<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2024:1632</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-11T08:50:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/03/326971 / HA ZA 24-55</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:1632">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:1632</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-11T08:50:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2024:1632 Rechtbank Limburg , 27-03-2024 / C/03/326971 / HA ZA 24-55</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2024:1632:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident voorlopige voorziening afgewezen. Niet gesteld dat beslissing in hoofdzaak niet kan worden afgewacht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2024:1632:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5b02ba5d-d3a7-4083-b101-eb61ab57a000" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="934b27c9-abf4-4c45-918c-31e233e7c9d1" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgerlijk recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/03/326971 / HA ZA 24-55</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident bij vervroeging van 27 maart 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. L.N. Hermans,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. S.X.J. Zuidema.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties 1 t/m 7,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten waarvan bij de beoordeling van het incident wordt uitgegaan</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn gehuwd zijn geweest. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 26 november 2021. Die beschikking is op 16 december 2021 ingeschreven in het daarvoor bestemde register (productie 1 dagvaarding). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het convenant welk deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking is bepaald, voor zover hier relevant, dat het appartement [adres] te [woonplaats] wordt toegescheiden aan [eiseres] . De levering van het volle eigendom aan [eiseres] zal plaatsvinden na een termijn van 24 maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De huurpenningen komen tot aan dat moment ten bate van [gedaagde] , alsook de kosten van het appartement, aldus het convenant. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <bridgehead role="italic">in de hoofdzaak</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt dat de levering van het aandeel van [gedaagde] in het appartement [adres] per 16 december 2023 had dienen plaats te vinden, zijnde 24 maanden na inschrijving echtscheiding, [gedaagde] weigert volgens [eiseres] echter zijn medewerking aan deze levering. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] zal veroordelen om binnen 1 week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn volledige medewerking te geven aan de levering van het volle eigendom van [adres] [woonplaats] , en de bijbehorende rechten op het gebruik van de berging in het souterrain, e.e.a. zoals beschreven in de notariële akte van 13 mei 2022 en conform de afspraken opgenomen in het echtscheidingsconvenant gehecht aan de echtscheidingsbeschikking d.d. 26 november 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor zover nodig zal bepalen dat dit vonnis in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de voornoemde woning voor zover het betreft het verlenen van toestemming van [gedaagde] tot die levering en de vereiste handtekening van [gedaagde] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] zal veroordelen aan [eiseres] de daarmee gepaard gaande notariskosten te betalen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het incident </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] zal veroordelen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan [eiseres] zal betalen de huurpenningen vanaf 16 december 2023 betreffende de woning aan de [adres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt dat zij de huurinkomsten nodig heeft als aanvulling op haar inkomen nu zij alleenstaand is en alle kosten voor eigen rekening neemt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>	[gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat [eiseres] heeft nagelaten haar vordering ex art. 223 Rv te motiveren en enig spoedeisend belang is volgens [gedaagde] niet gesteld noch gebleken. Verder stelt [gedaagde] dat het convenant zo moet worden uitgelegd dat de huurinkomsten pas aan [eiseres] toekomen vanaf het moment dat het appartement aan haar geleverd is en in eigendom is overgedragen. [gedaagde] stelt dat hij zo snel mogelijk tot levering wenst te komen. Tot slot merkt [gedaagde] op dat hij reeds vanaf januari 2024 (volgens hem: onverplicht) doende is de huur door te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Voorop moet worden gesteld dat voor toewijzing van een dergelijke provisionele vordering is vereist dat deze verband houdt met de inhoud van de hoofdvordering en dat de eisende partij een zodanig belang bij de vordering heeft dat van haar niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst in de hoofdzaak afwacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Getoetst aan dat criterium is de rechtbank van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen. [eiseres] heeft immers niet gesteld dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de hoofdzaak zal afwachten. De enkele stelling dat zij de huurinkomsten nodig heeft nu zij alleenstaand is, acht de rechtbank onvoldoende om dat aan te nemen. Daarbij speelt een rol dat op basis van de stellingen van [eiseres] voorshands moet worden aangenomen dat zij voorafgaand aan 16 december 2023 ook verstoken was van deze inkomsten en zij heeft niet gesteld dat dit voor een (financieel) problematische situatie zorgde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering in incident moet worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal de kosten van dit incident tussen partijen, ex-echtgenoten, compenseren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de kosten van dit incident aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verstaat dat de zaak reeds op de rol staat van <emphasis role="bold">10 april 2024</emphasis> voor conclusie van antwoord.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.<footnote-ref linkend="_44b6073c-a32e-4c8a-88c5-e217d539459e" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_44b6073c-a32e-4c8a-88c5-e217d539459e" label="1">
    <para>type: AH</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>