk is geboren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">het vervolg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst erop dat met het verlenen van de gevraagde machtiging, het aandeel van de minderjarige [de minderjarige] nog niet is verworpen. Daartoe dient nog een verklaring te worden afgelegd<footnote-ref linkend="_6bc00a21-27f0-44ee-9283-92874683cd20" /> ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Dit moet plaatsvinden binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop het aandeel in de nalatenschap de minderjarige toekomt, met andere woorden binnen drie maanden nadat verzoeker sub 1 zelf zijn aandeel heeft verworpen<footnote-ref linkend="_f3629fef-2ba5-424c-a2b1-156a43a7a58b" />. Het afleggen van de verklaring tot verwerping namens de minderjarige kan ook tegelijk plaatsvinden met die verwerping door de ouder zelf. Indien dat samen gebeurt, maakt de griffier één akte daarvan op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Ook ten aanzien van hun nog ongeboren kind dienen verzoekers de verwerping voor eenieder kenbaar te maken. Daartoe dient nog een verklaring te worden afgelegd  ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Dit moet plaatsvinden binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop het kind daadwerkelijk is geboren. Met inschrijving van de gewenste verklaring dient dus te worden gewacht totdat het kind is geboren en een naam heeft gekregen. Na de geboorte zullen verzoekers zich moeten wenden tot de griffier van de centrale balie bij deze rechtbank om de verwerping namens hun inmiddels geboren kind te doen inschrijven in het boedelregister.</para>
        <para>Indien de onder 4.7. genoemde akte reeds is opgemaakt, zal de griffier een afzonderlijke akte opmaken ten aanzien van de verwerping namens het geboren kind.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>verleent verzoekers - voorwaardelijk voor het geval verzoeker sub 1 zelf </para>
        <para>de nalatenschap verwerpt -  machtiging om namens </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- de minderjarige <emphasis role="bold">[de minderjarige] </emphasis>(geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020<emphasis role="bold">) </emphasis></para>
      <para>en </para>
      <para>- <emphasis role="bold">het nog ongeboren kind</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>de nalatenschap van de heer <emphasis role="bold">[de erflater]</emphasis>, </para>
        <para>geboren te [plaats 2] op [datum 2] 1958 en overleden te [plaats 1] op [datum 1] 2025,</para>
        <para>te verwerpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_917bcc54-fdf7-4211-a020-8c47380c34eb" label="1">
    <para> Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/35</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37ad03ba-e7d3-4c3b-af28-c881935cc167" label="2">
    <para> Hof ’s-Hertogenbosch, 10 maart 1885, Weekblad van het regt, jrg. 47, no. 5219, 29 november 1885</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63112eaf-2b32-417d-8634-9d8a889f59db" label="3">
    <para> Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/35</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b732389b-9f42-47af-9e25-e46ab66ca9af" label="4">
    <para> Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/37</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5730853-f828-48cf-9213-8285213ac00c" label="5">
    <para> Hof ‘s-Hertogenbosch, 10 maart 1885, Weekblad van het regt, jrg. 47, no. 5219, 29 november 1885</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8460d83d-d753-41da-aae6-9257d95653dd" label="6">
    <para> GS Personen- en familierecht, art. 1:2 BW, aant. 7</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efa125f9-aa3d-4a79-bd9a-04a3c0f0fc42" label="7">
    <para> ‘De ongeboren vrucht als persoon’, mr. Ch. Petit, RMThemis 1944, p. 183: <emphasis role="italic">‘Tegen den erfgenaam loopt, zoolang hij niet is geboren, nog niet de termijn van beraad (art. 1071 B. W.)’</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6bc00a21-27f0-44ee-9283-92874683cd20" label="8">
    <para>  Middels een daartoe bestemd formulier te vinden op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3629fef-2ba5-424c-a2b1-156a43a7a58b" label="9">
    <para>  Middels een daartoe bestemd formulier te vinden op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>