<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:7368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T15:53:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/334246 / FT RK 24/412</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:7368">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:7368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T15:53:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:7368 Rechtbank Limburg , 08-10-2024 / C/03/334246 / FT RK 24/412</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:7368:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vonnis toewijzing dwangakkoord: de gemeente Venray als weigerende schuldeiseres en dezelfde gemeente Venray als schuldhulpverlener.</para>
        <para>Er is niemand verschenen om namens de gemeente verweer te voeren tegen het verzochte dwangakkoord.</para>
        <para>Vordering gemeente niet of nauwelijks onderbouwd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:7368:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Roermond		toewijzing dwangakkoord</para>
    <para>		intrekking verzoek schuldsanering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toezicht / insolventies</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: C/03/334246 / FT RK 24/412</para>
      <para>datum vonnis: 8 oktober 2024 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>
        [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gemeente Venray,</emphasis>
      </para>
      <para>Postbus 500</para>
      <para>5800 AM Venray,</para>
      <para>hierna: verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoekster heeft op 29 augustus 2024 - naast een verzoekschrift met bijlagen tot </para>
        <para>toepassing van de schuldsaneringsregeling - een verzoek ex art. 287a van de Faillissementswet (Fw) (dwangakkoord) ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij de mondelinge behandeling op 24 september 2024 zijn verschenen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verzoekster, in aanwezigheid van haar zus</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de heer [naam schuldhulpverlener 1] en de heer [naam schuldhulpverlener 2] , schuldhulpverleners namens de gemeente Venray.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verweerster is - correct opgeroepen - niet ter zitting verschenen en heeft ook geen schriftelijk verweer ingediend.	</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoekster heeft één preferente schuldeiser en twee concurrente schuldeisers, die in totaal een bedrag van € 92.977,86 van haar te vorderen hebben. Tot deze schuldeisers behoort verweerster met een vordering van € 89.084,64.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoekster heeft in het minnelijk traject een aanbod gedaan van 1,15 % aan de preferente schuldeiser en van 0,58 % aan de concurrente schuldeiser. Verweerster is de enige schuldeiser die heeft geweigerd in te stemmen met het aanbod.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De verzoeken</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verzoekster verzoekt primair verweerster op de voet van het bepaalde in art. 287a Fw te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en subsidiair de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 287a Fw kan een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. De wetgever heeft met de invoering van deze bepaling beoogd het minnelijk traject te versterken met een belangrijk rechtsmiddel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat een schuldeiser het recht heeft om te verlangen dat al het mogelijke wordt gedaan om zijn vordering voldaan te krijgen. De totale vordering van verweerster, zoals door haar becijferd - maar zie hieronder! - is 95,87 % van de totale schuldenlast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verweerster in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank stelt bij de beantwoording van die vraag allereerst vast dat het gedane aanbod is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten <emphasis role="underline">de Gemeente Venray als schuldhulpverlener. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het aanbod - gelet op de beschikbaar zijnde informatie - het maximaal haalbare is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Weigering tot medewerking aan de minnelijke schuldregeling is in dit geval niet redelijk, niet ten opzichte van de andere schuldeisers en niet ten opzichte van verzoekster, vindt de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het is aannemelijk dat verzoekster zonder dwangakkoord zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling van achttien maanden. Het is niet waarschijnlijk dat het inkomen van verzoekster in die periode dusdanig zal toenemen dat er een hoger percentage aan de weigerende schuldeiser zal worden uitbetaald. Te voorzien is verder dat een wettelijk (schuldsanerings-)traject dermate hoge kosten met zich meebrengt dat het thans aangeboden percentage daarin sowieso niet haalbaar zal zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Bij het oordeel, zoals verwoord in de eerste volzin van 4.6., heeft de rechtbank ook nog het volgende laten meewegen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Tot verwondering van de rechtbank waren wel <emphasis role="underline">medewerkers van schuldhulpverlening van de Gemeente</emphasis> ter zitting verschenen – die de rechtbank overigens adequaat konden informeren waar het steeds ging om vragen op hun “schuldhulpverleningsgebied” - maar niemand om de Gemeente <emphasis role="underline">als weigerende schuldeiser</emphasis> te vertegenwoordigen. Ook heeft <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> dus geen schriftelijk verweer ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Dat is een ernstige omissie, want het dossier - aangeleverd door <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldhulpverlener</emphasis> - liet op voorhand veel vragen open over aard, omvang, ouderdom en aflossing van die grote schuld van bijna € 90.000,00. Klopte die berekening wel? Hoe was de oorspronkelijke vordering berekend en wanneer? Welk onderzoek was daarvoor verricht, wie had wát verklaard, wat was de uitkomst van het onderzoek? Kon met de uitkomst van zulk soort onderzoek het verweer van verzoekster dat het slechts te maken had met het feit dat een man illegaal zes maanden bij haar had ingewoond in 2005 of 2006, worden weerlegd? En hoe kon er nog € 90.000,00 openstaan als schuld terwijl verzoekster via beslaglegging al ruim € 20.000,00 had betaald aan <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis>?     </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Elke relevante informatie hierover ontbrak in het dossier, terwijl <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> dus niet verscheen ter zitting om al die vragen te beantwoorden en/of die verweren te weerleggen, bij voorkeur met schriftelijke bewijsstukken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>In het dossier zat slechts één mail waarin <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> aan <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldhulpverlener</emphasis> berichtte dat ze niet akkoord ging met het voorstel, onder verwijzing naar een mondeling gemaakte afspraak met verzoekster over de helft van een transitievergoeding en vakantiegeld waarmee verzoekster haar andere schulden zou voldoen - welke afspraak ze niet zou zijn nagekomen - en onder verwijzing naar haar eigen beleid dat minstens betaling van 50% van de fraudeschuld moest worden aangeboden, wilde ze akkoord gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster het bestaan van die mondelinge afspraak overigens gemotiveerd betwist. Omdat verzoekster de Nederlandse taal niet heel erg machtig is, zoals duidelijk bleek ter zitting, vraagt de rechtbank zich af of die mondelinge afspraak zo wel is gemaakt althans of de betreffende ambtenaar van <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> wel redelijkerwijs mocht veronderstellen dat verzoekster die afspraak over de helft van de transitievergoeding en het vakantiegeld zo had begrepen als de ambtenaar meende. Een schriftelijk bewijs van de afspraak ontbrak. Omdat <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> dus niet ter zitting was, kon de rechtbank hier verder ook niet naar vragen en ook daar dus verder geen duidelijkheid over verkrijgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De afwezigheid van <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser</emphasis> tijdens de mondelinge behandeling, de afwezigheid van een schriftelijk verweer, het gebrek aan informatie en aan bewijsstukken ter onderbouwing van aard, omvang en berekening van de vermeende restvordering van <emphasis role="underline">de Gemeente als schuldeiser,</emphasis> brengt de rechtbank er dus toe om te concluderen dat verzoekster na zo lange tijd licht aan het einde van de tunnel verdient en dat ze na afloop van de thans aangeboden schuldregeling, een schuldenvrije toekomst tegemoet moet kunnen gaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De rechtbank zal daarom het verzoek om verweerster te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling, dan ook toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Met toewijzing van het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling, wordt niet meer toegekomen aan het subsidiair verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt voor zover vereist verweerster in te stemmen met de door verzoekster aan de gezamenlijke crediteuren aangeboden schuldregeling,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken ter openbare </para>
      <para>terechtzitting van 8 oktober 2024 in tegenwoordigheid van M. Vanderbroeck, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>