<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2026:1129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T09:27:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11920025 \ CV EXPL  25-4332</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-04T15:16:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2026:1129 Rechtbank Limburg , 18-02-2026 / 11920025 \ CV EXPL  25-4332</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2026:1129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 6:265 BW ontbinding huurovereenkomsten woning en bijbehorende parkeerplaats en ontruiming gehuurde. Beroep op tenzij-bepaling faalt. Niet gebleken dat tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2026:1129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">LIMBURG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11920025 \ CV EXPL  25-4332</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 18 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING WONEN LIMBURG</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudend te Roermond,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: Wonen Limburg,</para>
      <para>gemachtigde: AGIN Otten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde partij]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde partij] ,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding,<?linebreak?>- het mondeling antwoord,</para>
      <para>- de e-mail van [gedaagde partij] van 6 januari 2026 met bijlage,</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, ter gelegenheid waarvan Wonen Limburg een overzicht, waaruit volgens haar de actuele huurachterstand blijkt, heeft overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Wonen Limburg verhuurt met ingang van 8 februari 2024 aan [gedaagde partij] de woning en de bijbehorende parkeerplaats aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). Partijen hebben daartoe twee afzonderlijke huurovereenkomsten gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De huurprijs bedraagt in totaal, inclusief servicekosten en dergelijke en inclusief de huurprijs van de parkeerplaats, € 650,69 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst die ziet op de woning, zijn de algemene huurvoorwaarden woonruimte Stichting Wonen Limburg van 1 januari 2020 van toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] heeft een huurachterstand. Wonen Limburg heeft [gedaagde partij] aangemaand op 31 januari 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Tot op heden heeft [gedaagde partij] daar niet aan voldaan en is de huurachterstand verder opgelopen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Wonen Limburg vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de huurovereenkomst [de kantonrechter begrijpt,<emphasis role="italic"> beide huurovereenkomsten] </emphasis>ontbindt,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde partij] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 4.220,31, waarin een bedrag van € 457,07 aan incassokosten is begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van volledige betaling,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 650,69 per maand zijnde huur c.q. gebruikersvergoeding voor iedere maand, behoudens huurverhogingen, die vanaf 30 september 2025 tot de ontruiming verstrijkt of is ingegaan, een ingegane maand gerekend voor een hele maand,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Wonen Limburg legt aan haar ontbindings- en ontruimingsvordering ten grondslag dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem op grond van de huurovereenkomsten rustende verbintenissen, door niet aan zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten te voldoen. De hoge huurachterstand, namelijk op het moment van dagvaarden meer dan 6 maanden, rechtvaardigt volgens Wonen Limburg de ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast moet [gedaagde partij] de achterstand en de huur dan wel gebruiksvergoeding betalen totdat het gehuurde is ontruimd, aldus Wonen Limburg.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] erkent de huurachterstand, maar voert verweer tegen de ontbindings- en ontruimingsvordering. Hij voert aan dat hij voorheen als zelfstandige heeft gewerkt, maar dat hij mede gezien zijn gezondheidsproblemen al enige tijd geen werk of inkomen heeft. [gedaagde partij] stelt dat hij op zoek is naar een baan in loondienst, dat hij op dit moment nog geen uitkering heeft aangevraagd. Wel heeft hij contact opgenomen met de gemeente voor schuldhulpverlening, omdat hij in het gehuurde wil blijven wonen en de achterstand wil aflossen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontbinding van de huurovereenkomsten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Wonen Limburg vordert ontbinding van de huurovereenkomsten die zien op de door [gedaagde partij] gehuurde woonruimte en de door hem gehuurde parkeerplaats. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van de op hem op grond van een overeenkomst rustende verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het voorgaande, dat wil zeggen de hoofdregel en de tenzij-bepaling, brengt samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengen de hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW mee dat de schuldeiser, hier Wonen Limburg, moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar, hier [gedaagde partij] , (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van artikel 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is). Het is aan de schuldenaar, aldus [gedaagde partij] , om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Bij beantwoording van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst al dan niet gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst. Bij een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte geldt in dit verband dat het gewicht van de tekortkoming moet worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het staat vast, want [gedaagde partij] heeft dat erkend, dat er op het moment van dagvaarden een huurachterstand, waarbij dan wel geldt dat het niet om de kale huur maar om de huur inclusief servicekosten en te betalen voorschotten gaat, was van meer dan zes maanden. Dat is een forse achterstand. Ook staat vast dat die huurachterstand daarna alleen maar verder is opgelopen. [gedaagde partij] heeft namelijk erkend dat hij ook na het uitbrengen van de dagvaarding geen huur meer heeft betaald en dat hij ook niet heeft afgelost op de achterstand. Dat betekent dat sprake is van een tekortkoming die in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomsten en de gevolgen daarvan rechtvaardigt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Al hetgeen [gedaagde partij] heeft aangevoerd en waarmee hij, zoals de kantonrechter begrijpt, een beroep doet op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW, kan niet leiden tot het oordeel dat de tekortkoming in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomsten met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit wordt niet anders als de kantonrechter rekening houdt met het belang dat [gedaagde partij] heeft om in de woning te kunnen blijven wonen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Daarvoor is redengevend dat het hier gaat om een al bij dagvaarding forse huurachterstand, die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog verder is opgelopen en zelfs meer dan elf maanden bedroeg. De huurachterstand is kort na het sluiten van de huurovereenkomsten ontstaan. Daar komt bij dat Wonen Limburg heeft gesteld dat [gedaagde partij] al eerder een huurachterstand bij haar heeft gehad, hetgeen door [gedaagde partij] niet gemotiveerd is weersproken. Verder weegt mee dat [gedaagde partij] , ondanks dat de huurachterstand in een rap tempo is opgelopen en hij al geruime tijd geen inkomen heeft, nog altijd geen uitkering heeft aangevraagd. [gedaagde partij] stelt weliswaar dat hij recent contact heeft opgenomen met de gemeente voor schuldhulpverlening, maar dat is nog niet opgestart terwijl dat gezien de hoogte van de achterstand al lang had moeten gebeuren. Ten slotte heeft [gedaagde partij] de door de partner van zijn moeder aangeboden hulp bij het oplossen van zijn financiële problemen tot op heden niet aanvaard. Wel heeft [gedaagde partij] aangeboden een bedrag ineens op de huurachterstand af te lossen, waarover tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is gesproken, maar dit aanbod was gezien de hoogte van de huurachterstand voor Wonen Limburg niet acceptabel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Gelet op dit alles en op het feit dat de kantonrechter tijdens de rolzitting op 15 oktober 2025 al tegen [gedaagde partij] heeft gezegd dat het heel belangrijk is dat hij een uitkering aanvraagt, schuldhulpverlening inschakelt en hulp aanvaardt, maar [gedaagde partij] desondanks niet althans in ieder geval onvoldoende in actie is gekomen, moet de kantonrechter concluderen dat er geen concreet aanknopingspunt is op basis waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde partij] de lopende huur tijdig zal gaan voldoen en dat hij de huurachterstand binnen afzienbare tijd zal aflossen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het belang van Wonen Limburg bij de ontbinding van de huurovereenkomsten zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde partij] om in de woning te kunnen blijven wonen. De kantonrechter zal de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde daarom toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Daarnaast zal [gedaagde partij] worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter acht dit een redelijke termijn om aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen. Wonen Limburg heeft in ieder geval geen feiten of omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat die termijn op drie dagen na betekening van het vonnis, zoals door haar is gevorderd, wordt gesteld. In zoverre wordt haar vordering afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De huurachterstand</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Wonen Limburg vordert ook dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand die volgens haar in hoofdsom € 4.313,82 bedraagt en waarop, zoals als gevolg van hetgeen hierna wordt geoordeeld over de gevorderde incassokosten van € 457,07, het bedrag van € 550,58 dat al aan de gemachtigde is betaald volledig in mindering strekt. Dat betekent dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.763,24. Het meerdere wordt afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Huur c.q. gebruikersvergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Wonen Limburg vordert verder dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van € 650,69 per maand als huur, inclusief servicekosten en dergelijke, c.q. gebruiksvergoeding vanaf 30 september 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De vordering ziet op de door [gedaagde partij] in totaal verschuldigde huurprijs inclusief servicekosten en voorschotten, voor de woning en de parkeerplaats, vanaf 30 september 2025 tot aan de datum van de ontbinding (aldus de datum van dit vonnis) en op een door [gedaagde partij] verschuldigde gebruikersvergoeding over de periode vanaf de ontbinding van de huurovereenkomsten. De vordering is toewijsbaar met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat ziet op eventuele huurverhogingen en het gedeelte dat ertoe strekt dat een ingegane maand wordt gerekend als een hele maand. Wonen Limburg heeft ten aanzien van deze onderdelen niet aan haar stelplicht voldaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De wettelijke rente en incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Wonen Limburg vordert ten slotte dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag, waarin ook incassokosten zijn begrepen, vanaf de dag van dagvaarden tot aan de dag van betaling. Daarnaast vordert zij dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van € 457,07 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Wonen Limburg is een professionele verhuurder en [gedaagde partij] is een consument. Op grond van de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (EU richtlijn 1993/13) moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of de huurovereenkomst en/of de op die overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden bedingen bevatten die voor [gedaagde partij] als consument huurder oneerlijk in de zin van die Richtlijn, zijn. De kantonrechter stelt vast dat de  algemene voorwaarden van Wonen Limburg die op de huurovereenkomst die ziet op de woning van toepassing zijn, in artikel 6.2. een beding bevatten op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Daarnaast bevatten de algemene voorwaarden in artikel 13.2 een beding op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op betaling van incassokosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Een beding wordt als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Een oneerlijk beding moet, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten. Een op een oneerlijk beding gegronde vordering is in dat geval niet toewijsbaar. Evenmin kan dan nog aanspraak worden gemaakt op vergoeding op basis van de wettelijke regeling (HvJ EU van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft Wonen Limburg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de bedingen al dan niet eerlijk zijn en over het voornemen om het beding te vernietigen in het geval het niet eerlijk wordt bevonden. Wonen Limburg heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat het rentebeding eerlijk is. Het beding komt namelijk overeen met de wettelijke regeling Dat betekent dat de wettelijke rente zal worden toegewezen voor zover deze is gevorderd over de huurachterstand. Dit ligt anders voor de incassokosten. Dat beding is wel oneerlijk in de zin van de Richtlijn. In het beding staat dat minimaal € 40,00 aan incassokosten is verschuldigd bij niet tijdige betaling. Het beding is dus in strijd met de wettelijke regeling, want deze voorziet erin dat eerst nog de kans wordt gegeven om de hoofdsom zonder bijkomende kosten te betalen. Er zijn geen andere afspraken gemaakt die tegenwicht bieden aan het nadeel dat [gedaagde partij] op dit punt lijdt. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen. Dit brengt mee dat de vordering die strekt tot vergoeding van incassokosten niet toewijsbaar is, zodat de daarover gevorderde rente ook niet toewijsbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Limburg worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>145,45</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>514,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>576,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 288,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>135,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.370,45</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomsten met betrekking tot het gehuurde, ten aanzien van de woonruimte en de bijbehorende parkeerplaats, aan het adres [adres] ,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wonen Limburg zijn, en de sleutels van de woning af te geven aan Wonen Limburg,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om aan Wonen Limburg te betalen een bedrag van € 3.763,24 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om aan Wonen Limburg te betalen een bedrag van € 650,69 per maand ter zake de huur (tot vandaag) dan wel gebruiksvergoeding (vanaf vandaag) voor de woning, inclusief servicekosten en voorschotten en de huur voor de parkeerplaats, vanaf oktober 2025 tot aan de datum van ontruiming,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.370,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>