<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:6103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-12T14:38:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 24/3891</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:6103">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:6103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-12T14:31:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:6103 Rechtbank Limburg , 10-09-2024 / ROE 24/3891</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:6103:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoek kennelijk ongegrond. Uitspraak zonder zitting. Geen spoedeisend belang. Verzoeker heeft binnen de begunstigingstermijn voldaan aan de opgelegde last zodat er geen dwangsom is of wordt verbeurd. Daarin kan geen belang zijn gelegen bij een schorsing van de last onder dwangsom. Ook anderszins valt volgens de voorzieningenrechter niet in te zien waarom verzoeker de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:6103:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK LIMBURG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROE 24/3891</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Deken van de Orde van Advocaten, verweerder</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Verzoeker is werkzaam als advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Omdat verzoeker niet binnen de daarvoor gestelde termijn de individuele opgave CCV 2023 heeft ingediend (CCV), heeft verweerder met het besluit van 4 juni 2024 een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker moest binnen drie weken alsnog de CCV indienen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per week dat verzoeker niet aan deze verplichting zou voldoen met een maximum van € 3.000,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft vervolgens op 24 juni 2024, en daarmee binnen de begunstigingstermijn van drie weken, de CCV ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 15 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. Op 6 augustus 2024 heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening (gedateerd <?linebreak?>27 juli 2024) ingediend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat stelt verzoeker?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Verzoeker stelt dat hij thans per direct is geschorst omwille van het vermeend niet aanleveren van bescheiden. Hij wil getoetst hebben of deze gegevens zo maar opgevraagd kunnen worden. Volgens verzoeker ontbreekt daarvoor namelijk een rechtsgrond. Verzoeker stelt dat hij belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat hij er belang bij heeft om zijn schorsing per direct te laten opheffen of in ieder geval een uitspraak over deze materie in de discussie hieromtrent te kunnen meenemen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft verzoeker een spoedeisend belang?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.  </para>
      <para />
      <para>5. Bij brief van 22 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter verzoeker verzocht om schriftelijk toe te lichten welke voorziening hij vraagt (schorsing van de last onder dwangsom of een andere voorziening) en heeft de voorzieningenrechter tevens een onderbouwing van het spoedeisend belang opgevraagd. De voorzieningenrechter heeft verzocht om bij de beantwoording van de twee voornoemde vragen mee te nemen dat uit de voorhanden stukken blijkt dat verzoeker reeds voor het einde van de begunstigingstermijn aan de last heeft voldaan. De voorzieningenrechter heeft verzoeker een termijn gegeven tot uiterlijk dinsdag 27 augustus 2024, 14.00 uur. De voorzieningenrechter heeft hierop echter tot aan de dag van deze uitspraak geen reactie van verzoeker ontvangen.</para>
      <para />
      <para>6. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Van belang is dat verzoeker binnen de begunstigingstermijn heeft voldaan aan de opgelegde last, zodat er geen dwangsom is of wordt verbeurd. Daarin kan dus geen belang zijn gelegen bij een schorsing van de last onder dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt ook anderszins niet in te zien waarom verzoeker de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Nog los van de vraag of een voorlopige voorzieningenprocedure zich leent om een principiële rechterlijke uitspraak te verkrijgen ten behoeve van (een procedure over) ander besluit, is de voorzieningenrechter niet gebleken van het in dat kader door verzoeker gestelde belang. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt namelijk dat verzoeker is geschorst, dat deze schorsing bij uitspraak van 5 augustus 2024 door het Hof van Discipline in stand is gelaten en dat deze schorsing niet (mede) is gebaseerd op het niet (tijdig) indienen van de CCV. Dat er op korte termijn, voordat er een beslissing op het bezwaar wordt genomen, een procedure loopt over de schorsing dan wel waarin het niet tijdig indienen van de CCV van belang is, is door verzoeker niet gesteld en de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening totdat op het bezwaar van verzoeker is beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het verzoek is kennelijk ongegrond wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>B. van Dael, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. </bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>