<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2025:3613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T12:07:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 24/1164</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:3613">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:3613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T12:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2025:3613 Rechtbank Limburg , 17-04-2025 / ROE 24/1164</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2025:3613:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer. Het CBR heeft aan eiser een maatregel opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens omdat de snelheidsmeting volgens hem ongeldig is en de verbalisant enkele fouten zou hebben gemaakt. De rechtbank ziet in de beroepsgronden onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Het CBR heeft daarom terecht de maatregel opgelegd. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2025:3613:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: ROE 24/1164</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 24 januari 2024. Eiser is het niet eens met de Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: de maatregel) die het CBR aan hem heeft opgelegd. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank of het CBR terecht aan eiser de maatregel heeft opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het besluit van 20 september 2023 heeft het CBR aan eiser de maatregel opgelegd. Daartegen is eiser in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar is het CBR bij dat besluit gebleven. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen die beslissing op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het CBR deelgenomen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Op 10 september 2023 heeft een verbalisant van de politie, die met motorsurveillance was belast, geconstateerd dat eiser met een gecorrigeerde snelheid van 125 kilometer per uur reed op een weg waar een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur gold. De verbalisant heeft op een politiemotor enige tijd achter eiser aan gereden en de snelheid van zijn voertuig gemeten met een geijkte boordsnelheidsmeter. De verbalisant heeft op basis van deze gebeurtenis dezelfde dag een proces-verbaal opgemaakt en deze naar het CBR verstuurd als een mededeling van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de rijgeschiktheid als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw). Vervolgens heeft het CBR aan eiser de maatregel opgelegd. </para>
    <para />
    <para>4. Het CBR heeft in de beslissing op bezwaar aangegeven dat zij volgens vaste rechtspraak ervan mag uitgaan dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal juist is. Dat zou slechts anders zijn als eiser het tegendeel aannemelijk maakt. Het CBR vindt niet dat hier sprake van is en heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat voert eiser in beroep aan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met de beslissing omdat de meting niet correct is. De meting is 250 meter vóór het A1-verkeersbord,<footnote-ref linkend="_8eaf3346-7ead-48c1-863f-7d334bd767bf" /> waarop stond dat er een maximale snelheid gold van 70 kilometer per uur, aangevangen. De meting is daardoor ongeldig. De verbalisant heeft verder de kilometeraanduiding van de hectometerpaaltjes (waarop stond dat er een maximale snelheid van 100 kilometer per uur mocht worden gereden) over het hoofd gezien en verder enkele duidelijke fouten gemaakt in het proces-verbaal, zoals het benoemen dat de snelheid over een afstand van 5 kilometer is gemeten en verder dat sprake zou zijn van wegwerkzaamheden. Hij is maar voor 2.8 kilometer gevolgd en de wegwerkzaamheden zijn pas gestart twee weken nadat het proces-verbaal is opgemaakt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank wenst ten eerste te benadrukken dat er voor het opleggen van de maatregel slechts een vermoeden van ongeschiktheid moet worden vastgesteld. Er gelden andere bewijsnormen in het bestuursrecht dan in bijvoorbeeld het strafrecht, waardoor de uitkomst van een strafrechtelijke procedure dan ook geen invloed hoeft te hebben op deze procedure.<footnote-ref linkend="_e84aedeb-4f23-49f0-a4dd-45149ac3baf3" /> Daarbij is ook van belang dat de maatregel geen bestraffende sanctie is, maar een bestuursrechtelijke maatregel die erop is gericht de verkeersveiligheid te waarborgen.<footnote-ref linkend="_6b8ef458-fddf-44ed-8446-0c77195e68a2" /></para>
    <para />
    <para>7. Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_48de7271-b2c4-41cd-9809-65375ada0cf3" /> mag het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van bewijs, in beginsel uitgaan van de bevindingen van verbalisanten in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. De reden daarachter is dat een verbalisant als ervaringsdeskundige voldoende in staat wordt geacht om verkeersgedragingen (objectief) waar te nemen en te registreren en heeft er, zo is het uitgangspunt, geen belang bij om onjuistheden in het proces-verbaal op te nemen.<footnote-ref linkend="_7c45a66c-fd2d-4ccf-b951-f76f806dbebb" />Als de bevindingen van de verbalisant worden betwist, zal echter moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de mededeling van het vermoeden ten grondslag kunnen worden gelegd.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van 10 september 2023 op ambtsbelofte is opgemaakt, zodat volgens vaste rechtspraak in beginsel van de juistheid van de bevindingen daarin (voor een bestuursrechtelijke procedure als het onderhavige) mag worden uitgegaan. De bewijslast is daarmee ingevuld. Het is vervolgens dus de vraag of de gronden van eiser leiden tot zodanige twijfel dat die bevindingen niet ten grondslag aan het besluit kunnen worden gelegd. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    <para />
    <para>9. Over het standpunt van eiser dat de meting ongeldig is omdat deze al is aangevangen 250 meter vóórdat hij bekend raakte met het verkeersbord (met daarop een maximale toegestane snelheid van 70 kilometer per uur), is de rechtbank van oordeel dat zij hierin onvoldoende reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisant. Door eiser wordt immers niet betwist dat er in ieder geval ná 250 meter nadat hij de snelweg opreed een maximale snelheid van 70 kilometer per uur gold en dat zijn snelheid over een afstand van 2.8 kilometer is gemeten door middel van een geijkte boordsnelheidsmeter. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser niet heeft afgeremd over de gemeten afstand, zodat de rechtbank er van uit gaat dat de snelheidsovertreding heeft plaatsgevonden over het gehele traject. Eiser heeft slechts gesteld, maar niet (voldoende) onderbouwd, dat de snelheidsovertreding mogelijk lager zou zijn (met als gevolg dat geen maatregel kon worden opgelegd) als de meting pas was begonnen nadat hij voorbij het verkeersbord was. De rechtbank acht daarbij nog van belang dat in ieder geval het overgrote deel (2.55 kilometer) van de meting heeft plaatsgevonden ná het verkeersbord, waarbij, zoals het CBR ter zitting terecht heeft aangegeven, ook ruim voldaan is aan de minimale meetafstanden zoals beschreven in de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (2022A008). In samenhang met de vermelding in het proces-verbaal dat niet is afgeremd, is dit voldoende om aannemelijk te maken dat eiser de snelheid met 55 kilometer per uur heeft overschreden, ook nadat hij kennis heeft genomen van het verkeersbord met daarop een maximale toegestane snelheid van 70 kilometer per uur. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Ook het standpunt van eiser over de hectometerpaaltjes deelt de rechtbank niet. Zij is van oordeel dat de aanduiding op een hectometerpaaltjes geen voorrang kunnen hebben op afwijkende verkeersborden waarmee voor de weggebruiker duidelijk wordt dat tijdelijk een andere maximale snelheid geldt, zoals in het onderhavig geval. De hectometerpaaltjes hebben in zoverre dus vooral een ondersteunend karakter en maken dus niet dat van de geldende maximumsnelheid volgens het A1-verkeersbord mag worden afgeweken, zodat de verbalisant terecht is uitgegaan van een geldende maximale snelheid van 70 kilometer per uur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>Ten slotte heeft eiser gewezen op – volgens hem – fouten in het proces-verbaal. De rechtbank merkt daarbij op dat in het proces-verbaal ook stond aangegeven dat er op het moment van constatering niet werd gewerkt, maar slechts dat de bebordingen met een lagere snelheid zijn aangebracht vanwege (aankomende) wegwerkzaamheden. De omstandigheid dat de wegwerkzaamheden nog niet daadwerkelijk waren aangevangen doet er ook niet aan af dat er (zoals eiser zelf ook heeft bevestigd) een A1-verkeersbord aanwezig was, waaraan eiser gehouden is, met daarop een maximale toegestane snelheid van 70 kilometer per uur. Over de lengte van de meting merkt de rechtbank nog op dat in de mededeling van de verbalisant staat aangegeven dat de meting over een afstand van ongeveer 3 kilometer heeft plaatsgevonden. In dit proces-verbaal heeft de verbalisant dus niet, zoals eiser stelt, aangegeven dat er over een afstand van 5 kilometer is gemeten. De rechtbank ziet dan ook hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Het CBR heeft dus terecht aan eiser de maatregel opgelegd. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van het betaalde griffierecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8eaf3346-7ead-48c1-863f-7d334bd767bf" label="1">
    <para> Zie bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (te raadplegen op wetten.overheid.nl).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e84aedeb-4f23-49f0-a4dd-45149ac3baf3" label="2">
    <para> Vergelijk wat is overwogen onder 4.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:942 (te raadplegen op rechtspraak.nl).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b8ef458-fddf-44ed-8446-0c77195e68a2" label="3">
    <para> Vergelijk wat is overwogen onder 6.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3747.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48de7271-b2c4-41cd-9809-65375ada0cf3" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1519, 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:942 en 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5463.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c45a66c-fd2d-4ccf-b951-f76f806dbebb" label="5">
    <para> Vergelijk wat is overwogen onder 4.1 en 4.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4770.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>