<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2022:3231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-26T14:30:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03/700001-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:3231">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:3231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-26T12:00:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2022:3231 Rechtbank Limburg , 26-04-2022 / 03/700001-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2022:3231:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deelname aan een criminele organisatie en het aanwezig hebben van cocaïne. Integrale vrijspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2022:3231:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Maastricht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 03/700001-20</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,</para>
      <para>wonende te [adresgegevens verdachte] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <parablock>
      <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 maart 2022. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op </para>
      <para>12 april 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1: </emphasis>in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 20 december 2019 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die gericht was op de (voorbereiding van) handel, productie en/of in- en uitvoer van verdovende middelen;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2</emphasis>: samen met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 75 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zodat vrijspraak moet volgen voor feit 1. In de woning van de verdachte zijn weliswaar drugs gevonden en in het dossier bevinden zich tapgesprekken waaruit blijkt dat de verdachte wist dat haar vriend zich bezighield met drugshandel, maar deze enkele wetenschap is onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie waartoe haar vriend behoorde.</para>
        <para>De officier van justitie acht feit 2 wel bewezen. Er werd cocaïne aangetroffen in de woning die de verdachte huurde, zodat de cocaïne zich binnen de beschikkingsmacht van de verdachte bevond. De verklaring van de verdachte dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne, is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. </para>
        <para>Voor feit 1 (het deelnemen van de criminele organisatie) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie. </para>
        <para>Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in een van de garageboxen achter de woning die zij huurde.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Feit 1: deelname aan een criminele organisatie</emphasis>
        </para>
        <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich – kort gezegd – bezig hield met de handel in en in- en uitvoer van hard- en softdrugs. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het juridisch kader</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat sprake is van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (en artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarnaast verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1626).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>Met inachtneming van dit juridisch kader is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie waartoe onder andere haar vriend [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) behoorde. Deze criminele organisatie hield zich – kort gezegd – bezig met de handel in en de uitvoer van hard- en softdrugs. In het dossier bevindt zich een tweetal tapgesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] waarin [medeverdachte 1] aangeeft dat hij spullen wegbrengt naar Duitsland en waarin hij aangeeft dat “ [naam] ’ dingen komt halen bij de verdachte, waarbij de verdachte moet opletten dat [naam] ‘niet meer pakt dan 12,5’. Hoewel voornamelijk dit tweede tapgesprek zou kunnen wijzen op handel in verdovende middelen, zijn deze twee tapgesprekken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte een aandeel had in of ondersteuning bood aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie waartoe [medeverdachte 1] behoorde. Van een intellectuele of materiële bijdrage van enig gewicht door de verdachte aan deze organisatie is immers niet gebleken. Evenmin volgt uit de twee tapgesprekken dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie waartoe haar vriend behoorde het oogmerk had om (druggerelateerde) misdrijven te plegen. Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Feit 2: het aanwezig hebben van 75 gram cocaïne</emphasis>
        </para>
        <para>Aan de verdachte is verder ten laste gelegd dat zij cocaïne aanwezig heeft gehad. Deze cocaïne werd aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning die de verdachte en haar vriend samen huren van haar schoonvader, de medeverdachte [medeverdachte 2] . Achter deze woning is een erf gelegen met daarop aan het pand aaneengeschakelde garageboxen, opslagruimten en bijgebouwen. De cocaïne werd aangetroffen in een grijskleurige zak in een van deze ruimten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat voor het ‘aanwezig hebben’ van drugs als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet, is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen, én dat deze goederen zich binnen haar machtssfeer bevonden (ECLI:NL:HR:2021:1945). De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze cocaïne in de plastic zak in een van de stallen/garages achter haar woning. Gelet op de vindplaats van de verdovende middelen kan namelijk niet geoordeeld worden dat zij de drugs gezien moet hebben en evenmin bevat het dossier andere bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat harddrugs in een van de ruimtes achter de door haar gehuurde woning lagen. Nu niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in haar woning, wordt de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Buiten staat</emphasis>
      </para>
      <para>mr. C. Reijntjes-Wendenburg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE I: De tenlastelegging</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. </para>
    <para>zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot en met 20 december 2019 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk heeft/had het plegen van één of meer misdrij(f)(ven), als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk:</para>
    <para>- het aanwezig hebben en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of</para>
    <para>- het verrichten van voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of</para>
    <para>- het in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of</para>
    <para>- van het (van grote hoeveelheden) binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;</para>
    <para />
    <para>2. </para>
    <para>zij op of omstreeks 20 december 2019 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>