<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2023:2578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-25T10:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 22 / 2400</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:2578">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:2578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-21T12:24:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2023:2578 Rechtbank Limburg , 18-04-2023 / ROE 22 / 2400</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2023:2578:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat bezwaarschrift te laat is ingediend. Beroep kennelijk ongegrond: tijdige verzending niet aannemelijk gemaakt en niet gebleken van verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2023:2578:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Limburg</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: ROE 22 / 2400</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.A. Remport Urban),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen)</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 1 september 2022 (het bestreden besluit). Verweerder heeft daarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_c5c1954e-cf85-47bc-a038-9749999d3282" /></para>
    <para />
    <para>2. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, bekend is gemaakt.<footnote-ref linkend="_5fd6f3ad-36e8-4ff5-9c1a-540514550631" /> In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken moet gebeuren. In dit geval is het besluit van 11 mei 2022 op de juiste wijze bekendgemaakt door verzending op 11 mei 2022. Eiser heeft dat ook niet betwist. De bezwaartermijn eindigde dus op 22 juni 2022. Het bezwaarschrift had uiterlijk op die dag door verweerder ontvangen moeten zijn, dan wel bij verzending per post uiterlijk binnen een week daarna.<footnote-ref linkend="_9b42b2f1-18f3-44b6-99cf-027609b14fb7" /> Als het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend, is de hoofdregel dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk hoeft te behandelen. Soms is dat anders, namelijk als er een geldige reden is waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen en er wordt dan gesproken van verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt dat pas na afloop van de bezwaartermijn, namelijk op 11 juli 2022, een brief van eiser is ontvangen. Dit is een brief gedateerd op 7 juli 2022 waarin staat: “<emphasis role="italic">Op mijn brief d.d. 27 mei jl. (zie kopie bijlage) heb ik van u nog geen reactie mogen ontvangen. Kunt u het eea aub nakijken? En mij zsm berichten?</emphasis>”. bij die brief is een “bezwaarschrift onder nader aan te voeren gronden” gevoegd dat is gedateerd op 27 mei 2022. Verweerder stelt dat bezwaarschrift nooit te hebben ontvangen (anders dan als bijlage bij de brief van 7 juli 2022).</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift van 27 mei 2022 betwist. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij dit bezwaarschrift tijdig heeft verzonden of om een geldige reden te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. De gemakkelijkste manier om verzending aannemelijk te maken, is door aangetekende verzending: dan geeft de postdienst immers een verzendbewijs af. Het bezwaarschrift van 27 mei 2022 is echter niet aangetekend verzonden. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat in gevallen waarin het belangrijk is dat een poststuk tijdig wordt verzonden/ontvangen, gezorgd wordt voor aangetekende verzending. Het risico van niet aangetekende verzending ligt bij de verzender. Nu het bezwaarschrift niet aangetekend is verzonden, is het aan eiser om op een andere manier toch de verzending daarvan aannemelijk te maken. Dat heeft eiser niet gedaan. In zijn beroep voert eiser enkel inhoudelijke gronden tegen het besluit van 11 mei 2022 aan en geen gronden tegen het bestreden besluit (de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend). Eiser heeft daarmee tijdige indiening van zijn bezwaarschrift niet aannemelijk gemaakt en dat had van eiser wel mogen verwacht gezien de inhoud van het besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft de rappelbrief van 7 juli 2022 ontvangen op 11 juli 2022. Dat is dus buiten de bezwaartermijn die liep tot en met 22 juni 2022. Deze brief (met bijlage) had verweerder dus niet hoeven aan te merken als een tijdig ingediend bezwaarschrift. Ook het pas na afloop van de bezwaar termijn rappelleren door eiser komt voor zijn rekening. Zeker bij een niet aangetekend verzonden bezwaarschrift is het aan eiser om voor het einde van de bezwaartermijn bij verweerder na te gaan of dit is ontvangen. </para>
    <para />
    <para>6. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is een wettelijke termijn waarvan de duur niet kan worden gewijzigd. Verweerder mag het bezwaar, als geen sprake is van verschoonbare omstandigheden, nietontvankelijk verklaren. Eiser heeft verschoonbare omstandigheden niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft het bezwaar gelet op het voorgaande terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op  18 april 2023 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: 18 april 2023 </para>
      <para>AC</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c5c1954e-cf85-47bc-a038-9749999d3282" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5fd6f3ad-36e8-4ff5-9c1a-540514550631" label="2">
    <para> Artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b42b2f1-18f3-44b6-99cf-027609b14fb7" label="3">
    <para> Artikel 6:9 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>