<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:3715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-18T11:02:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10735494/CV/23-4835</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:3715">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:3715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-18T11:02:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:3715 Rechtbank Limburg , 26-06-2024 / 10735494/CV/23-4835</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:3715:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>In deze zaak gaat het om de vraag of er een einde moet komen aan de huurovereenkomst tussen partijen. Huurders huren een horecapand van verhuurster. Verhuurster wil het pand zelf gaan gebruiken omdat zij de grond onder het gehuurde nodig heeft voor de uitbreiding van haar attractiepark. De kantonrechter wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik toe. Huurders hoeven het gehuurde echter pas op 31 maart 2026 ontruimd aan verhuurster op te leveren, zodat huurders hun restaurant langer kunnen exploiteren en zij zo meer mogelijkheden hebben hun “coronaschulden” af te lossen.</para>
        <para>Art. 7:296 lid 1 sub b BW.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:3715:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">LIMBURG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10735494 \ CV EXPL  23-4835</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 juni 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET MAASDAL MYSTERY B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Horst,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>verwerende partij tegen de tegenvordering,</para>
      <para>hierna te noemen: Maasdal Mystery of verhuurster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.H.H. Schelhaas,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[gedaagde sub 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partijen,</para>
      <para>eisende partijen met een tegenvordering,</para>
      <para>hierna samen te noemen: huurders,</para>
      <para>gemachtigde: R.P.I. Noy (RNV Juridisch).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze zaak gaat het om de vraag of er een einde moet komen aan de huurovereenkomst tussen partijen. Huurders huren een horecapand van verhuurster. Verhuurster wil het pand zelf gaan gebruiken omdat zij de grond onder het gehuurde nodig heeft voor de uitbreiding van haar attractiepark. De kantonrechter wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik toe. Huurders hoeven het gehuurde echter pas op 31 maart 2026 ontruimd aan verhuurster op te leveren, zodat huurders hun restaurant langer kunnen exploiteren en zij zo meer mogelijkheden hebben hun “coronaschulden” af te lossen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding, met bijlagen 1 t/m 24; <?linebreak?>- de conclusie van antwoord met een (voorwaardelijke) tegenvordering, met bijlagen 1 t/m 53;</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 21 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;</para>
      <para>- de akte van 21 maart 2024 waarin huurders hun (voorwaardelijke) tegenvordering hebben gewijzigd;</para>
      <para>- de voor de mondelinge behandeling van 21 maart 2024 door huurders ingediende bijlagen 54 t/m 59;</para>
      <para>- de voor de mondelinge behandeling van 21 maart 2024 door verhuurster ingediende conclusie van antwoord op de (voorwaardelijke) tegenvordering van huurders, met bijlagen 25a t/m 32;</para>
      <para>- het daartegen door huurders op de mondelinge behandeling gemaakte schriftelijke bezwaar; <?linebreak?>- de conclusie van repliek van verhuurster, met bijlagen 33 en 34; <?linebreak?>- de conclusie van dupliek van huurders, met bijlagen 60 tot en met 65. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van het door huurders gemaakte bezwaar heeft de kantonrechter op de mondelinge behandeling in overleg met partijen bepaald dat verhuurster een conclusie van repliek mag nemen en huurders daarna een conclusie van dupliek. Een inhoudelijke behandeling van de zaak heeft op de mondelinge behandeling niet plaatsgevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Mind Mystery B.V. (verder: Mind Mystery) exploiteert het themapark Mind Mystery, een themapark/belevingsmuseum aan de Tienrayseweg [nummer] in Horst. Mind Mystery kent als thema optische illusies en biedt een combinatie van binnen- en buitenactiviteiten. Mind Mystery heeft plannen om het themapark substantieel uit te breiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Maasdal Mystery B.V. (verder: Maasdal Mystery of verhuurster) is eigenaar van het vastgoed waarop Mind Mystery B.V. het themapark exploiteert. Maasdal Mystery verhuurt dit vastgoed aan Mind Mystery.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (verder: huurders) hebben een huurovereenkomst gesloten met de [vorige verhuurders] ten aanzien van horecabedrijfsruimte aan [adres] (verder: het gehuurde). Het gehuurde ligt direct naast themapark Mind Mystery. De eerste huurperiode liep van 1 oktober 2013 tot 1 oktober 2018, gevolgd door een tweede huurperiode van 1 oktober tot 1 oktober 2023. Huurders exploiteren in het gehuurde een restaurant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op 2 november 2020 is Maasdal Mystery eigenaar van het gehuurde geworden en daarmee verhuurster van het gehuurde.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>In een gesprek op 16 september 2022 heeft verhuurster aan huurders aangegeven dat de huurovereenkomst zou worden opgezegd. Verhuurster heeft vervolgens bij brief van 19 september 2022 de huurovereenkomst met huurders opgezegd tegen 1 oktober 2023. Huurders hebben aan verhuurster laten weten niet in te kunnen stemmen met de opzegging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Verhuurster en huurders hebben herhaaldelijk overleg gevoerd over een mogelijke rol die huurders zouden kunnen vervullen bij de toekomstige exploitatie van een uitgebreide horecafaciliteit ten behoeve van Mind Mystery. Zij hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken over samenwerking. Bij e-mail van 2 juli 2023 hebben huurders aan verhuurster laten weten geen vertrouwen te hebben in verder overleg.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verhuurster vordert – samengevat - :</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst tussen partijen eindigt en waarop huurders het gehuurde ontruimd aan verhuurster ter beschikking moeten stellen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat huurders in de proceskosten worden veroordeeld;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wat betekent dat verhuurster de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verhuurster legt aan haar vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst – samengevat – het volgende ten grondslag.</para>
        <para>Zij wil het themapark gaan uitbreiden op de plek van het gehuurde. Verhuurster heeft daarom de huurovereenkomst met huurders opgezegd op grond van dringend eigen gebruik als bedoeld in artikel 7:296 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Voor zover de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat geen sprake is van dringend eigen gebruik, baseert verhuurster haar beëindigingsvordering (subsidiair) op een algemene belangenafweging. Verhuurster meent dat haar belang om het gehuurde te kunnen gebruiken voor de uitbreiding van het themapark zwaarder weegt dan het belang van huurders om het gehuurde te kunnen blijven exploiteren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Huurders voeren – samengevat – de volgende verweren:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>er is sprake van een nietige opzegging, omdat verhuurster onvoldoende duidelijk heeft vermeld wat de opzeggingsgrond is; bovendien heeft verhuurster te laat opgezegd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>verhuurster is niet de exploitant van het themapark. Dat is Mind Mystery B.V. Het gebruik van het gehuurde door Mind Mystery B.V. betekent niet automatisch dat sprake is van persoonlijk gebruik door verhuurster;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er is geen sprake van noodzakelijk dringend eigen gebruik: er liggen ook andere opties op tafel waarbij het themapark succesvol kan worden uitgebreid, zonder dat het gehuurde daarvoor moet wijken. Bovendien is er nog geen vergunning aangevraagd en is het maar de vraag of die verleend gaat worden.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>huurders hebben met de oorspronkelijke verhuurders bij de verkoop van het gehuurde aan Maasdal Mystery (nu verhuurster) afgesproken dat de huurovereenkomst niet zou worden aangetast of worden opgezegd na de verkoop; huurders mochten daarop vertrouwen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de gevolgen van de coronapandemie, waarbij sprake is van onvoorziene omstandigheden, maken dat de vordering moet worden afgewezen. De redelijkheid en billijkheid brengen dat met zich.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Huurders vinden dan ook dat de vordering van verhuurster moet worden afgewezen en willen dat verhuurster in de proceskosten wordt veroordeeld. Huurders vorderen voorwaardelijk, dat wil zeggen als de vordering van verhuurster toch wordt toegewezen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat verhuurster in de proceskosten wordt veroordeeld.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen nietige opzegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Op grond van de wet en de schriftelijke huurovereenkomst kon worden opgezegd tegen het einde van de tweede vijfjaarstermijn met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar. Verhuurster heeft tegen 1 oktober 2023 opgezegd. Huurders hebben onweersproken gesteld dat zij de huuropzegging pas op 6 oktober 2022 hebben ontvangen.  De kantonrechter is het met huurders eens dat dat te laat is; de schriftelijke huuropzegging had voor 1 oktober 2022 in hun bezit moeten zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Toch vindt de kantonrechter dat huurders zich in dit geval in alle redelijkheid niet op de termijnoverschrijding kunnen beroepen. Het gaat slechts om enkele dagen termijnoverschrijding, terwijl ook vast staat dat huurders er in het gesprek op 16 september 2022 al van op de hoogte zijn gekomen dat verhuurster de huurovereenkomst wilde gaan opzeggen en dat de reden daarvoor was dat verhuurster het gehuurde zelf nodig had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Volgens huurders heeft verhuurster in de opzeggingsbrief onvoldoende duidelijk vermeld wat de opzeggingsgrond was. De kantonrechter gaat hier niet in mee. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Op grond van vaste rechtspraak is niet de letterlijke tekst van de opzeggingsbrief beslissend, maar de betekenis die de huurders in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de opzeggingsbrief mochten toekennen. Daarbij is van belang wat voorafgaand aan de opzeggingsbrief al tussen partijen is besproken over de voorgenomen beëindiging van de huurovereenkomst. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Verhuurster stelt dat met huurders op 16 september 2002 is besproken dat zij het gehuurde binnen afzienbare termijn nodig had voor de uitbreiding van het themapark en dat zij daarom de huurovereenkomst zou gaan opzeggen tegen 1 oktober 2023. Daarbij zou verhuurster hebben aangegeven dat de investeringen erop gericht zijn om meer bezoekers te trekken en om bezoekers langer te laten verblijven. In het kader van dit laatste doel wilde zij ook haar horeca activiteiten uitbreiden. Met het oog daarop besprak verhuurster met huurders dat zij graag bereid was om te onderzoeken of huurders een rol in de toekomstige horeca van Mind Mystery zouden kunnen krijgen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Volgens huurders was echter ten tijde van de opzegging nog niet duidelijk wat de concrete plannen waren en is er slechts “preventief” opgezegd. Hun is verzekerd dat het gehuurde niet zou worden platgegooid. De oorspronkelijke verhuurders hebben bij de verkoop van het gehuurde aan verhuurster met hun afgesproken dat de huurovereenkomst niet zou worden aangetast of worden opgezegd na de verkoop. Huurders vertrouwden daarop.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Verhuurster stelt echter dat zij in het gesprek van 16 september 2022 ook een tekening van 22 juli 2022 heeft laten zien aan huurders waarop is te zien dat het gehuurde verdwijnt (productie 24 bij de conclusie van repliek). Besproken is dat verhuurster het gehuurde wil “integreren” in het themapark. Zo staat het ook in de huuropzegging. Volgens verhuurster was dan ook zonneklaar voor huurders dat verhuurster het gehuurde zelf wilde gaan gebruiken voor de uitbreiding van de opstallen die zij aan Mind Mystery verhuurt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Huurders hebben niet betwist dat verhuurster de tekening van 22 juli 2022 tijdens het gesprek van 16 september 2022 heeft getoond. Volgens huurders lagen er echter ook plannen waarbij het gehuurde niet zou verdwijnen en was op dat moment onvoldoende concreet welke optie het zou worden. Omdat een toekomstige samenwerking nog moest worden onderzocht en verhuurster had medegedeeld dat de huurovereenkomst preventief zou worden opgezegd, zijn huurders van mening dat zij niet hadden hoeven te begrijpen dat er werd opgezegd wegens dringend eigen gebruik.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet dat anders. De opzeggingsbrief van 19 september 2022 (bijlage 8 bij de dagvaarding) vermeldt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Zoals wij woensdag jl. hebben besproken, zijn wij helaas genoodzaakt de huurovereenkomst per 1 oktober 2023 formeel te beëindigen. De reden hiervoor is dat wij als eigenaar het pand wensen te gaan integreren in de voorziene uitbreiding van Mind Mystery</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Uit het verslag dat huurders zelf hebben opgemaakt van het gesprek van 16 september 2002 (bijlage 21 bij de conclusie van antwoord) blijkt dat met hen is besproken dat verhuurster het park wilde gaan uitbreiden en dat dit de reden is voor opzegging van de huurovereenkomst. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat verhuurster het pand voor zichzelf wilde gaan gebruiken, anders hoefde ze de huurovereenkomst niet op te zeggen. Het verslag zegt niks over een “preventieve opzegging’, maar een preventieve opzegging is ook een opzegging en deze is kennelijk gedaan omdat nog niet duidelijk was of partijen het eens zouden gaan worden over een samenwerkingsvorm. Dat moest nog onderzocht worden. Dat er nog verschillende opties bestonden waaruit nog moest worden gekozen (wel/niet “platgooien” van het gehuurde) maakt niet dat huurders niet hadden hoeven te begrijpen dat verhuurster wilde opzeggen wegens dringend eigen gebruik. In het licht van wat is besproken vallen beide opties onder het integreren van het gehuurde in een voorziene uitbreiding van Mind Mystery als bedoeld in de opzeggingsbrief. De conclusie is dan ook dat huurders de opzeggingsbrief redelijkerwijs zo hadden moeten begrijpen dat de reden voor opzegging dringend eigen gebruik door verhuurster was. Van een nietige opzegging is daarom geen sprake. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wel dringend persoonlijk gebruik</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Algemeen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Om te kunnen opzeggen op grond van dringend eigen gebruik is vereist dat verhuurster aannemelijk maakt dat zij het gehuurde dringend nodig heeft om persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen. Dat betekent dat het voorgenomen persoonlijk gebruik van het gehuurde voor verhuurster van wezenlijk belang moet zijn. De vraag of de verhuurder het gehuurde dringend nodig heeft, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het feit dat er voor verhuurster alternatieven bestaan hoeft aan een beroep op grond van dringend eigen gebruik niet in de weg te staan. Dat zal pas het geval zijn als het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt om van verhuurster te vergen dat zij dat doet. De beëindigingsvordering is niet toewijsbaar als het voorgenomen gebruik op praktische en/of juridische gronden  uitgesloten is. Niet vereist is echter dat verhuurster aantoont dat alle benodigde vergunningen voor de verbouwing inderdaad zullen worden verleend. Enige onzekerheid mag nog bestaan. (‘Rossel’, in <emphasis role="italic">T&amp;C Huurrecht, </emphasis>art. 7:296 Burgerlijk Wetboek, aant. 4).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Persoonlijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Verhuurster heeft onweersproken gesteld dat zij enig aandeelhouder en enig bestuurder is van Mind Mystery B.V. Mind Mystery B.V. huurt het vastgoed waarop zij het themapark exploiteert van verhuurster. Alle opbrengsten van Mind Mystery B.V. komen toe aan verhuurster als enig aandeelhouder. Verhuurster heeft er daarom belang bij dat haar  dochtervennootschap Mind Mystery B.V. het themapark optimaal kan exploiteren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Verhuurster heeft uittreksels overgelegd uit het handelsregister van haar en Mind Mystery B.V. Het uittreksel van verhuurster vermeldt als activiteiten: “<emphasis role="italic">Musea, Overige specialistische zakelijke dienstverlening, Dienstverlening voor uitgevoerde kunst, Het exploiteren van een museum op het gebied van optisch bedrog en aanverwante onderwerpen. Het verzorgen van entertainment en evenementen, de verkoop van merchandise en dergelijke</emphasis>.” Het uittreksel van Mind Mystery B.V. vermeldt “<emphasis role="italic">Het exploiteren van een attractiepark op het gebied van optisch bedrog en aanverwante onderwerpen, de verkoop van merchandise en het exploiteren van een horecagelegenheid in het attractiepark.</emphasis>”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit dit alles dat verhuurster en Mind Mystery B.V. ten aanzien van het persoonlijk gebruik van het gehuurde met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Dat betekent dat het beoogd gebruik door Mind Mystery B.V. moet worden gezien als persoonlijk gebruik door verhuurster. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dringend nodig hebben</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Verhuurster heeft in het kader van het gestelde dringend eigen gebruik het volgende gesteld. Om ook voor de toekomst relevant te blijven is het nodig om het concept van Mind Mystery te versterken en te moderniseren en bezoekers langer “vast te houden”. Een themapark moet uitbreiden en innoveren om de aandacht van het publiek te blijven trekken. De integratie en uitbreiding van de horeca is in dit kader noodzakelijk. Hierbij heeft verhuurster ook een financieel belang. De uitbreidingsplannen leiden tot een behoorlijke investering en om deze terug te kunnen verdienen moet verhuurster haar horeca activiteiten fors uitbreiden. Met het oog daarop wenst verhuurster een restaurant te realiseren dat ook toegankelijk is voor bezoekers die het park zelf niet bezoeken. Verhuurster heeft het terrein van het gehuurde nodig voor haar uitbreidingsplannen. Op de plek van het gehuurde wenst zij het nieuwe hoofdgebouw te realiseren met daarin attracties, maar ook de nieuwe ingang, gecombineerd met horeca. Dit is een natuurlijke zichtlocatie en ideaal voor de bezoekersstroom. De hoek waarin het gehuurde staat bevindt zich in het snijvlak van het parkeerterrein, de vijver en de aanwezige wandel- en fietsroutes. Deze plek krijgt in het kader van het themapark de prominente plaats die ze verdient, daar waar nu nog sprake is van een rommelige hoek. Door de bundeling van horeca en ingang kan worden bespaard op personeelskosten en doordat de horeca ook los van het park toegankelijk is, kan deze ook na sluitingstijd van het park geopend blijven. In het voorliggende plan hoeft geen bos te worden gekapt en worden de aanwezige open plekken (waaronder het gehuurde) gebruikt. In de nieuwe plannen wordt ook efficiënter met de ruimte op het parkeerterrein omgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>Volgens huurders is er geen sprake van noodzakelijk dringend eigen gebruik: er liggen ook andere concrete opties op tafel waarbij het themapark succesvol kan worden uitgebreid, zonder dat het gehuurde daarvoor moet wijken. Verhuurster kan in de behoefte voor uitbreiding van de horeca voorzien door gebruik te maken van de – tot nu toe – onbenutte capaciteit van de reeds op het park bestaande horecavoorzieningen. Die capaciteit is groter dan de capaciteit van het restaurant van huurders. Huurders hebben bovendien veel klanten uit de regio die niet het park zelf bezoeken. Verhuurster hoeft dan ook niet te vrezen dat zij in dat scenario huurders beconcurreert. [vorige verhuurders] hebben in 2020 tekeningen laten maken voor hun plannen waarbij het gehuurde zou blijven bestaan en waarbij huurders een rol zouden krijgen. [vorige verhuurders] hebben deze uitbreidingsplannen echter niet kunnen uitvoeren, omdat zij te maken kregen met medische problemen, wat hun heeft doen besluiten tot verkoop van het park en het gehuurde. De plannen uit 2020 hebben zij daarbij overgedragen aan koper, terwijl zij met huurders afspraken dat de huurovereenkomst niet zou worden aangetast en dat huurders hun horecaonderneming op gelijke wijze zouden kunnen blijven exploiteren. Volgens huurders was dit ook geen vreemde afspraak, gelet op de goede verstandhouding, betrokkenheid en input/bijdragen die huurders al die jaren aan het park leverden. Volgens voormalig verhuurder [achternaam] is ook anno 2023 een uitbreiding van het park conform de plannen uit 2020 nog het meest kansrijk. Voor de nieuwe plannen, waarbij het gehuurde moet verdwijnen, is ook nog geen vergunning aangevraagd.  Het is ook maar de vraag of die verleend gaat worden. Er is een bestemmingsplanwijziging nodig en een aantal omwonenden heeft al aangegeven tegen de plannen te zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat het voorgenomen eigen gebruik van het gehuurde, gelet op de uitbreidingsplannen van het themapark, voor verhuurster van wezenlijk belang is. Het feit dat er eventueel een alternatief plan is, waarbij het gehuurde niet hoeft te verdwijnen, staat in dit geval aan de dringendheid van het eigen gebruik door verhuurster niet in de weg. Het staat verhuurster als onderneemster immers vrij om vorm te geven aan de uitbreidingsplannen zoals zij dat zelf als meest passend voor ogen staat. Verhuurster heeft daarbij goed gemotiveerd gekozen voor de volgens haar beste optie, zowel qua toekomstig uiterlijk van het park alsook qua te behalen rendement. Dat de andere optie, waarbij het gehuurde blijft bestaan, een grotere kans heeft om het vergunningentraject succesvol te doorstaan, hebben huurders niet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbijgaat. Ook de afspraken die in het verleden zouden zijn gemaakt tussen de voormalige verhuurders en huurders over het voortbestaan van de huurovereenkomst, kunnen niet verhinderen dat verhuurster nu toch een andere keuze maakt. Niet gesteld is immers dat verhuurster als partij bij die afspraken is betrokken en het blijkt ook nergens uit. Huurders kunnen zich daarom jegens verhuurster niet beroepen op met de vorige verhuurders gemaakte afspraken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <parablock>
        <para>Het feit dat er nog geen vergunning is aangevraagd en de uitkomst daarvan onzeker is, maakt niet dat het voorgenomen gebruik op praktische en/of juridische gronden uitgesloten is en dat de vordering daarom zou moeten worden afgewezen. Volgens vaste rechtspraak is immers niet vereist dat verhuurster aantoont dat alle benodigde vergunningen inderdaad worden verleend. Enige onzekerheid mag bestaan. </para>
        <para>Verhuurster heeft in dit verband gesteld dat er vanuit de gemeente positief is gereageerd op de plannen. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar diverse adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Horst aan de Maas  (CRK, ook wel aangeduid als de “welstandscommissie”). In het advies van 22 juli 2022 (bijlage 26 bij de dagvaarding) staat: “<emphasis role="italic">De gemeente heeft gekeken naar parkeerbeleid en bestemmingsplan en is op hoofdlijnen akkoord met initiatiefnemer</emphasis>.” Vervolgens is er in het CRK-advies van 18 juli 2023 (bijlage 33 bij de conclusie van repliek in conventie) sprake van een akkoord op hoofdlijnen. Het advies wordt gegeven aan het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas, in het kader van de aanvraag voor een principeverzoek. In het daaropvolgende CRK-advies van 10 oktober 2023 (bijlage 34 bij de conclusie van repliek in conventie) spreekt de Commissie haar voorkeur uit voor gevelontwerp C, zonder daaraan nog verdere voorwaarden of adviezen voor de aanvrager aan te verbinden. </para>
        <para>Huurders hebben bij conclusie van dupliek diverse e-mails van de gemeente Horst aan de Maas (gericht aan buurtbewoners) overgelegd. Uit de e-mails blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niets anders dan dat de toets van het principeverzoek nog niet is afgerond (e-mail van 13 oktober 2023) en dat een en ander mogelijk is vertraagd in verband met aanpassingen/wijzigingen in de gebiedsvisie (onder andere de e-mail van 6 december 2023).</para>
        <para>Hoewel er dus enige onzekerheid bestaat of de plannen kunnen doorgaan, kan op grond van die e-mails op dit moment niet worden gezegd dat het voorgenomen gebruik op praktische en/of juridische gronden uitgesloten is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verhuurster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tijdstip einde huurovereenkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <parablock>
        <para>Vervolgens dient de kantonrechter het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen en waarop huurders het gehuurde ontruimd aan verhuurster ter beschikking moeten stellen. Huurders hebben verzocht hierbij rekening te houden met de gevolgen van de coronapandemie zoals die voor hen ook vandaag de dag nog voelbaar zijn. Huurders hebben daartoe aangevoerd dat zij financieel flink getroffen zijn door de coronamaatregelen en dat zij behoorlijke schulden hebben moeten maken bij de belastingdienst. Het gaat om ruim € 171.000,00 aan loonheffing en omzetbelasting en voor huurders zelf om ruim € 53.000,00 en een kleine € 40.000,00 aan inkomstenbelasting (bijlage 12 bij de conclusie van antwoord). Voor deze schulden loopt volgens huurders een betalingsregeling van vijf jaar vanaf oktober 2022. Daarnaast staat er voor Boscafé ’t Rimpelt B.V. (de andere onderneming van huurders) een belastingschuld open van in totaal ruim € 76.000,00 aan loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting. </para>
        <para>De schulden kunnen volgens de boekhouder van huurders worden terugbetaald bij een voortzetting van de huurovereenkomst en een ongewijzigde exploitatie. In de kern komt dit betoog van huurders erop neer dat, nu er in de corona-tijd investeringen zijn gedaan (namelijk het aangaan van schulden), zij de kans zouden moeten hebben die investeringen terug te verdienen/af te betalen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <parablock>
        <para>De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1974) (onder meer en weliswaar in het kader van huurprijsvermindering) overwogen dat de omstandigheid dat een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie de door hem gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate kan exploiteren, bij een huurovereenkomst gesloten voor 15 maart 2020, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in art. 6:258 BW op grond waarvan de rechter de huurovereenkomst kan aanpassen door de huurprijs te verminderen.</para>
        <para>Volgens de Hoge Raad valt het nadeel dat wordt veroorzaakt door de coronamaatregelen in de regel noch in de risicosfeer van de huurder, noch in die van de verhuurder. Daarom moet het nadeel – voor zover niet reeds gecompenseerd door de financiële steun van de overheid aan de huurder in de vorm van de Tegemoetkoming Vaste Lasten – in beginsel gelijk worden verdeeld over de verhuurder en de huurder. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22.</nr>
      <para>Analoog hieraan komt het de kantonrechter redelijk voor het einde van de (al in 2013 ingegane) huurovereenkomst niet te stellen op een termijn van vijf jaar na de datum waartegen is opgezegd, wat huurders eigenlijk willen, maar op een termijn van tweeënhalf jaar. In zoverre wordt het (ondernemers)risico van het niet kunnen beschikken door verhuurster over het gehuurde en het (ondernemers)risico van het niet kunnen terugverdienen van investeringen door huurders verdeeld over verhuurster en huurders. Een en ander betekent dat het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt en huurders het gehuurde ontruimd ter beschikking dienen te stellen aan verhuurster wordt vastgesteld op 31 maart 2026. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nu nog geen tegemoetkoming in de verhuiskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23.</nr>
      <para>Huurders hebben hun vordering daartoe nog niet onderbouwd. Nu een beëindiging op korte termijn nog niet aan de orde is, lijkt het weinig zinvol nu al een nadere aktewisseling te laten plaatsvinden. De vordering wordt daarom zonder nadere aktewisseling afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen uitvoerbaar verklaring bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24.</nr>
      <para>De opgezegde huurovereenkomst blijft van kracht totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op de beëindigingsvordering. Op grond van artikel 7:295 BW kan dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard indien het verweer van huurders hem kennelijk ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval. De vordering wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25.</nr>
      <para>In de uitkomst van de procedure (de huurovereenkomst wordt beëindigd, maar niet zo snel als verhuurster wil) ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren en wel zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van de vorderingen van verhuurster</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>stelt het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde aan [adres] zal eindigen vast op 31 maart 2026,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt huurders om het gehuurde uiterlijk op 31 maart 2026 ontruimd aan verhuurster ter vrije beschikking te stellen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de tegenvorderingen van huurders</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van alle proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>eb</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>