<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBLIM:2022:2362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-03T07:31:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Limburg" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Limburg</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROE 22/376</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Maastricht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:2362">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2022:2362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-25T15:40:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBLIM:2022:2362 Rechtbank Limburg , 18-03-2022 / ROE 22/376</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBLIM:2022:2362:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Wet langdurige zorg (Wlz). Afwijzing verzoek tot treffen voorlopige voorziening in beroep vanwege ontbreken spoedeisend belang en om die reden ook nog geen uitspraak in de bodemzaak.</para>
        <para>Besluit CIZ betreft afwijzing Wlz-indicatie. In een mogelijke korting op de bijstandsuitkering van verzoekers moeder ligt geen spoedeisend belang, reeds omdat er geen sprake is van een dreigende korting op de bijstandsuitkering van verzoekers moeder vanwege de door haar aan verzoeker verleende zorg. Ook anderszins is niet gebleken van spoedeisendheid. Verzoekers moeder verleent thans de zorg aan verzoeker die deze op grond van de Wlz heeft aangevraagd. Daarnaast is gebleken dat aan verzoeker door de wijkverpleegkundige de op grond van de Zvw geïndiceerde zorg wordt althans kan worden verleend. Van een acute medische noodsituatie is derhalve evenmin sprake.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBLIM:2022:2362:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK LIMBURG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: ROE 22/376</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [Naam 1], uit [woonplaats], verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.E. Dekker),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Kersjes-van Bussel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 9 juni 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 10 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer 21/3344). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 maart 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn moeder, [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. Verzoeker heeft ten aanzien van het spoedeisend belang aangevoerd dat hij geheel afhankelijk is van zijn moeder die hem de benodigde zorg geeft. Zij ontvangt een bijstandsuitkering. Doordat zij verzoeker moet verzorgen, heeft zij geen mogelijkheid tot het verrichten van betaald werk en/of daarmee aan haar verplichtingen te voldoen. Er is derhalve iedere keer een kans dat zij gekort wordt op haar inkomen wat uiteraard dan weer gevolgen voor verzoeker heeft. Daarnaast is het niet mogelijk om de moeder van verzoeker te ontlasten hetgeen een zeer zware druk en risico op de verzorging legt.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft ten aanzien van het spoedeisend belang in het verweerschrift naar voren gebracht dat de uitkomst van de beroepsprocedure kan worden afgewacht, omdat uit de beschikbare gegevens is te herleiden dat verzoeker op dit moment de beschikking heeft over een indicatie vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor 65 uur en 20 minuten voor Persoonlijke verzorging en 1 uur en 45 minuten voor Verpleging zodat voor hem zorg beschikbaar en voorhanden is. Verzoeker heeft niet nader uiteengezet welke gevolgen het (eventueel) korten op de bijstandsuitkering van de moeder heeft voor de zorg voor verzoeker. Ook de stelling dat het niet mogelijk zou zijn om de moeder te ontlasten van de zorg, wordt op geen enkele manier nader onderbouwd. De indicatie vanuit de Zvw kan heel goed door middel van inzet van thuiszorg worden gerealiseerd, zeker omdat het planbare zorg betreft. Niet valt in te zien waarom de thuiszorg niet een deel van de zorg zou kunnen overnemen. Verweerder ziet niet in waarom de inkomenspositie van de moeder van verzoeker tot een spoedeisend belang kan leiden in deze procedure.</para>
    <para />
    <para>4. Uit de toelichting die door verzoekers gemachtigde en verzoekers moeder ter zitting is gegeven blijkt dat verzoekers moeder is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, maar dat zij vanwege het ontvangen van de bijstandsuitkering de verplichting heeft een werkmap op de site van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij te houden vanwege de inschrijving als werkzoekende. De gemachtigde heeft toegelicht dat in het geval de werkmap niet tijdig wordt bijgehouden, een korting op de bijstandsuitkering zal volgen. Het iedere keer invullen van de werkmap brengt onzekerheid met zich mee. </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hierin geen  spoedeisend belang voor een voorziening is gelegen, reeds omdat er geen sprake is van een dreigende korting op de bijstandsuitkering van verzoekers moeder vanwege de door haar aan hem verleende zorg. Ook anderszins is niet gebleken van spoedeisendheid. Verzoekers moeder verleent thans de zorg aan verzoeker die deze op grond van de Wlz heeft aangevraagd. Daarnaast is gebleken dat aan verzoeker door de wijkverpleegkundige de op grond van de Zvw geïndiceerde zorg wordt althans kan worden verleend. Van een acute medische noodsituatie is derhalve evenmin sprake.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers gemachtigde heeft ter zitting overigens ook erkend dat een spoedeisend belang ontbreekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Verzoeker kan de behandeling van het beroep afwachten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Om dezelfde reden doet de voorzieningenrechter geen uitspraak in de hoofdzaak. </para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Cremers, griffier. </para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022    </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>