<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:6262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-06T16:23:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10981722 \ CV EXPL  24-1263</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2024/438</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2024-0549</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0549</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:6262">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:6262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-21T09:19:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:6262 Rechtbank Limburg , 11-09-2024 / 10981722 \ CV EXPL  24-1263</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:6262:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijzondere overreenkomst; verbruikleen (geldlening); overige verbruikleen (geldlening)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:6262:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">LIMBURG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10981722 \ CV EXPL  24-1263</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 11 september 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN VEREFFENAAR IN DE NALATENSCHAP VAN WIJLEN MEVROUW [erflaatster]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.E.P.R. Noij,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding</para>
      <para>- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord <?linebreak?>- de conclusie van repliek <?linebreak?>- [gedaagde] heeft geen conclusie van dupliek genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is op [overlijdensdatum] 2020 overleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is een zoon van erflaatster en een van de zeven erfgenamen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Erflaatster heeft (bij leven) in de periode 30 oktober 2015 tot en met 9 februari 2016 in totaal een bedrag van € 15.000,00 via haar betaalrekening aan [gedaagde] (en zijn echtgenote) betaald.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] is benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster en in die hoedanigheid heeft hij op 19 januari 2022 een gesprek gevoerd met [gedaagde] over de ontvangen betalingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft bij e-mail van 2 februari 2022 aan [gedaagde] verzocht mee te delen wat de grondslagen van de overschrijvingen zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Door [eiser] zijn een aantal sommatiebrieven naar [gedaagde] gestuurd waarin door [eiser] het standpunt wordt ingenomen dat de ontvangen betalingen leningen zijn die terugbetaald moeten worden. [gedaagde] heeft echter te kennen gegeven dat de bedragen geschonken zijn maar dat hij bereid is deze onder voorwaarden terug te betalen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.384,41, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] (samengevat) het volgende aan. Erflaatster heeft aan [gedaagde] in totaal een bedrag van € 15.000,00 overgemaakt en [eiser] stelt dat dit bedrag een lening was die moet worden terugbetaald. [eiser] stelt dat [gedaagde] tijdens het gesprek op 21 januari 2022 erkend heeft dat het om een lening gaat. Daarnaast vordert [eiser] de wettelijke rente. [eiser] berekent de wettelijke rente vanaf 16 november 2023 tot en met 4 maart 2024 op € 265,16. Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde] aan hem een vergoeding van € 1.119,25 voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, inclusief de daarover verschuldigde btw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt dat de ontvangen bedragen schenkingen zijn, die niet terugbetaald hoeven te worden. Hij betwist dat hij heeft erkend dat het om een lening gaat. Wel zou [gedaagde] bereid zijn het schenkingsbedrag, in het kader van de vereffening van de nalatenschap, in te brengen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [eiser] voert in de conclusie van repliek aan dat [gedaagde] geen bewijsstukken heeft overlegd van de schenking en beroept zich (nogmaals) op de gespreksnotitie van 21 januari 2022 die bij de dagvaarding als productie 3 is overlegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Op de conclusie van repliek van [eiser] is door [gedaagde] niet meer gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of het door erflaatster aan [gedaagde] ter beschikking gestelde geldbedrag van in totaal € 15.000,00 moet worden aangemerkt als een geldlening.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust de stelplicht - en bij een gemotiveerde betwisting - de bewijslast van de stelling dat het bedrag aan [gedaagde] is geleend op [eiser] , nu hij zich op het rechtsgevolg van deze stelling (namelijk: betaling) beroept. Dat [gedaagde] zich, in het kader van zijn betwisting van de door [eiser] gestelde grondslag van de vordering, op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet met zich dat [gedaagde] daarvan de bewijslast heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] verwijst bij repliek opnieuw naar de gespreksnotitie van </para>
        <para>21 januari 2022 (productie 3) waarin [gedaagde] volgens [eiser] zou hebben erkend dat hij van erflaatster geld te leen zou hebben ontvangen voor de aankoop van een woning, en dat [gedaagde] het geleende geld onder voorwaarden zou willen terugstorten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt als volgt. De gespreksnotitie van 21 januari 2022 is een eenzijdig opgesteld stuk dat niet door [gedaagde] is ondertekend of op andere wijze door [gedaagde] akkoord is bevonden. Dat levert op zichzelf dan geen bewijsmiddel op. Maar al was het anders, dan nog kan het in dat stuk opgenomen standpunt van [gedaagde] gewoon juist zijn, te weten dat het (niet om een lening maar) om een gift ging. Het kan immers zo zijn, dat erflaatster en [gedaagde] er destijds van zijn uitgegaan dat die gift wel op enig moment moest worden ingebracht. De gift moet in dat geval worden beschouwd als een voorschot op de erfenis van [gedaagde] , hetgeen precies is wat [gedaagde] beweert. De grondslag van de vordering van [eiser] , dat het hier gaat om een lening, is daarmee niet komen vast te staan. Nu daarvan ook geen specifiek bewijs is aangeboden, zal de vordering reeds daarom moeten worden afgewezen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [gedaagde] te vergoeden. Deze worden tot aan dit vonnis begroot op € 50,00 verletkosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de verletkosten van          € 50,00.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>VC</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>