<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2023:3081</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-22T11:00:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 23/824</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:3081">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:3081</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-22T10:38:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2023:3081 Rechtbank Limburg , 15-05-2023 / ROE 23/824</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2023:3081:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft medegedeeld dat voorafgaand aan de uitspraak op het beroep nog geen feitelijke invorderingsmaatregelen zullen worden genomen. Verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van invorderingsbeschikking daarom afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2023:3081:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK limburg</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROE 23 / 824</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van  15 mei 2023            </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L) ,</emphasis> verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder wegens verbeurde dwangsommen een bedrag van € 2.100,- bij verzoeker ingevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bij verweerder bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het verzoek kennelijk moet worden afgewezen is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan vermeld. In dit artikel is bepaald dat indien tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>2. Het bestreden besluit volgt op een op 8 november 2022 aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom. Ten aanzien van deze last onder dwangsom heeft verweerder een besluit op bezwaar genomen waartegen verzoeker beroep heeft ingesteld (zaaknummer ROE 23 / 621). Dat beroep heeft op grond van artikel 5:39 van de Awb mede betrekking op het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de rechtbank via e-mail van 13 april 2023 bericht dat verweerder de op basis van het bestreden besluit te treffen feitelijke invorderingsmaatregelen opschort tot nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan en de rechtbank op het beroep heeft beslist.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoeker heeft bij aanvullend beroepschrift van 14 april 2023, kort gezegd, aangevoerd dat het stellen van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening in strijd is met het Europees recht.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb, alleen zolang de hoofdzaak, in dit geval de beroepsprocedure, loopt een voorlopige voorziening treffen. Dat kan aan de orde zijn als onverwijlde spoed dat vereist. Is die spoed er niet, dan kan gewoon de uitkomst van de beroepsprocedure worden afgewacht. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom het moeten wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure, die binnen een redelijke termijn moet worden afgerond,<footnote-ref linkend="_922de089-c188-4450-8665-1b3ccd12b888" /> in strijd is met Europees recht als er geen aanleiding is om een spoedvoorziening te treffen.</para>
    <para />
    <para>6. Gelet op de mededeling van verweerder zal verweerder voorafgaand aan de uitspraak op het beroep nog niet tot feitelijke invordering van het ingevorderde bedrag van € 2.100,- overgaan. Dit betekent dat er geen reden is om, vooruitlopend op de uitspraak op het beroep, een voorziening te treffen. De vragen of kan worden ingevorderd en binnen welke termijn, kunnen door de toezegging van verweerder, zonder dat in de tussentijd nadeel voor verzoeker kan ontstaan, worden behandeld door de rechtbank bij de behandeling van het beroep. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie. Wat verzoeker wil bereiken, namelijk schorsing van het bestreden besluit, heeft hij met de toezegging van verweerder al bereikt. Meer dan verweerder uit zichzelf al gedaan heeft, kan de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening niet doen.</para>
    <para />
    <para>7. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelet op het voorgaande afgewezen. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:  15 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_922de089-c188-4450-8665-1b3ccd12b888" label="1">
    <para> Zie artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>