<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:5326</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-20T07:48:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/292985 / HA ZA 21-295</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2022:6919" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:6919</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2023:316" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:316</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2023:6648" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6648</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2024:2230" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:2230</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:5326">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:5326</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-20T07:48:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:5326 Rechtbank Limburg , 17-07-2024 / C/03/292985 / HA ZA 21-295</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:5326:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis na eerdere tussenvonnissen. Het onder I gevorderde wordt afgewezen, nu niet in rechte is komen vast te staan dat de paarden [naam 1] en [naam 2] in eigendom aan eiseres toebehoren en eiseres daarom geen aanspraak kan maken op de gevorderde schadevergoeding. Ook het gevorderde onder II wordt afgewezen omdat het door eiseres in het geding gebrachte bewijs ontoereikend is om vast te kunnen stellen dat er sprake is van verwaarlozing van vier paarden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:5326:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Limburg</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/03/292985 / HA ZA 21-295</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis bij vervroeging van 17 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap onder firma </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>kantoorhoudend te [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat: mr. F. Kolkman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de vennootschap onder firma</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 1]
        </emphasis>, </para>
      <para>kantoorhoudend te [vestigingsplaats 2] , <?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[gedaagde sub 2]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">[gedaagde sub 3]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat: mr. J.A. Houben-Timmermans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 24 april 2024,</para>
      <para>- de akte uitlating na tussenvonnis d.d. 24 april 2024 van [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het onder I gevorderde </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft reeds bij tussenvonnis van 8 november 2023 geoordeeld dat het onder I gevorderde (bij eindvonnis) zal worden afgewezen, nu niet in rechte is komen vast te staan dat [naam 1] en [naam 2] in eigendom aan [eiseres] toebehoren en [eiseres] daarom geen aanspraak kan maken op de gevorderde schadevergoeding (r.o. 2.10. en 2.11.). Gelet daarop lag alleen nog de onder II gevorderde ontbinding van de opfokvergoeding voor alle vier de paarden ter beoordeling voor (r.o. 2.13 tussenvonnis 8 november 2023).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het onder II gevorderde </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Aan het onder II gevorderde is door [eiseres] ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstige) verwaarlozing van alle vier de paarden. De rechtbank heeft over het onder II gevorderde in het tussenvonnis van 24 april 2024 overwogen dat zij, na weging van het reeds in het geding gebrachte bewijs, van oordeel is dat het overgelegde bewijsmateriaal ontoereikend is om tot toewijzing van het onder II gevorderde te kunnen komen (r.o. 2.7.4.). Op basis van dat bewijsmateriaal valt namelijk geen vergelijking te maken tussen de gezondheidstoestand van de paarden bij aanvang van de opfok en bij het ophalen. [eiseres] heeft bewijs aangeboden van de door haar gestelde verwaarlozing middels het horen van getuigen (dagvaarding randnummer 65 en akte uitlating na tussenvonnis d.d. 4 januari 2023 randnummer 10). De rechtbank heeft [eiseres] bij vonnis van <?linebreak?>24 april 2024 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of zij nog getuigen wil horen, gelet op de geringe omvang van de resterende vordering, in relatie tot de kosten die verbonden zijn aan een getuigenverhoor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft de rechtbank vervolgens bij akte bericht dat zij, naar aanleiding van het tussenvonnis van 24 april 2024, niet wenst over te gaan tot het doen horen van getuigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Nu het door [eiseres] in het geding gebrachte bewijs ontoereikend is om vast te kunnen stellen dat er sprake is van verwaarlozing van de vier paarden, zal ook het onder II gevorderde worden afgewezen (zie r.o. 2.7.4. tussenvonnis 24 april 2024, alsmede r.o. 4.15. en 4.24. tussenvonnis 7 september 2022).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat zowel het onder I als het onder II gevorderde zal worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2.076,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>5.463,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(4,5 punten × € 1.214,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>7.717,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiseres] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 7.717,00, te betalen aan [gedaagden] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2. genoemde beslissing ter zake van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>cb</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>