<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2025:13215</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T08:51:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/337968 / HA ZA 25-31</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13215">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13215</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T08:51:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2025:13215 Rechtbank Limburg , 01-10-2025 / C/03/337968 / HA ZA 25-31</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2025:13215:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdeling gemeenschappelijk vermogen ongehuwden. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de woning, zodat de rechtbank die wijze zelf vaststelt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2025:13215:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Limburg</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/03/337968 / HA ZA 25-31</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 1 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende op een geheim adres,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>gedaagde partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat: mr. S.G.L. Bremen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De vrouw heeft de man op 24 december 2024 gedagvaard. Daarbij heeft de vrouw 7 producties meegestuurd. Op deze dagvaarding heeft de man gereageerd met een conclusie van antwoord met 9 producties, waarbij hij ook een (voorwaardelijke) tegenvordering tegen de vrouw heeft ingesteld. Op deze (voorwaardelijke) tegenvordering heeft de vrouw gereageerd door middel van een conclusie van antwoord in reconventie met 11 producties. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de man nog producties 10 tot en met 14 toegestuurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2025 plaatsgevonden. Daarbij zijn de vrouw met haar advocaat mr. Van Roy verschenen en de man met zijn advocaat mr. Bremen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben hun samenwoning geregeld bij een notarieel samenlevingscontract van 2 augustus 2007. Zij hebben de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) in gezamenlijk eigendom, ieder voor de helft. Partijen zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de ter financiering van deze woning afgesloten hypothecaire geldlening. Aan de hypotheek is een spaarpolis gekoppeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De affectieve relatie is geëindigd en de man heeft de gemeenschappelijke woning per 1 augustus 2023 verlaten. De kantonrechter heeft bij beschikking van 16 januari 2024 bepaald dat de vrouw en de twee minderjarige kinderen van partijen voorlopig, te weten in ieder geval tot 1 april 2024, het gebruiksrecht van de gemeenschappelijke woning toegedeeld krijgen. Daarnaast heeft de kantonrechter beslist dat de vrouw gedurende een bepaalde periode een bedrag van € 311,20 per maand aan de man dient te voldoen als bijdrage in de eigenaarslasten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Conform deze uitspraak is de vrouw tot 1 april 2024 in de woning blijven wonen, waarna zij per 1 april 2024 met de kinderen is vertrokken. Met ingang van 1 april 2024 verblijft de man weer in de gemeenschappelijke woning van partijen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen zijn in overleg getreden over de verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen. In dat kader heeft Derwall Taxatie op 3 oktober 2023 de woning getaxeerd en de waarde vastgesteld op € 320.000,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw vordert, samengevat, dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I 	de man veroordeelt volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en<?linebreak?>levering van de woning tegen een door een makelaar vast te stellen verkoopprijs vanaf € 375.000,00 conform de gebruikelijke voorwaarden in de markt op straffe   van een dwangsom,</para>
        <para>II	de man veroordeelt tot betaling van een gebruikersvergoeding van € 750,00 <?linebreak?> 	per maand (althans een door de rechtbank te bepalen ander bedrag) vanaf 1 april <?linebreak?> 	2024 tot de dag van de notariële levering van de woning,</para>
        <para>III	de man veroordeelt tot betaling van de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De man betwist de vorderingen en voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De man vordert, samengevat, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:</para>
        <para>I 	de verdeling van de woning, de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en de spaarpolis vaststelt en wel als volgt:</para>
        <para>- de woning aan de man toe te delen tegen een waarde van € 320.000,00.</para>
        <para>- de rechten van de spaarpolis aan de man toe te delen en te bepalen dat de   <?linebreak?>     man de verplichtingen uit deze polis voor zijn rekening neemt,</para>
        <para>- te bepalen dat partijen, na aftrek van de hypothecaire geldlening op de     <?linebreak?>     woning en onder bijtelling van de waarde van de spaarpolis, het restant bij <?linebreak?>     helfte verdelen,</para>
        <para>het voorgaande onder de voorwaarde dat deze toedeling komt te vervallen, indien de man niet binnen vier maanden na de datum van dit vonnis de financiering heeft geregeld waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid,</para>
        <para>II 	voorwaardelijk, voor het geval de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient <?linebreak?> 	te betalen, de vrouw veroordeelt aan de man een gebruiksvergoeding te betalen <?linebreak?> 	voor de periode 1 augustus 2023 tot 1 april 2024 (8 maanden), gelijk aan het bedrag <?linebreak?> 	dat de man aan de vrouw dient te betalen,</para>
        <para>III 	de vrouw veroordeelt tot betaling van € 20.624,81 (€ 13.129,25 + € 621,33 + <?linebreak?> 	€ 5.000,00 + € 1.874,23), vermeerderd met rente.	<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De vrouw voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vorderingen in conventie en in reconventie worden hierna gezamenlijk besproken, omdat zij bijna allemaal samenhangen met de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, waaronder een woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met spaarpolis. Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. Niemand wordt geacht in een onverdeeldheid te blijven. De rechtbank begrijpt dat beide partijen de rechtbank vragen om de (wijze van verdeling) van hun gemeenschappelijk vermogen vast te stellen ex artikel 3:185 BW, omdat het partijen niet zelf lukt. Daarnaast stelt de man in reconventie nog enkele verhaalsvorderingen op de vrouw te hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat partijen per 1 augustus 2023 (de datum dat partijen feitelijk uiteen zijn gegaan toen de man de woning verliet) een woning met inboedel in gemeenschappelijk eigendom hadden, waaraan nog een hypothecaire geldlening en een spaarpolis zijn gekoppeld. Daarnaast hadden partijen nog een aantal gezamenlijke bankrekeningen. Dat er nog andere gemeenschappelijke bezittingen en of schulden waren die nog verdeeld moeten worden is niet gesteld of gebleken en daartoe zijn ook geen vorderingen ingesteld. Partijen hebben ook nog gedebatteerd over de auto’s (die blijkens artikel 5 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst niet behoren tot de gemeenschap van partijen), maar ook daartoe zijn geen vorderingen ingesteld. In dit vonnis zal de rechtbank dus enkel ingaan op voormelde bezittingen en schulden, te beginnen met de woning en de daaraan gekoppelde lasten en gevorderde vergoedingen. Daarna zal worden ingegaan op de inboedel, de gemeenschappelijke bankrekeningen en tot slot de verhaalsvorderingen van de man.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De woning</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wel of geen wilsovereenstemming over de verdeling van de woning?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechter kan alleen de (wijze van) verdeling vaststellen als vaststaat dat partijen daarover niet al zelf wilsovereenstemming hebben bereikt. Partijen verschillen van mening over de vraag of zij over de verdeling van de woning wilsovereenstemming hebben bereikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De man is van mening dat dit het geval is en stelt daartoe dat partijen al op of omstreeks 20 september 2023 afspraken hebben gemaakt over de wijze van verdeling van de woning, in die zin dat de woning aan hem wordt toebedeeld tegen een waarde van € 320.000,00. Die waarde is gebaseerd op een taxatierapport van Derwall, waarbij 13 oktober 2023 als peildatum heeft te gelden. Ter onderbouwing van deze stellingen verwijst de man naar de op of omstreeks 21 september 2023 tussen (de advocaten van) partijen gevoerde correspondentie. De vrouw betwist dat partijen hebben afgesproken dat de man de woning tegen de taxatiewaarde zou kunnen overnemen. Zij heeft destijds ingestemd met het laten doen van een taxatie, omdat de man daarna pas alimentatie zou gaan betalen. Zij heeft geen handtekening geplaatst. De vrouw wil dat de woning wordt verkocht aan een derde tegen de huidige waarde die volgens haar hoger is dan € 320.000,00. De vrouw wil dat de woning opnieuw getaxeerd wordt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat uit de correspondentie, waar de man naar verwijst, niet volgt dat partijen onvoorwaardelijk wilsovereenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning en motiveert dat als volgt. Uit de e-mail van de advocaat van de man van 21 september 2023 van 9.30 uur volgt dat partijen op 20 september 2023 overleg hebben gehad. De advocaat van de man bericht de advocaat van de vrouw daarna als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Conform afspraak zend ik u bijgaand de gisterochtend tijdens het viergesprek gemaakte afspraken. Zonder tegenbericht uwerzijds vertrouw ik uw cliënte akkoord met de inhoud daarvan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met betrekking tot het gezamenlijk huis</emphasis>
        </para>
        <para>- <emphasis role="italic">uitgangspunt is dat client de woning overneemt. Daartoe dient in elk geval op zeer korte termijn een taxatie plaats te vinden. Het voorstel van cliënt is de taxatie conform advies van de Rabobank door Desktoptaxatie te laten plaatsvinden. (…)”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens komt er een tegenbericht van de advocaat van de vrouw. Voor zover relevant luidt dat bericht als volgt:</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">“Dank voor uw bericht. Ik heb uw schrijven zojuist naar cliënte gestuurd. Zij gaf mij net al kort aan dat zij het niet met alle zaken eens is, die door u zijn beschreven. Ik heb dinsdagochtend een nieuwe afspraak met cliënte; ik bericht u daarna uitvoeriger.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat betreft de taxatie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Cliënte kan niet akkoord gaan met de door u voorgestelde taxatie door Desktop; (…) Cliënte geeft de voorkeur aan een register taxateur, welke ook daadwerkelijk in de woning komt om een officieel rapport op te stellen. (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Cliënte heeft contact gezocht met een aantal kantoren, ook om te informeren wat de kosten zullen zijn. Ik zal u morgen twee kantoren voorstellen; ik denk dat het goed is dat partijen dan een taxateur kiezen en afspreken dat deze waarde bepaling dan ook de prijs zal zijn waarvoor de woning wordt overgenomen door uw client. (…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is voornoemde reactie zijdens de vrouw geen onvoorwaardelijke aanvaarding van het verdelingsvoorstel (inhoudende dat de woning wordt toebedeeld aan de man tegen een bedrag van € 320.000,00), aangezien duidelijk is vermeld dat de vrouw het nog niet met alle zaken eens is en de advocaat van de vrouw eerst nog met haar cliënte wil spreken. Dat de advocaat van de vrouw aangeeft dat zij denkt dat het goed is dat partijen na het kiezen van een taxateur afspreken dat diens waardebepaling de prijs zal zijn waarvoor de woning door de man wordt overgenomen, wil nog niet zeggen dat daarmee tussen partijen dan onvoorwaardelijke overeenstemming is bereikt. Het punt blijft dat de advocaat van de vrouw eerst nog met haar cliënte diende te overleggen. De man mocht dat, namelijk dat de vrouw zich onvoorwaardelijk akkoord verklaarde met het voorstel, naar het oordeel van de rechtbank gegeven de omstandigheid dat de advocaat nog met de vrouw wilde spreken en de man kennelijk (althans dat is niet door de man weersproken) had aangegeven dat hij pas kinderalimentatie zou betalen indien de vrouw zou instemmen met de taxatie, ook redelijkerwijs niet verwachten. Dat blijkt ook wel uit het feit dat uiteindelijk nooit een door partijen ondertekende definitieve akte van verdeling is opgesteld en uit het feit dat de man tot op heden geen actie heeft ondernomen om nakoming van de door hem gestelde afspraak af te dwingen danwel om een financiering met die uitgangspunten te verzorgen. Nu de rechtbank van oordeel is dat partijen geen onvoorwaardelijke wilsovereenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning zal de rechtbank hierna de (wijze van) verdeling van de woning vaststellen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoe oordeelt de rechtbank over (de wijze van) verdeling van de woning?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechter dient bij de vaststelling van de (wijze van) verdeling niet alleen rekening te houden met de belangen van partijen, maar ook met het algemeen belang. In het tweede lid van artikel 3:185 BW geeft de wet aan uit welke smaken de rechter kan kiezen. De rechter heeft de keuze uit toedeling van een gedeelte van het goed aan beide deelgenoten, overbedeling van een deelgenoot tegen vergoeding van de overwaarde of verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de woning aan een derde moet worden verkocht en dat de overwaarde c.q. de netto-opbrengst van de woning bij helfte over partijen moet worden verdeeld. De rechtbank zal uitleggen waarom. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het moment van verdelen wordt aangehouden als peildatum voor het vaststellen van de waarde van het te verdelen goed. Aangezien in dit vonnis de (wijze van) verdeling wordt vastgesteld dient de huidige waarde van de woning te worden aangehouden. Uit het taxatierapport van Derwall volgt dat de woning per 13 oktober 2023 € 320.000,00 waard was, maar partijen zijn het er ook over eens dat de woning per heden (zeer waarschijnlijk) meer waard is. De vrouw stelt dat de woning minimaal € 375.000,00 waard is en onderbouwt dat met een vrijblijvende offerte van [naam makelaar 1] en [naam makelaar 2] . Tijdens de zitting heeft de man desgevraagd toegegeven dat het best mogelijk is dat de woning meer waard is dan het bedrag dat hij kan financieren. Gelet daarop en het feit dat de man inmiddels bijna 1,5 jaar tijd in de woning verblijft en geen enkele actie heeft ondernomen om te onderzoeken wat hij maximaal zou kunnen lenen om uit de impasse te komen, zodat de vrouw uit de hoofdelijkheid kon worden ontslagen, is de rechtbank van oordeel dat de woning moet worden verkocht aan een derde partij. Het belang van de man om nog een termijn te krijgen om dat onderzoek te doen moet wijken voor het belang van de vrouw om niet nog maandenlang in onzekerheid te verkeren over de wijze van verdelen, terwijl de man reeds nu al aangegeven heeft dat de woning waarschijnlijk meer waard is dan dat hij kan financieren. Daarom moet de woning te koop worden gezet. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De rechter die de wijze van verdeling gelast, geniet daarbij een zekere mate van vrijheid. Hij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Om de verkoop van de woning aan een derde goed te laten verlopen, mede gelet op het feit dat de vordering onder I van de vrouw ruim is geformuleerd, schrijft de rechtbank daarom de volgende procedure voor:</para>
      <para>a.	partijen moeten gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan een erkende makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen een in de branche gebruikelijk tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;</para>
      <para>b. 	partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, in welk verband de man onder meer de woning dient op te ruimen voor het maken van foto’s en dient mee te werken aan bezichtigingen van de woning door potentiële kopers;</para>
      <para>c. 	partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd en waarin de gebruikelijke voorwaarden staan. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;</para>
      <para>d. 	partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning;</para>
      <para>e. 	partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de spaarpolis en de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. Na aflossing resteert een bedrag aan overwaarde. Dit bedrag wordt bij de levering bij helfte verdeeld, waarbij – zoals hierna zal blijken – de notaris zal worden gevraagd de vordering van de man te verrekenen met de aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet (vooralsnog) geen aanleiding om een dwangsom op te leggen,</para>
        <para>zoals door de vrouw gevorderd. De relatie tussen partijen staat al onder spanning. De </para>
        <para>dreiging of oplegging van een dwangsom kan het vertrouwen tussen partijen nog verder </para>
        <para>aantasten, terwijl nu belangrijk is voor beide partijen dat zij samenwerken om uit de </para>
        <para>onverdeeldheid raken. Daarmee is niet uitgesloten dat achteraf alsnog een dwangsom kan </para>
        <para>worden opgelegd, indien op onredelijke gronden niet wordt meegewerkt aan verkoop en </para>
        <para>levering van de woning.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De gebruikersvergoeding, de eigenaars- en gebruikerslasten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De vrouw vordert een gebruikersvergoeding van de man, aangezien hij sinds 1 april 2024 in de woning verblijft. Enkel indien die wordt toegewezen, vordert de man in reconventie ook een gebruikersvergoeding voor de acht maanden dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat ter zake van de woning sprake is van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. Artikel 3:169 BW bepaalt dat – behoudens andersluidende regeling – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deel genoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen. Partijen hebben in hun samenlevingscontract ook afgesproken dat degene die in de gemeenschappelijke woning woont een redelijke vergoeding moet betalen aan degene die de woning heeft verlaten (artikel 10 lid 4 van het samenlevingscontract). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Uit de beschikking van de kantonrechter van 16 januari 2024 leidt de rechtbank af dat geen van partijen destijds aanspraak heeft gemaakt op een gebruikersvergoeding. De procedure ging wel onder meer over wie wat moest bijdragen in de eigenaars- en gebruikerslasten. De man vorderde destijds aanvankelijk primair dat de vrouw de helft van de (door de man betaalde) eigenaarslasten aan de man diende te voldoen en subsidiair dat de vrouw de eerder tussen partijen gemaakte afspraak diende na te komen dat zij € 311,20 per maand diende bij te dragen in de eigenaarslasten van de woning. De kantonrechter overwoog dat de man ter zitting zijn primaire vordering niet langer handhaafde en dat de vrouw instemde met betaling van een bedrag van € 311,20 per maand (een bedrag naar rato van haar inkomen) aan de man terzake de eigenaarslasten. Daarom besliste de kantonrechter bij beschikking van 16 januari 2024 dat de vrouw een bedrag van € 311,20 per maand moest bijdragen in de eigenaarslasten tot het moment dat de woning aan de man of aan en derde zou worden geleverd. De gebruikerslasten in de periode 1 augustus 2023 tot 1 april 2024 moest de vrouw zelf betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat de vrouw maar vier maanden lang een bedrag van € 311,20 heeft bijgedragen in de eigenaarslasten. De man maakt thans aanspraak op de achterstallige bijdragen van de vrouw in de eigenaarslasten, tot maart 2025 berekend op een bedrag van € 4.668,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Al het voorgaande in aanmerking nemende overweegt de rechtbank dat de vrouw weliswaar in beginsel recht heeft op een gebruiksvergoeding nu zij als gevolg van de omstandigheid dat de man sinds 1 april 2024 de woning bewoont, verstoken wordt van het gebruik en het genot van de woning waarop zij als deelgenoot recht heeft. Maar, daar staat tegenover dat de man alle woonlasten van de woning draagt, terwijl de kantonrechter in de beschikking van 16 januari 2024 al heeft beslist dat de vrouw een bedrag van € 311,20 per maand moest bijdragen in de eigenaarslasten en zij dat slechts vier maanden lang heeft gedaan. In aanmerking genomen dat de vrouw als deelgenoot voor de helft van deze woonlasten verantwoordelijk kan worden gehouden (althans in ieder geval voor een bedrag van € 311,20), en gelet op het door de vrouw op de huidige financiële markt te behalen bescheiden rendement over de helft van de overwaarde van de woning, streept de rechtbank het recht van de vrouw op een gebruiksvergoeding weg tegen haar verplichting om bij te dragen in de woonlasten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Deze beslissing betekent ook dat de rechtbank de vrouw niet zal veroordelen tot betaling van € 4.668,00 aan de man, vermeerderd met € 311,20 per maand vanaf maart 2025 terzake eigenaarslasten, zoals door de man gevorderd. De door de man gevorderde gebruikersvergoeding is voorwaardelijk ingesteld. Nu die voorwaarde niet is vervuld, behoeft deze vordering van de man geen verdere bespreking meer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De inboedel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>In artikel 5 lid 1 (en p. 5 onder “aanbrengsten en mede-eigendom van inboedel”) van het samenlevingscontract hebben partijen samengevat afgesproken dat (na ruiling en/of overdracht van ieders ingebrachte inboedel) zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de inboedel. Gebleken is dat partijen over de verdeling van de inboedel nog geen overeenstemming hebben bereikt, aangezien zij het niet eens zijn over wie is overbedeeld en voor hoeveel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>De man stelt dat de vrouw nagenoeg de hele inboedel heeft meegenomen toen zij de woning per 1 april 2024 verliet. De man legt een lijst over van de door de vrouw meegenomen spullen. De man biedt nader bewijs aan van deze stelling. De man is bereid deze feitelijke verdeling te aanvaarden, mits de vrouw hem € 5.000,00 voldoet. De vrouw betwist de juistheid van de door de man overgelegde lijst van inboedel. Zij stelt dat de man ook voor 1 april 2024 diverse spullen van de lijst (onder andere de aanhanger, 3D printer en de circuitmotor zonder kenteken) zelf heeft meegenomen. De vrouw heeft enkel spullen meegenomen die nodig waren voor de kinderen. De vrouw eist € 7.500,00 van de man voor de spullen die hij heeft meegenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat ieder een gedeelte van de inboedel na het beëindigen van hun relatie omstreeks augustus 2023 mee heeft genomen. Hoewel beide partijen stellen dat de ander daarbij is overbedeeld heeft geen van partijen die stelling onderbouwd. Het door de man gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het aanbod enkel ziet op de situatie hoe de man de woning op 1 april 2024 heeft aangetroffen terwijl daarmee niet is uitgesloten dat de man voor die datum ook al zelf spullen heeft meegenomen. Partijen hebben geen bezwaren gemaakt tegen de feitelijke verdeling, zoals die heeft plaatsgevonden. Gelet hierop, alsmede het feit dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden vastgesteld dat een van partijen bij de feitelijke verdeling zoals die heeft plaatsgehad, is overbedeeld, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot betaling van een bedrag aan overbedeling over en weer wordt afgewezen. De rechtbank zal de verdeling van de inboedel vaststellen op gelijke wijze als dat partijen de inboedel reeds feitelijk hebben verdeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De bankrekeningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Voor wat betreft de verdeling van de gezamenlijke bankrekeningen zijn zij het erover eens dat zij beiden op het moment van verdeling gerechtigd zijn tot de helft van het saldo, zodat over de (wijze van) verdeling van de gezamenlijke bankrekeningen geen uitspraak zal worden gedaan. Wel zal de rechtbank ingaan op de stelling van de man dat de vrouw op 22 april 2023 zonder zijn toestemming gelden (€ 26.258,51) heeft onttrokken van de gezamenlijke bankrekeningen en een beslissing nemen over de vordering tot terugbetaling van € 13.129,25.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>De man voert in dat kader aan dat partijen ten tijde van de samenleving zes gezamenlijke bankrekeningen hadden en dat de vrouw op 22 april 2023 alle saldi van deze rekeningen heeft overgemaakt op haar eigen privé rekening, waartoe hij bankafschrift overlegt. De man stelt dat hij gerechtigd is tot de helft van de saldi op deze rekeningen en vordert dat de vrouw een bedrag aan de man betaalt van € 13.129,25. Het gaat om de volgende transacties vanaf de volgende gezamenlijke rekeningen:</para>
      <para>a. € 1.194,73 onder vermelding van “Vrij Spaargeld: [rekeningnummer 1] ; </para>
      <para>b. € 9.665,99 onder vermelding van “Badkamer”: [rekeningnummer 1] ;</para>
      <para>c. € 1.620,59 onder vermelding van “ [naam 1] ”: [rekeningnummer 2] ;</para>
      <para>d. € 2.389,05 onder vermelding van “ESSENT AFBLIJVEN!”: [rekeningnummer 3] ;</para>
      <para>e. € 6.565,17 onder vermelding van “ [naam 2] ”: [rekeningnummer 4] ;</para>
      <para>f.  € 4.822,61 onder vermelding van “Mama gespaard voor [naam 3] ”: [rekeningnummer 5] .</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de vrouw erkent dat zij op of omstreeks 22 april 2023 alle saldi van voormelde gezamenlijke bankrekeningen naar haar privérekening heeft overgemaakt, zodat dit vaststaat. De man heeft echter op grond van artikel 3 lid 3 samenlevingsovereenkomst recht op de helft. Hoewel de vrouw stelt dat het geld is besteed aan de kinderen of het hele gezin heeft zij dat niet onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw € 13.129,25 aan de man moet betalen. Aangezien geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde rente daarover, zal die ook worden toegewezen. De reden dat de vrouw het geld op 22 april 2023 naar haar privé rekening heeft overgemaakt (zij stelt dat zij dat geld op 22 april 2023 moest veiligstellen, omdat de man zou lijden aan gokverslaving en op die avond onder invloed van alcohol is gaan pokeren) doet aan dit oordeel niet af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Nota’s gericht aan de vrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>De man stelt na beëindiging van het samenlevingscontract dat hij nog diverse nota’s voor een totaalbedrag van € 621,33 voor de vrouw heeft voldaan. Het gaat om de volgende nota’s:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>€ 148,66 eigen risico zorgverlener DC Kliniek van 3 september 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 44,83 zorgkosten Zuiderland van 11 september 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 215,62 orthodontiekosten [naam 2] van 20 januari 2024, zijnde het aandeel van de vrouw in deze kosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 212,22 kosten Ziggo abonnement periode augustus en september 2023.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>Als reactie op die stelling heeft de vrouw aangevoerd dat zij ook rekeningen voor de man heeft betaald. Over welke rekeningen het dan gaat, heeft zij niet nader gespecificeerd, laat staan onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank staat als onvoldoende weersproken vast dat de man een aantal rekeningen van de vrouw onverschuldigd heeft betaald, reden waarom de vrouw een bedrag van € 621,33 aan de man dient te betalen. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat ook die zal worden toegewezen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Extra stortingen op de gezamenlijke rekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Verder stelt de man dat hij gedurende de periode 22 augustus 2023 tot en met 7 juni 2024 in totaal € 1.874,23 extra naar de gezamenlijke rekening heeft moeten overmaken, omdat de vrouw haar deel daarin niet voldeed, zodat hij BKR noteringen voor achterstallige betalingen voorkwam. Ook dit bedrag vordert hij van de vrouw terug. Het gaat volgens de man om de volgende stortingen:<?linebreak?>a. 22-8-2023 	€ 281,02;</para>
      <para>b. 24-8-2023 	€ 238,00;</para>
      <para>c. 4-4-2024	€   70,00;</para>
      <para>d. 30-4-2024 	€   67,00;<?linebreak?>e. 7-5-2024 	€ 228,22;</para>
      <para>f. 7-6-2024	€ 990,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat stortingen onder a en b niet van de bankrekening van de man afkomstig zijn. De storting op 7 juni 2024 van € 990,00 betreft volgens de betalingsomschrijving “alimentatie mei”. Nu de rechtbank deze bijschrijvingen niet kan rijmen met de stelling van de man dat het gaat om extra stortingen van hem om BKR noteringen te voorkomen, worden deze gevorderde bedragen afgewezen. Stortingen c, d en e komen wel van de rekening van de man en hebben als betalingsomschrijving “achterstand hypotheekpremie”, “achterstand door niet betaalde gebruikerslasten april” en “achterstallige betalingen”. Nu de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat dit gaat om extra stortingen door de man voor gezamenlijke lasten, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw een bedrag van € 365,22 aan de man dient te betalen. Tegen de gevorderde rente daarover is geen verweer gevoerd, zodat die ook zal worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Gelet op de gewezen relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>stelt de verdeling van de inboedel vast op gelijke wijze als dat partijen de inboedel feitelijk hebben verdeeld,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt partijen om over te gaan tot verdeling van de woning op een wijze zoals hierna omschreven;</para>
      <para>a. 	de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan een erkende makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen een in de branche gebruikelijk tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;</para>
      <para>b. 	partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, in welk verband de man onder meer de woning dient op te ruimen voor het maken van foto’s en dient mee te werken aan bezichtigingen van de woning door potentiële kopers.</para>
      <para>c. 	partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd en waarin de gebruikelijke voorwaarden staan. Daarna tekenen zij op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;</para>
      <para>d. 	partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning;</para>
      <para>e. 	partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de spaarpolis en de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. Na aflossing resteert een bedrag aan overwaarde. Dit bedrag wordt bij de levering bij helfte verdeeld;</para>
      <para>f. 	de man heeft dan nog een vordering van (per saldo) € 14.115,80 (zijnde <?linebreak?>€ 13.129,25 + € 621,33 + € 365,22), vermeerderd met de wettelijke rente:<?linebreak?>- over € 13.129,25 vanaf 22 april 2023,<?linebreak?>- over € 986,55 vanaf 1 maart 2025,</para>
      <para>op de vrouw. Dit bedrag wordt bij levering door de notaris afgetrokken van de aan de vrouw toekomende helft van de restantoverwaarde en uitbetaald aan de man.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst het anders of meer gevorderde af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis – voor zover nodig – uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>1 oktober 2025</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>SS</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>