<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2022:6798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-08T09:22:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-000625</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:6798">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:6798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-06T13:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2022:6798 Rechtbank Limburg , 16-08-2022 / 22-000625</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2022:6798:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek art. 533 Sv; Vergoeding met maatstaf van 0,5. Gronden van billijkheid verzetten zich tegen een volledige vergoeding. De voorlopige hechtenis heeft door de proceshouding van de verzoeker langer geduurd dan nodig. De verzoeker was, indien hij eerder een verklaring had afgelegd, eerder in vrijheid gesteld. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat tot een bepaalde mate die gronden van billijkheid wel aanwezig zijn voor het verzochte. Onvoldoende is vast komen te staan dat de zaak -indien tot verdere vervolging zou zijn overgegaan- onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid (bewijsbare zaak), gelet op de ontlastende verklaring die de verzoeker bij de raadkamer gevangenhouding heeft afgelegd. Vergoeding volgens de LOVS-oriëntatiepunten met een maatstaf van 0,5.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2022:6798:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK LIMBURG</title>
    <para>Strafrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer	: 03/271535-19</para>
      <para>raadkamernummer	: 22-000625</para>
      <para>datum	: 16 augustus 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.A. Breetveld, advocaat te 's-Gravenhage (Johan v Oldenbarneveltlaan 87, 2582 NK 's-Gravenhage),</para>
      <para>thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para>De verzoeker is op 13 november 2019 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht/zware mishandeling. Op 15 november 2019 is de bewaring van de verzoeker bevolen. Op 28 november 2019 is de voorlopige hechtenis opgeheven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft beslist de verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 26 oktober 2022 aan de verzoeker meegedeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>Het verzoekschrift is op 11 januari 2022 ter griffie van deze rechtbank ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 2 augustus 2022 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld. Het verzoekschrift is gelijktijdig behandeld met het verzoekschrift ex artikel 530 Sv van de verzoeker met raadkamernummer 22-000626.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de verzoeker, diens advocaat, mr. E.A. Breetveld, en de officier van justitie op zitting gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 16 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verzoek</title>
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van in totaal </para>
      <para>€ 1.690,00.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat gronden van billijkheid zich verzetten tegen een toekenning van een vergoeding van de immateriële schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering heeft geleden. De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd doormiddel van een beleidssepot. De reden voor het sepot was gelegen in het feit dat het Openbaar Ministerie de zaak niet heeft willen voorleggen aan de strafrechter, omdat in een andere strafzaak een ISD-maatregel is opgelegd. Dat neemt niet weg dat het bewijs tegen verzoeker toereikend was voor een veroordeling. In deze omstandigheden is het niet billijk om een vergoeding toe te kennen. Het verzoek moet worden afgewezen. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para>De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het voorgaande betekent enerzijds dat in geval van schade of gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval dat een zaak is geëindigd met een sepot, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst. Daarbij kan de rechter onder andere in aanmerking nemen de omstandigheid dat jegens de verzoeker een bepaalde mate van verdenking bestond. Ook kan gewicht worden toegekend aan de proceshouding van de verzoeker en in hoeverre de verzoeker de gemaakte kosten of voorlopige hechtenis aan zijn eigen houding te wijten heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval van de verzoeker is de strafzaak geëindigd doormiddel van een beleidssepot. Door de officier van justitie is in raadkamer medegedeeld dat dit sepot was gelegen in het feit dat in een andere strafzaak een ISD-maatregel is opgelegd. Dit betekent dat de strafzaak ten einde is gekomen om redenen van opportuniteit en niet bij gebrek aan bewijs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het procesdossier blijkt dat tegen de verzoeker een verdenking is gerezen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/zware mishandeling. De verzoeker heeft zich van meet af aan beroept op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft bij de behandeling van de vordering tot gevangenhouding van 28 november 2019 uiteindelijk een verklaring afgelegd. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de voorlopige hechtenis langer heeft geduurd dan nodig. Indien de verdachte zijn kant van het verhaal eerder bij de politie had verteld, had de voorlopige hechtenis wellicht geen 16 dagen geduurd en was de verzoeker eerder in vrijheid gesteld. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de duur van de voorlopige hechtenis voor een groot deel is te wijten aan de proceshouding van de verzoeker. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gronden van billijkheid zich verzetten tegen een volledige toewijzing van de verzochte vergoeding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desalniettemin is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat tot een bepaalde mate die gronden van billijkheid wel aanwezig zijn voor het verzochte. Hiertoe overweegt de rechtbank dat onvoldoende vast is komen te staan dat deze zaak, indien tot verdere vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot een veroordeling (bewijsbare zaak). Dit gelet op de ontlastende verklaring die de verzoeker bij de raadkamer gevangenhouding heeft afgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een vergoeding kan worden toegekend volgens de LOVS-oriëntatiepunten met een maatstaf 0,5.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">De hoogte van de vergoeding</emphasis>
      </para>
      <para>Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen én geëindigd op een en dezelfde dag (en het voorarrest dus tot enkele uren beperkt is gebleven) wordt een vergoeding toegekend naar de maatstaf van een volledige dag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gaat uit van de volgende data:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>inverzekeringstelling: 13 november 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>voorlopige hechtenis: 15 november 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>invrijheidstelling: 28 november 2019.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft 16 dagen zijn vrijheid moeten missen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de gebruikelijke vergoeding conform de LOVS-oriëntatiepunten met een maatstaf van 0,5 toekennen, te weten:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>€ 65,-  voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>€ 50,- voor elke dag door verzoeker in voorlopige hechtenis doorgebracht.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 65,- maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 50,- wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 50,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande zal aan de verzoeker een bedrag worden toegekend van € 840,-. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 840,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door</para>
      <para>mr. L.P. Bosma,	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens,	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 840,- (zegge: achthonderdveertig euro), door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer NL59 INGB 0002 0234 45 ten gunste van Stichting Beheer Derdengelden Beelaard Breetveld advocaten, o.v.v. Dilai (20210987).</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>