<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2025:7410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-08T15:15:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/335483 / HA ZA 24-474</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2025/340</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0458</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2025-0458</rdf:li>
          <rdf:li>JERF 2025/132</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:7410">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:7410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T15:04:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2025:7410 Rechtbank Limburg , 12-02-2025 / C/03/335483 / HA ZA 24-474</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2025:7410:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident afgifte bescheiden 4:78 toegewezen. Incident opheffing beslag. Niet gebleken van ondeugdelijkheid vordering; geen aanleiding tot opheffing beslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2025:7410:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="37bc2451-a6a3-4bce-a694-72c9d749e8b4" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ff12db5d-d14b-420e-b525-a06dc99bbc06" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/03/335483 / HA ZA 24-474</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 12 februari 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend op een geheim adres,</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident ex artikel 4:78 BW,</para>
      <para>verweerder in het incident tot opheffing van het beslag,</para>
      <para>advocaat mr. B. Coomans,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>gedaagde in het incident ex artikel 4:78 BW,</para>
      <para>eiser in het incident tot opheffing van het beslag, </para>
      <para>advocaat mr. M.A. Ploemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot inzage en afschrift van bescheiden ex artikel 4:78 BW, met producties 1 t/m 5,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord alsmede incidentele vordering tot opheffing van het beslag, met producties 1 t/m 6,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord op het incident tot opheffing beslag.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op [overlijdensdatum] 2023 is [erflaatster] (hierna: erflaatster), zijnde de moeder van partijen, overleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Erflaatster heeft bij testament van [datum] 2016, verleden voor [naam kandidaat-notaris] , kandidaat-notaris te [vestigingsplaats] , over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft erflaatster [gedaagde] tot enig erfgenaam benoemd en [eiseres] (alsmede haar afstammelingen) uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam (productie 1 bij incidentele conclusie aan de zijde van [gedaagde] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft ter verzekering van de door haar gepretendeerde vordering op 20 augustus 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagde] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (productie 5 bij dagvaarding).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <bridgehead role="italic">in het incident ex artikel 4:78 BW</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I. [gedaagde] zal veroordelen om binnen 14 dagen na dit vonnis de volgende bescheiden aan haar te verstrekken dan wel bij akte in het geding te brengen: </para>
      </parablock>
      <para>( a) De vrije verkoopwaarde van het aandeel van erflaatster in het onroerend goed en eventuele auto;</para>
      <para>( b) De contanten die op de sterfdag aanwezig waren;</para>
      <para>( c) De saldi per [overlijdensdatum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;</para>
      <para>( d) Eventuele effecten met specificaties daarvan;</para>
      <para>( e) Eventuele andere vorderingen (eventueel op [gedaagde] in verband met investeringen door erflaatster in gezamenlijk bezit) en andere bezittingen;</para>
      <para>( f) De bij het overlijden nog te betalen schulden, waaronder mede begrepen het aandeel van erflaatster in de hypothecaire schuld op [overlijdensdatum] 2023 en een eventuele schuld aan [gedaagde] wegens investeringen door hem in gemeenschappelijk bezit, maar ook het aandeel van erflaatster in de nota’s voor elektra, gas en telefoon;</para>
      <para>( g) De belastingaanslagen, met name voor de Inkomstenbelasting. Voor zover deze nog niet definitief zijn opgelegd, kunnen geschatte bedragen worden opgegeven;</para>
      <para>( h) De uitvaartkosten, waaronder ook de eventuele kosten van een grafsteen, inscriptie of een urn;</para>
      <para>( i) Eventuele uitkeringen op uitvaartpolissen of andere uitkeringen krachtens levensverzekering of lijfrente;</para>
      <para>( j) Eventuele schenkingen die door erflaatster aan [gedaagde] en [eiseres] ten tijde van leven zijn gedaan;</para>
      <para>( k) Schenkingen die erflaatster de laatste vijf jaren aan zowel [eiseres] als [gedaagde] heeft gedaan, alsmede </para>
      <parablock>
        <para>II. [gedaagde] zal veroordelen om binnen veertien dagen na de vonnisdatum de bankafschriften van de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder tot en met datum vonnis te verstrekken aan eiseres dan wel bij akte in het geding te brengen; en</para>
        <para>III. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor elke dag of gedeelte van de dag dat hij in gebreke blijft met het naleven c.q. uitvoeren van deze vorderingen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] dat zij de verzochte bescheiden nodig heeft om haar legitieme portie te kunnen berekenen. De verzochte inzage in de bankafschriften van de afgelopen vijf jaren is volgens [eiseres] nodig om te kunnen vaststellen of er sprake is van eventueel gedane schenkingen. Ter onderbouwing hiervan stelt [eiseres] dat [gedaagde] samen met erflaatster in 2021 een woning heeft gekocht, [eiseres] vermoedt dat hierbij sprake is geweest van in aanmerking te nemen giften. [eiseres] heeft haar vordering primair gebaseerd op artikel 4:78 BW, subsidiair op artikel 843a Rv.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist dat hij weigerachtig is ten aanzien van het verstrekken van bescheiden. Hij stelt tevens dat hij op 16 oktober 2024 de opgevraagde bescheiden aan de advocaat van [eiseres] heeft verstrekt. Verder is [gedaagde] van mening dat [eiseres] geen recht heeft op bankafschriften van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, nu zij geen onderbouwde vermoedens of aanwijzingen kenbaar heeft gemaakt waaruit zou moeten blijken dat deze afschriften van wezenlijk belang zijn voor de berekening van de legitimaire massa. [gedaagde] verklaart bovendien alle bankafschriften die hij in zijn bezit heeft, reeds te hebben overgelegd, hetgeen enkel afschriften van de zakelijke rekening betreft. Andere gegevens zijn niet voorhanden, aldus [gedaagde] .  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:<?linebreak?>I. Aan de hand van de door [gedaagde] in het incident te verstrekken bescheiden bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie van eiseres vast zal stellen;</para>
        <para>II. De vordering van [eiseres] op [gedaagde] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster bij wijze van verklaring voor recht vast zal stellen op het onder I. vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;</para>
        <para>III. [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het onder II. vastgestelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding; <?linebreak?>IV. [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen de door deze gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.775,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; en</para>
        <para>V. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv alsmede de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [gedaagde] in verzuim is deze kosten te voldoen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Met de vordering in de hoofdzaak wenst [eiseres] haar aanspraak op grond van de legitieme portie vastgesteld te zien en geldend te maken, deels aan de hand van de in het kader van het incident ex artikel 4:78 BW ter beschikking gestelde bescheiden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het incident tot opheffing beslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I. het verleende conservatoir beslag zal opheffen, nu voor de vordering van [eiseres] voldoende zekerheid wordt gesteld en het onnodige van het beslag blijkt,</para>
        <para>II. [eiseres] zal veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten, met de uitdrukkelijke bepaling dat [eiseres] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zal hebben betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt daartoe dat beslag op de woning onredelijk en disproportioneel is. De vordering van [eiseres] van omstreeks € 40.000,00 is niet voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft hijzelf diverse vorderingen op de nalatenschap van erflaatster, onder meer uit hoofde van een verbouwing, hetgeen invloed heeft op de omvang van de legitieme portie.  [gedaagde] is bereid om zekerheid te stellen tot een bedrag van € 10.000,00, welk bedrag voldoende verhaal biedt. Een beslag op de woning is onnodig, nu [gedaagde] zich aan de incidentele vordering tot inzage en afschrift heeft geconformeerd en hieruit niet kan worden afgeleid dat hij zich weigerachtig heeft opgesteld. Verduistering van de woning is niet te duchten, nu dit het woonadres van [gedaagde] betreft en hij mede-eigenaar is en hij niet voornemens is de woning aan een ander over te dragen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [eiseres] voert verweer. Zij stelt dat de gestelde vorderingen van [gedaagde] op de nalatenschap van erflaatster geenszins zijn onderbouwd. Bovendien is [gedaagde] zelf voor de helft eigenaar van de woning en de andere (onverdeelde) helft van de eigendom valt in de nalatenschap. De (mogelijke) verbouwingskosten kunnen derhalve ook slechts voor de helft op de nalatenschap worden verhaald. Gelet op het voorgaande is [eiseres] van mening dat de door haar geschatte begroting reëel is. Indien [gedaagde] niet voornemens is om de woning te  vervreemden of te bezwaren, raakt het gelegde beslag hem niet. Bovendien heeft [gedaagde] in twee verschillende hoedanigheden, namelijk als eigenaar en enig erfgenaam, beschikkingsmacht over de woning, zodat er wel degelijk sprake is van een geronde vrees voor verduistering. De door [gedaagde] aangeboden zekerheid staat niet in verhouding tot de hoogte van de vordering van [eiseres] . Tot slot voert [eiseres] aan dat haar belang bij verzekering van haar vordering zwaarder weegt dan de nadelen die [gedaagde] ondervindt van het beslag op de woning, nu hij daar praktisch gezien geen nadelen van ondervindt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in beide incidenten</title>
    <bridgehead role="italic">ex artikel 4:78 BW</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 4:78 BW de legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de executeur aanspraak kan maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat de executeur hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen moet verstrekken. Dit begrip moet, gelet op de wetgeschiedenis, zo ruim mogelijk worden uitgelegd, maar wel met de beperking dat het moet gaan om gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Dat betekent dat eiseres recht heeft op de bescheiden waarmee zij de omvang en de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden kan controleren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Hoewel [gedaagde] stelt dat hij alle stukken die voorhanden zijn reeds heeft overgelegd, heeft hij dit niet onderbouwd, zodat dit niet aan toewijzing van de vordering van [eiseres] in de weg staat. Voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn ook vóór het overlijden gedane giften door de erflaatster van belang (artikel 4:65 BW jo 4:67 e.v. BW). [eiseres] heeft daarom ook een gerechtvaardigd belang bij het kunnen controleren of door erflaatster aan [gedaagde] of derden schenkingen zijn gedaan. Zij is niet gehouden af te moeten gaan op mededelingen van [gedaagde] daarover. Naar het oordeel van de rechtbank dient [gedaagde] dan ook de rekeningafschriften van de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van erflaatster te overleggen. De rekeningafschriften dienen te worden overgelegd tot de datum van overlijden, derhalve tot en met [overlijdensdatum] 2023. Dat [gedaagde] enkel over de zakelijke rekeningafschriften beschikt kan de rechtbank niet volgen. Als erfgenaam kan [gedaagde] de privé afschriften (digitaal) opvragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank is derhalve van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. In het dictum zal expliciet worden gemaakt dat [gedaagde] wordt veroordeeld om – zoals volgt uit artikel 4:78 BW – afschrift van bescheiden te verstrekken of, als er geen bescheiden voorhanden zijn, inlichtingen te vertrekken. De dwangsom zal worden gemaximeerd zoals in het dictum is bepaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">tot opheffing van het beslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Een incidentele vordering tot opheffing van het beslag betreft een voorlopige voorziening. Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding en moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Voorts moet [gedaagde] voldoende belang hebben bij de voorlopige voorziening, in die zin dat niet van hem gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Het ligt op de weg van degene die de opheffing vordert om – met inachtneming van de beperkingen van de procedure – aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Aangezien de gevraagde voorziening sterk verweven is met de beoordeling van de gegrondheid van de vordering in de hoofdzaak, kan de rechtbank de juistheid van de stellingen van partijen in dit incident slechts met terughoudendheid beoordelen. De beoordeling van de vordering tot opheffing van een beslag kan verder niet geschieden los van de vereiste afweging van de wederzijdse belangen bij handhaving en opheffing van het beslag. Daarbij is van belang dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, als een vooralsnog niet-vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de gevorderde voorlopige voorziening samenhangt met de vordering(en) in de hoofdzaak, waarin [eiseres] onder meer heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van de legitieme portie te vermeerderen met wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Gelet op de stellingen van partijen over en weer en de thans voorhanden zijnde bewijsstukken staat vast dat [eiseres] een vordering heeft op [gedaagde] uit hoofde van de legitieme portie. Derhalve is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [eiseres] . Partijen discussiëren wel over de omvang van die vordering, waarbij [gedaagde] zijn standpunt met name grondt op de stelling dat hij een vordering op de nalatenschap waarbij rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de legitimaire massa. Aangezien [gedaagde] zijn vorderingen niet met ter zake dienende stukken onderbouwt en deze door [eiseres] worden betwist,  kan van de juistheid van de stellingen van [gedaagde] op dit punt niet worden uitgegaan. Dat betekent ook dat die stellingen geen aanleiding geven tot opheffing van het beslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft haar legitieme portie geschat op een bedrag van € 40.000,00. De omvang van haar vordering is mede gebaseerd op de aankoopprijs van de woning van erflaatster en [gedaagde] en de daarop rustende hypotheek. Zij heeft beslag gelegd voor een bedrag van € 52.000,00 inclusief rente en kosten.  [gedaagde] heeft gesteld bereid te zijn zekerheid te stellen voor een bedrag van € 10.000,00. Het stellen van zekerheid kan leiden tot opheffing van het beslag. Dat is in dit geval echter niet aan de orde. Bedoelde zekerheid moet op basis van artikel 6:51 BW immers zodanig zijn dat de vordering en de (eventuele) daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. [gedaagde] heeft volstaan met het uitspreken van de bereidheid om zekerheid te stellen en ook niets gesteld over de aard van die, derhalve klaarblijkelijk nog niet gestelde, zekerheid. Daarom geeft ook dat geen aanleiding het beslag op te heffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Een afweging van de wederzijdse belangen maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank overweegt dat het belang van [eiseres] bij handhaving van het beslag (het zorgen dat haar verhaalsmogelijkheid blijft bestaan) zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij opheffing daarvan, mede gelet op het feit dat [gedaagde] zelf heeft aangevoerd dat hij niet van plan is de onroerende zaak te vervreemden of te bezwaren. Daarbij heeft [gedaagde] niet gesteld dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de beslissing in de hoofdzaak zal afwachten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering in incident moet worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in beide incidenten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">ex artikel 4:78 BW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres] afschriften dient te verstrekken van bescheiden waaruit blijkt van:</para>
      <para>( a) De vrije verkoopwaarde van het aandeel van erflaatster in het onroerend goed en eventuele auto;</para>
      <para>( b) De contanten die op de sterfdag aanwezig waren;</para>
      <para>( c) De saldi per [overlijdensdatum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;</para>
      <para>( d) Eventuele effecten met specificaties daarvan;</para>
      <para>( e) Eventuele andere vorderingen (eventueel op [gedaagde] in verband met investeringen door erflaatster in gezamenlijk bezit) en andere bezittingen;</para>
      <para>( f) De bij het overlijden nog te betalen schulden, waaronder mede begrepen het aandeel van erflaatster in de hypothecaire schuld op [overlijdensdatum] 2023 en een eventuele schuld aan [gedaagde] wegens investeringen door hem in gemeenschappelijk bezit, maar ook het aandeel van erflaatster in de nota’s voor elektra, gas en telefoon;</para>
      <para>( g) De belastingaanslagen, met name voor de Inkomstenbelasting. Voor zover deze nog niet definitief zijn opgelegd, kunnen geschatte bedragen worden opgegeven;</para>
      <para>( h) De uitvaartkosten, waaronder ook de eventuele kosten van een grafsteen, inscriptie of een urn;</para>
      <para>( i) Eventuele uitkeringen op uitvaartpolissen of andere uitkeringen krachtens levensverzekering of lijfrente;</para>
      <para>( j) Eventuele schenkingen die door erflaatster aan [gedaagde] en [eiseres] ten tijde van leven zijn gedaan;</para>
      <para>( k) Schenkingen die erflaatster de laatste vijf jaren aan zowel [eiseres] als [gedaagde] heeft gedaan, </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>dan wel – indien en voor zover bescheiden niet voorhanden zijn - inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie van [eiseres] , alsmede afschriften te verstrekken van </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>( l) Bankafschriften die zien op de periode van de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster op [overlijdensdatum] 2023, </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke zal blijven met een maximum van € 10.000,00,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">tot opheffing van het beslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in beide incidenten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verstaat dat de zaak op de rol staat van heden voor conclusie van antwoord.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.<footnote-ref linkend="_9f495635-ee02-48e8-b0f6-c16d42c2b5dc" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_9f495635-ee02-48e8-b0f6-c16d42c2b5dc" label="1">
    <para>type: AH</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>