<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2025:13206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T09:23:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/329294 / HA ZA 24-164</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2025:12630" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:12630</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2026-0123</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T19:00:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2025:13206 Rechtbank Limburg , 24-09-2025 / C/03/329294 / HA ZA 24-164</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2025:13206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel recht. Bodemzaak. Letselschadezaak. Vervolg op het tussenvonnis van 24 september 2025. Tijdens het Preuvenemint in 2013 heeft gedaagde een glas in het gezicht van eiser gegooid, als gevolg waarvan eiser ernstig letsel aan zijn rechter oog heeft opgelopen. In de strafzaak tegen gedaagde heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch in 2018 aan eiser als benadeelde partij een schadevergoeding toegekend. In aanvulling op die vergoeding vordert eiser in deze civiele procedure dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van diverse schadeposten. In het tussenvonnis van 24 september 2025 heeft de rechtbank diverse vorderingen al beoordeeld. In dit eindvonnis beoordeelt de rechtbank nog een schadepost (verlies zelfwerkzaamheid).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2025:13206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2cd5b77c-16ec-4b6c-9d20-62ce1ee76c54" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8b95d662-f93b-4963-a1c4-6fdc6d1ce729" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/03/329294 / HA ZA 24-164</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 24 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>domicilie kiezend te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. D.M.H. Rademakers;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. W.J.F. Geertsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 30 april 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [eiser] , met producties 1 t/m 8;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte van [gedaagde] , met producties 2 en 3.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is wederom vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <bridgehead role="underline">Het tussenvonnis van 30 april 2025</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij akte een berekening in het geding te brengen over de periode van 1 januari 2025 tot het <?linebreak?>moment waarop hij 70 jaar wordt ter zake van het verlies aan zelfwerkzaamheid op basis van de uitgangspunten genoemd in rov. 4.46.-4.49. van het tussenvonnis.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De reactie van [eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het normbedrag in verband met het verlies aan zelfwerkzaamheid over het jaar 2024 bedraagt volgens [eiser] niet € 1.354,--, zoals de rechtbank in het tussenvonnis in rov. 4.50. heeft overwogen, maar € 1.436,-- per jaar. De schade over het jaar 2024 bedraagt dus niet het door de rechtbank berekende bedrag van € 660,08, maar € 700,05.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het normbedrag voor een eigen woning met tuin (alle onderhoud) wegens verlies aan zelfwerkzaamheid bedraagt volgens [eiser] over het jaar 2025 € 1.531,--. Met inachtneming van de uitgangspunten genoemd in rov. 4.48. van het tussenvonnis bedraagt de jaarschade over 2025 (€ 1.531,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75) afgerond € 746,--. Bij kapitalisatie van de schade over de periode van 1 januari 2025 tot het moment waarop hij 70 wordt bedraagt deze schade € 25.716,--. Daarbij gaat [eiser] uit van een inflatie van 2% over de hele looptijd en voor het rendement gaat hij uit van een percentage van 1,5% voor de eerste vijf jaren, en van 2% voor de rest van de periode.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Daarnaast moet volgens [eiser] rekening worden gehouden met de belasting die hij ieder jaar verschuldigd is over het deel dat resteert van de schadevergoeding (de fiscale component). Met de toewijzing van de bij het tussenvonnis al toegekende schadevergoeding van € 49.788,29 (zie rov. 4.65.) + € 1.876,37 (zie rov. 4.50. en rov. 2.2. van dit vonnis) = € 51.664,66, verhoogd met het spaargeld van [eiser] van ongeveer € 17.500,--, bedraagt zijn totale vermogen € 69.164,66. Dat bedrag ligt boven het heffingsvrije vermogen van € 57.684,--. Bij de berekening van de fiscale component dient te worden uitgegaan van het werkelijke rendement. De totale schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid over de <?linebreak?>periode van 1 januari 2025 tot 4 april 2060 bedraagt € 25.716,-- + € 3.101,-- (fiscale <?linebreak?>component) = € 28.817,--.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande vordert [eiser] aan verlies aan zelfwerkzaamheid primair een bedrag van € 28.817,-- en subsidiair een bedrag van € 25.716,--.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De reactie van [gedaagde]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In zijn antwoordakte vraagt [gedaagde] de rechtbank terug te komen op het oordeel dat het percentage in verband met verlies aan zelfwerkzaamheid op 75% moet worden gesteld. Hij is van mening dat uitgegaan moet worden van 25% omdat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft waarom het percentage 75% zou moeten zijn. [eiser] is nog steeds in staat met zijn handen en overige lichaamsdelen te werken. Uit een verklaring van een oogarts van [eiser] volgt dat deze praktische handelingen dient aan te leren in verband met het verlies van dieptezicht. Daardoor zal het vermogen van [eiser] tot zelfwerkzaamheid in de toekomst veel hoger liggen. Een deskundigenbericht zou over dat percentage uitsluitsel kunnen bieden, aldus [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] becijfert, uitgaande van een percentage van 25%, de schade over de <?linebreak?>periode van 1 januari 2025 tot 4 april 2060 op een bedrag van € 8.583,--.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Ten aanzien van de door [eiser] gehanteerde fiscale component stelt [gedaagde] dat dit een nieuw onderdeel van de vordering van [eiser] is. Dat is in strijd met de goede procesorde. [eiser] had dit onderdeel van zijn vordering eerder kunnen aanvoeren. Bovendien is de fiscale component volgens [gedaagde] een erg onzekere factor, nu daarover altijd onduidelijkheid bestaat.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering onder 2: vervolg post verlies zelfwerkzaamheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Allereerst constateert de rechtbank dat [eiser] terecht stelt dat het normbedrag <?linebreak?>wegens verlies aan zelfwerkzaamheid in het geval van een eigen woning met tuin (alle onderhoud) over het jaar 2024 € 1.436,-- bedraagt en niet het door de rechtbank in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 1.354,--. [gedaagde] heeft bij antwoord-akte niet betwist dat de rechtbank van het verkeerde bedrag per 1 januari 2024 was uitgegaan. De rechtbank zal de <?linebreak?>berekening dan ook aanpassen en voor het jaar 2024 uitgaan van het juiste normbedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen op het oordeel omtrent de mate van beperking met betrekking tot het verlies aan zelfwerkzaamheid. In zijn conclusie van antwoord had [gedaagde] al aangevoerd dat [eiser] praktische handelingen kan aanleren hoe om te gaan met het zicht met één oog. Dat aspect heeft de rechtbank al meegewogen in haar oordeel in het tussenvonnis dat het percentage wegens de mate van beperking moet worden gesteld op 75%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Het is juist dat [eiser] in zijn eerdere begroting van de schade wegens het verlies aan zelfwerkzaamheid geen melding heeft gemaakt van een fiscale component (zie daartoe bijlage 36 bij productie 8 bij de dagvaarding). Het berekenen van de fiscale component door [eiser] in zijn akte betreft derhalve een vermeerdering van eis. [eiser] heeft die vermeerdering niet aangekondigd in de kop van zijn akte, zoals voorgeschreven is in 2.26. van het rolreglement. De rechtbank zal de eisvermeerdering toch toelaten. Het betreft immers geen omvangrijke en/of ingewikkelde eisvermeerdering en [gedaagde] heeft daarop gereageerd in zijn antwoordakte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>De gevorderde fiscale component zal worden toegewezen. Het betreft weliswaar toekomstige schade en onzeker is hoe het fiscaal regime in de toekomst er zal uitzien, maar dat is onvoldoende grond om deze schadecomponent niet toe te wijzen. Toekomstige schade (in verband met belastingverplichtingen), die in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt, is immers inherent onzeker. Nu niet gesteld of gebleken is dat aannemelijk is dat belastingwijzigingen zullen worden ingevoerd die van invloed zijn op de fiscale component, moet worden uitgegaan van het huidige fiscale regime.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Aangezien [gedaagde] de berekeningen van de schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid inclusief fiscale component verder niet inhoudelijk heeft betwist, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid daarvan. Dat betekent dat ter zake het verlies aan zelfwerkzaamheid over de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 december 2024 het totaal van de bedragen als vermeld in rov. 4.50. van het tussenvonnis moet worden toegewezen, met dien verstande dat het laatste bedrag van € 660,08 over 2024 verbeterd moet worden gelezen als € 700,05. Dat totaal bedraagt € 1.876,37. Over de periode van 1 januari 2025 tot de dag waarop <?linebreak?>[eiser] 70 jaar wordt (4 april 2060) bedraagt de schade (inclusief fiscale component) € 28.817,--. De totale schade bedraagt derhalve € 1.876,37 + € 28.817,-- =  € 30.693,37.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Het bedrag van € 30.693,37 moet worden opgeteld bij het bedrag dat de rechtbank in het tussenvonnis in rov. 4.65. al had berekend, te weten € 49.788,29. De in het kader van vordering 2 toewijsbare schade bedraagt aldus in totaal € 80.481,66. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft gevorderd om wettelijke rente over de schade toe te wijzen vanaf <?linebreak?>25 augustus 2013 (de dag van het incident). Op grond van het bepaalde in artikel 6:83 onder b BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad. Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, hangt af van het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. [eiser] heeft per afzonderlijke schadepost nagelaten toe te lichten wanneer de schade is ingetreden. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente over € 80.481,66 toe wijzen vanaf de subsidiair gevorderde ingangsdatum, te weten de dag van betekening van de dagvaarding (20 maart 2024).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vorderingen 1, 3 en 4</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 april 2025 al geoordeeld over de vorderingen 1 (zie rov. 4.18.), 3 (zie rov. 4.61.) en 4 (zie rov. 4.64.). De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze oordelen terug te komen in dit vonnis. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op <?linebreak?>basis van het toegewezen bedrag op: </para>
      <para>- dagvaarding	€ 	136,72;</para>
      <para>- griffierecht	€	87,00;</para>
      <para>- salaris advocaat	€<emphasis role="underline">	2.428,00</emphasis> (2 punten × tarief € 1.214,00);</para>
      <para>Totaal	€ 	2.651,72.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>Aan nakosten wijst de rechtbank toe € 178,-- plus de verhoging zoals vermeld is in de beslissing. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] ten gevolge van het genoemde incident op 25 augustus 2013 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 80.481,66, <?linebreak?>vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 20 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verwijst de zaak voor mogelijk toekomstige schade naar de schadestaatprocedure;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.597,27 aan <?linebreak?>buitengerechtelijke kosten; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden <?linebreak?>begroot op € 2.651,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 178,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,-- <?linebreak?>extra betalen, plus de kosten van de betekening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman, rechter, en in het openbaar uitgesproken.<footnote-ref linkend="_56e1e0fd-1bde-4f36-a0af-6339bc1298d6" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_56e1e0fd-1bde-4f36-a0af-6339bc1298d6" label="1">
    <para>type: MT</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>